← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.25 Rolnummer: P.22.1329.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 778 - laatst gezien 2026-06-18 17:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Gelet op het feit dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie, is de weigering tot overlevering op grond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel enkel verantwoord wanneer er ernstige en concrete gegevens worden aangevoerd die doen aannemen dat de fundamentele rechten van de persoon om wiens overlevering wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat kennelijk in gevaar zullen worden gebracht; het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of dergelijke gegevens in het concrete geval voorhanden zijn maar dit veronderstelt wel dat het onderzoeksgerecht, indien dit het aangevoerde gegeven niet op een andere grond verwerpt, met kennis van zaken en dus zo nodig na kennisneming van het recht van de uitvaardigende lidstaat onderzoekt of dat recht in het concrete geval verenigbaar is met de fundamentele rechten bevestigd door artikel 6 VEU en wanneer een Europees aanhoudingsbevel strekt tot strafuitvoering vereisen die kennisneming en dat onderzoek in de regel niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich inlaat met een concrete Poolse strafvordering. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1329.N J K K, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiseres, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 oktober 2022. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest verwerpt de op deze bepaling gesteunde weigeringsgrond die de eiseres heeft aangevoerd tegen het door een Poolse rechter verleende Europees aanhoudingsbevel strekkende tot haar overlevering met het oog op strafuitvoering; de eiseres heeft meer bepaald de miskenning van haar fundamentele rechten aangevoerd omdat er naar Pools recht geen volwaardig recht op verzet bestaat tegen de verstekbeslissing waarbij haar probatie-uitstel werd herroepen; het arrest oordeelt dat de beoordeling van die weigeringsgrond de kennisneming vereist van de concrete Poolse strafvordering, wat niet mogelijk is voor de Belgische rechter die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel; de beoordeling van de hier aangevoerde weigeringsgrond vereist echter niet de kennisneming door de kamer van inbeschuldigingstelling van de concrete Poolse strafvordering, die trouwens niet meer aanhangig is in geval van strafuitvoering, maar wel het onderzoek door die kamer van de Poolse wetgeving en in het bijzonder naar de verenigbaarheid van die wetgeving met de vereisten zoals bevestigd door artikel 6 VEU; het arrest gaat ten onrechte niet over tot dat onderzoek. 2. Artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging ervan afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 VEU. Artikel 7 van die wet bepaalt een facultatieve weigeringsgrond in sommige gevallen waarin het Europees aanhoudingsbevel strekt tot de tenuitvoerlegging van een bij verstek opgelegde vrijheidsstraf. 3. Gelet op het feit dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie, is de weigering tot overlevering op grond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel enkel verantwoord wanneer er ernstige en concrete gegevens worden aangevoerd die doen aannemen dat de fundamentele rechten van de persoon om wiens overlevering wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat kennelijk in gevaar zullen worden gebracht. 4. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of dergelijke gegevens in het concrete geval voorhanden zijn. Dit veronderstelt wel dat het onderzoeksgerecht, indien dit het aangevoerde gegeven niet op een andere grond verwerpt, met kennis van zaken en dus zo nodig na kennisneming van het recht van de uitvaardigende lidstaat onderzoekt of dat recht in het concrete geval verenigbaar is met de fundamentele rechten bevestigd door artikel 6 VEU. Wanneer een Europees aanhoudingsbevel strekt tot strafuitvoering, zoals hier, vereisen die kennisneming en dat onderzoek in de regel niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich inlaat met een concrete Poolse strafvordering. 5. De kamer van inbeschuldigingstelling verwerpt eisers aanspraak op de toepassing van artikel 4 5° Wet Europees Aanhoudingsbevel op grond van de redenen, eensdeels, dat artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel niet van toepassing is op de bij verstek genomen beslissing tot herroeping van een uitstel en, anderdeels dat: “De beoordeling van het al dan niet beschikken over een volwaardig recht op verzet, slechts [kan] worden onderzocht voor zover kennis kan worden genomen van de Poolse strafvervolging. De Belgische rechter heeft, wanneer hij uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, geen rechtsmacht om uitspraak te doen over de strafvordering. De strafvordering is enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit (…). De kamer van inbeschuldigingstelling, die thans uitspraak dient te doen over de tenuitvoerlegging van een Pools Europees aanhoudingsbevel, heeft geen rechtsmacht om uitspraak te doen over de Poolse strafvordering.” Op grond van de aldus geciteerde redenen kan de kamer van inbeschuldigingstelling de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel hier niet wettig verwerpen, ongeacht de niet-toepasselijkheid van artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel. Bijgevolg is de beslissing niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige 6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 141,96 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.25 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.