id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8 Rolnummer: P.22.0813.N Zaak: M. contra M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 1127 - laatst gezien 2026-06-18 18:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8 Fiche Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, die deels effectief en deels met uitstel van tenuitvoerlegging wordt uitgesproken en aan die beklaagde door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied is toegekend, wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende voorlopige invrijheidstelling dan wel bij het einde van de aan het uitstel verbonden proeftijd indien die zich daarna situeert en omgekeerd
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: HERHALING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 56, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0813.N E M, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen A M, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 28 september 2022 ter griffie een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 25 oktober 2022 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de eiser veroordeelt tot betaling van een provisie aan de verweerster, een deskundigenonderzoek beveelt, de verdere behandeling van de zaak op burgerrechtelijk gebied onbepaald uitstelt en de beslissing over de interesten en de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding aanhoudt. Het arrest verzendt de zaak voor verdere afhandeling van de aangehouden burgerlijke belangen naar de eerste rechter.
- Dat zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, beslissingen als bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, is het niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 56, eerste en tweede lid, Strafwetboek: het arrest neemt met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten van 26 april 2021 door verwijzing naar het arrest van het hof van beroep van Gent van 12 mei 2010, waarbij de eiser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden, waarvan tien maanden met gewoon uitstel gedurende een termijn van vijf jaar, de toestand van wettelijke herhaling ten onrechte aan; de eiser zat met betrekking tot de veroordeling van 12 mei 2010 in voorlopige hechtenis van 14 november 2008 tot en met 28 april 2009 en na zijn onmiddellijke aanhouding werd hij opnieuw opgesloten en verkreeg hij strafeinde op 28 januari 2016, na een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied door de strafuitvoeringsrechtbank op 22 december 2013; de vijfjarige termijn van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek nam voor wat betreft de effectief opgelegde straf een aanvang op 28 januari 2016; ingeval van een veroordeling met uitstel, die niet wordt herroepen, wordt de straf geacht te zijn ondergaan bij het verstrijken van de proeftijd, dit wil zeggen door het verstrijken van de uitsteltermijn na het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van 12 mei 2010 op 28 mei 2010; daaruit volgt dat voor wat betreft de straf met uitstel de vijfjarige termijn van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek een aanvang nam op 29 januari 2016 en dus op het ogenblik van de thans bewezen verklaarde feiten was verstreken.
- Artikel 56, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat ingeval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste één jaar, de veroordeelde kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de bij de wet bepaalde straf, indien hij het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaar zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard.
- Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf met uitstel van tenuitvoerlegging, wordt die straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd.
- Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een effectieve hoofdgevangenisstraf en hem door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt toegekend, dan wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor deze voorlopige invrijheidstelling
- Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, die deels effectief en deels met uitstel van tenuitvoerlegging wordt uitgesproken en aan die beklaagde door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied is toegekend, wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende voorlopige invrijheidstelling dan wel bij het einde van de aan het uitstel verbonden proeftijd indien die zich daarna situeert en omgekeerd.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser zijn straf heeft ondergaan op 28 januari 2016, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 127,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230208.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230208.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div