← België

E. contra BEOBANK NVSA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221107.3N.4 Rolnummer: S.22.0004.N Zaak: E. contra BEOBANK NVSA Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2023-01-12 Raadplegingen: 824 - laatst gezien 2026-06-17 17:22 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221107.3N.4 Fiche Een schuldeiser wordt enkel geacht afstand te doen van een schuldvordering indien hij door de schuldbemiddelaar bij aangetekend schrijven is aangemaand om binnen de in artikel 1675/9, § 3, Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn van deze schuldvordering aangifte te doen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE SCHULDENREGELING Vrije woorden: Schuldeiser - Schuldvordering - Niet-aangifte - Afstand - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel V: BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING. (art. 1386 tot 1675/27) - 10-10-1967 - Art. 1675/9, § 3 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de beslissing Nr. S.22.0004.N A.E., in haar hoedanigheid van schuldbemiddelaar, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BEOBANK nv, met zetel te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0401.517.147, verweerster, mede in zake
  1. S.M.,
  2. PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ VLAANDEREN nv, met zetel te 1000 Brussel, Oude Graanmarkt 63, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0455.777.660,
  3. PIDPA, opdrachthoudende vereniging, met zetel te 2280 Grobbendonk, Vierselse baan 5, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0204.908.936,
  4. SECUREX INTEGRITY - VRIJ SOCIAAL VERZEKERINGSFONDS VOOR ZELFSTANDIGEN vzw, met zetel te 1040 Etterbeek, Tervurenlaan 43, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0409.861.127,
  5. ENECO BELGIUM nv, als rechtsopvolger van ENI GAS & POWER nv, met zetel te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 455, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0683.948.879,
  6. BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de cel collectieve procedures Antwerpen 1, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 199,
  7. LAMPIRIS nv, met zetel te 4000 Luik, Rue Saint-Laurent 54, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0859.655.570,
  8. V.I., die woonstkeuze heeft gedaan bij mr. R.H.,
  9. G.S., advocaat, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van EGGERMONT BOEKHOUDING bv, met zetel te 8500 Kortrijk, Brugsesteenweg 243, bus 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0423.958.690,
  10. P.T., advocaat, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van MOONEN-VERMEIREN bv, met zetel te 2950 Kapellen, Ertbrandstraat 152, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0567.914.313,
  11. RANSON nv, als rechtsopvolger van DROESSAERT nv, met zetel te 8530 Harelbeke, Generaal Deprezstraat 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0415.042.808,
  12. M.V., advocaat,
  13. EUROPABANK nv, met zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.028.
  14. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 oktober
  15. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 19 september 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  16. Artikel 1675/9, § 1, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de griffier uiterlijk vijf dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid deze overeenkomstig artikel 1675/16 ter kennis moet brengen van “2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van een formulier van aangifte, van de tekst van § 2, van dit artikel en van de tekst van artikel 1675/7”. Krachtens artikel 1675/9, § 2, Gerechtelijk Wetboek, moet de aangifte van schuldvordering uiterlijk een maand na de toezending van de beschikking van toelaatbaarheid bij de schuldbemiddelaar worden verricht, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht, hetzij bij aangifte op zijn kantoor met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde. Die aangifte omschrijft de aard van de schuldvordering alsmede de verantwoording ervan, het bedrag ervan in hoofdsom, interesten en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven. Artikel 1675/9, § 3, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat indien een schuldeiser niet binnen de in § 2, eerste lid bedoelde termijn, aangifte van schuldvordering doet, de schuldbemiddelaar hem bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs ervan op de hoogte brengt dat hij over een laatste termijn van vijftien dagen beschikt, te rekenen van ontvangst van deze brief, om alsnog aangifte te doen. Indien de aangifte niet binnen die termijn wordt gedaan, wordt de betrokken schuldeiser geacht afstand te doen van zijn schuldvordering. In dat geval verliest de schuldeiser zijn recht om zich te verhalen op de schuldenaar en de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld. Hij herwint dit recht in geval van afwijzing of herroeping van de aanzuiveringsregeling.
  17. Uit deze bepalingen volgt dat een schuldeiser enkel geacht wordt afstand te doen van een schuldvordering indien hij door de schuldbemiddelaar bij aangetekend schrijven is aangemaand om binnen de in artikel 1675/9, § 3, Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn van deze schuldvordering aangifte te doen.
  18. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de schuldenaar in zijn verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling van 24 oktober 2017 een schuld van 3.393,59 euro uit een kredietopening, verbonden aan een kredietkaart, ten aanzien van de verweerster heeft vermeld; - de verweerster, na kennisname van de beschikking van toelaatbaarheid, op 9 november 2017 tijdig een aangifte van schuldvordering heeft ingediend voor de schuld die in het verzoekschrift was opgenomen; - de verweerster op 4 juli 2018 bij aangetekend schrijven een bijkomende aangifte van schuldvordering voor een bedrag van 632.564,63 euro deed, voortvloeiend uit een opgezegde kredietopening die op 17 december 2014 door BKCP nv werd toegestaan, wat een schuld is die niet in het verzoekschrift was opgenomen; - de aangifte van een gedeelte van verweersters schuldvordering niet inhoudt dat zij afstand heeft gedaan van het restant van haar schuldvordering.
  19. De appelrechter, die aldus impliciet maar zeker vaststelt dat de eiseres de verweerster niet heeft aangemaand om aangifte te doen van haar schuldvordering voortvloeiend uit een hypothecair krediet, verantwoordt zijn beslissing dat deze schuldvordering ook na de termijn bepaald in artikel 1675/9, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan worden opgenomen in de collectieve schuldenregeling, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  20. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet dat de sanctie van het verval van recht geen toepassing vindt omdat de verweerster tijdig een gedeeltelijke aangifte heeft gedaan, maar wel omdat de eiseres nagelaten heeft de verweerster tijdig aan te manen om een volledige aangifte van haar schuldvordering in te dienen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  21. De voorgestelde prejudiciële vraag berust op deze onjuiste lezing en moet bijgevolg niet worden gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 2.697,60 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 7 november 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221107.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221107.3N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240624.3F.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250217.3N.5 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250303.3N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.