← België

ETHIAS contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221104.1N.5 Rolnummer: C.22.0133.N Zaak: ETHIAS contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-12-06 Raadplegingen: 1034 - laatst gezien 2026-06-17 05:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Bij een rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn advocaat wegens het door laatstgenoemde niet tijdig instellen van een vordering in rechte, is het schadeverwekkend feit het ogenblik waarop de verjaring van die vordering is ingetreden. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn advocaat - Verjaringstermijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel - 11-06-1874 - Art. 88, § 2, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1874061150 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Landverzekering - Rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn advocaat - Verjaringstermijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel - 11-06-1874 - Art. 88, § 2, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1874061150 Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2023, nr. 8, p. 1109-

  1. - VAN SCHOUBROECK, Caroline; Noot'Het begrip schadeverwekkend feit als aanvangspunt van de verjaring van de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar' Tekst van de beslissing Nr. C.22.0133.N ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.484.654, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177, bus 7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen P. B., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 november
  2. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Krachtens artikel 88, § 2, eerste lid, Verzekeringswet, zoals hier van toepassing, verjaart, onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 150, door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn, krachtens het tweede lid van diezelfde bepaling, pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.
  4. Bij een rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn advocaat wegens het door laatstgenoemde niet tijdig instellen van een vordering in rechte, is het schadeverwekkend feit het ogenblik waarop de verjaring van die vordering is ingetreden.
  5. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de schadeverwekkende gebeurtenis, in de zin van artikel 88, § 2, Verzekeringswet, voor de verweerder ten opzichte van zijn advocaat B. X. het ogenblik is waarop deze klant diende te weten dat deze advocaat niet het nodige gedaan had om tijdig de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de voor het ongeval aansprakelijke derde in rechte in te stellen en dat met andere woorden deze advocaat een mogelijke fout in zijn behartiging van de belangen van zijn klant kon verweten worden, waardoor de beroepsaansprakelijkheid van deze advocaat in het gedrang kon komen; - deze advocaat B. X. steeds betwist heeft dat hij niet tijdig zou gehandeld hebben, daar volgens hem de verjaring van de rechtstreekse vordering ten opzichte van de verkeersongevallenverzekeraar nooit zou ingetreden zijn; - het pas door het vonnis van de politierechtbank Hasselt van 19 mei 2016 is dat voor de verweerder duidelijk kon worden dat dit standpunt van zijn voormalig advocaat in rechte onjuist was en dat met andere woorden de rechtstreekse vordering tegen de verkeersongevallenverzekeraar vanaf 20 mei 2008 verjaard was; - het dan ook ten vroegste vanaf dat ogenblik is dat de vijfjarige verjaringstermijn van de onderhavige beroepsaansprakelijkheidsvordering aanvang kon nemen.
  6. De appelrechter die, niettegenstaande hij vaststelt dat de rechtstreekse vordering tegen de verkeersongevallenverzekeraar reeds vanaf 20 mei 2008 verjaard was, te kennen geeft dat het schadeverwekkend feit plaatsvond op 19 mei 2016, verantwoordt zijn beslissing dat de eiseres wel degelijk ruim binnen de verjaringstermijn van vijf jaar, met name op 28 mei 2019, gedagvaard werd, niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en raadsheer Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 4 november 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221104.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.