← België

Z. contra IVERLEK

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.9 Rolnummer: P.22.0763.N Zaak: Z. contra IVERLEK Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Unierecht Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 593 - laatst gezien 2026-06-15 06:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Op grond van artikel 267 VWEU, dat bepaalt dat, indien een vraag over onder meer de uitlegging van de Verdragen wordt opgeworpen voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen, staat het de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen rechtsmiddel openstaat, vrij om te beoordelen of het eventueel noodzakelijk is het Hof van Justitie een prejudiciële uitleggingsvraag te stellen; hij mag met andere woorden een dergelijke vraag stellen, maar is daartoe niet verplicht. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0763.N I A Z, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, tegen

  1. IVERLEK, met zetel te 3012 Leuven (Wilsele), Aarschotsesteenweg 58, burgerlijke partij,
  2. GASELWEST, met zetel te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 12, burgerlijke partij,
  3. SIBELGAS, met zetel te 1800 Vilvoorde, Grote Markt, burgerlijke partij, verweersters. II
  4. S Z, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Carine Liekendael, advocaat bij de balie Brussel, tegen
  5. IVERLEK, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  6. GASELWEST, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  7. SIBELGAS, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweersters.
  8. L R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Carine Liekendael, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 9 mei
  9. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers II voeren geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser II.1
  10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II.1 zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweersters II.1, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook tegen die verweersters gericht, is het cassatieberoep van de eiser II.1 niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
  11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 26, § 2, 2°, tweede lid, en § 4, tweede lid, 1° en 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest verwerpt eisers verzoek om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over verenigbaarheid van de bewijsuitsluitingsregels bepaald in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering met het Unierecht, meer specifiek in het licht van de artikelen 7, 8, 11 en 52, lid 1, Handvest Grondrechten EU en het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel; het arrest motiveert die verwerping met de eenvoudige vermelding dat de door het Hof van Justitie aangebrachte precisering inzake het gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel niet zijn miskend en verduidelijkt dit oordeel niet aan de hand van een of meerdere redenen die deze beslissing kunnen dragen.
  12. Op de prejudiciële vraagstelling door een nationale rechter aan het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet de Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof van toepassing, maar wel het VWEU.
  13. Artikel 267 VWEU bepaalt dat, indien een vraag over onder meer de uitlegging van de Verdragen wordt opgeworpen voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.
  14. Op grond van die bepaling staat het de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen rechtsmiddel openstaat, vrij om te beoordelen of het eventueel noodzakelijk is het Hof van Justitie een prejudiciële uitleggingsvraag te stellen. Hij mag met andere woorden een dergelijke vraag stellen, maar is daartoe niet verplicht.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Het arrest (p. 18-22) vermeldt waarom artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, uitgelegd aan de hand van het gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel zoals gepreciseerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, in deze zaak niet het weren van de bewaarde telefoniegegevens vereist. Uit die redenen en deze die het middel vermeldt, blijkt waarom de appelrechters het stellen van de door de eiser I voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet nodig achten. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 228,31 euro, waarvan de eiser I 114,15 euro is verschuldigd en de eisers II 114,16 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.