← België

D. contra BELGISCHE STAAT, MIN JUSTITIE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221107.3N.6 Rolnummer: C.21.0243.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT, MIN JUSTITIE Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-01-12 Raadplegingen: 750 - laatst gezien 2026-06-17 16:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221107.3N.6 Fiche Het vormt voor een geïnterneerde persoon een buitensporige procedurele last om een vordering in schadevergoeding te moeten instellen vóór het einde van de periode waarin hij van zijn vrijheid is beroofd in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 5 EVRM; een dergelijke vereiste houdt geen rekening met de kwetsbaarheid van de geïnterneerde persoon als gevolg van zijn geestelijke gezondheidstoestand en zijn vrijheidsberoving, noch met het feit dat een geïnterneerde persoon gedurende zijn vrijheidsberoving in omstandigheden strijdig met artikel 5 EVRM - voornamelijk ernaar streeft om deze omstandigheden te doen evolueren door om een overplaatsing naar een aangepaste instelling of een invrijheidsstelling te verzoeken

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)EHRM, 6 april 2021, Venken e.a. t. België. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Toegang tot de rechter - Geïnterneerde - Kwetsbare positie - Vordering tot schadevergoeding - Tijdstip - Verjaring Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0243.N L.D., advocaat, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van P.V.D.V., eiser, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 27 mei 2021 (nr. G.21.0060.N), vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/65, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.753, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 november 2020. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 28 december 2021 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 10 oktober 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid 1. De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: door aan te voeren dat de appelrechter “voorbijgaat aan de kwetsbaarheid van de eiser als gevolg van zijn geestelijke gezondheidstoestand en vrijheidsberoving, en aan het feit dat hij ten tijde van zijn detentie in de gelaakte omstandigheden er vooral naar streefde verandering in die omstandigheden te brengen door overplaatsing naar een passende instelling of vrijlating te vorderen”, nodigt de eiser het Hof uit tot een beoordeling in feite waarvoor het niet bevoegd is. 2. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is niet te scheiden van het onderzoek van het middel. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid 3. Artikel 5.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: (
  1. e)in het geval van rechtmatige gevangenhouding van geesteszieken. Artikel 5.5 EVRM bepaalt dat eenieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een gevangenhouding in strijd met de bepalingen van dit artikel, recht op schadeloosstelling heeft. Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Artikel 13 EVRM bepaalt dat eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, recht heeft op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie. 4. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het recht op toegang tot een rechter, als aspect van het recht op een eerlijk proces vervat in artikel 6.1 EVRM, geen absoluut recht, maar kan onder meer een verjaringstermijn dit recht beperken voor zover de beperking de kern zelf van dit recht niet aantast, de beperking een legitiem doel nastreeft en er een redelijk verband van proportionaliteit bestaat tussen de gebruikte middelen en het nagestreefde doel (EHRM 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t. Zwitserland (r.o. 71); EHRM 25 februari 2014, Lonar t. Bosnië en Herzegovina (r.o. 37 en 39); EHRM 17 september 2013, Eim t. Turkije (r.o. 19); EHRM 7 juli 2009, Stagno t. België (r.o. 25); EHRM 12 januari 2006, Mizzi t. Malta (r.o. 82); EHRM 22 oktober 1996, Stubbings e.a. t. Verenigd Koninkrijk (r.o. 50)). 5. Indien voor een rechtscollege de schending van een grondrecht uit een bepaling van Europees of internationaal recht wordt opgeworpen, dient het rechtscollege, overeenkomstig artikel 26, § 4, eerste lid, Bijzonder Wet Grondwettelijk Hof, zelfs ambtshalve, na te gaan of titel II van de Grondwet een geheel of gedeeltelijk analoge bepaling bevat. In bevestigend geval dient het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet. Overeenkomstig het tweede lid, 3°, van voornoemde bepaling geldt, in afwijking van het eerste lid, de verplichting een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen niet wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van een internationaal rechtscollege blijkt dat de bepaling uit het Europees of internationaal recht klaarblijkelijk geschonden is. Het recht op toegang tot een rechter dat voldoet aan de vereisten voor een eerlijk proces uit de artikelen 6.1 en 13 EVRM wordt minstens gedeeltelijk op analoge wijze gewaarborgd door artikel 13 Grondwet. 6. In zijn arrest van 6 april 2021, Venken e.a. t. België, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat het voor een geïnterneerde persoon - een buitensporige procedurele last vormt om een vordering in schadevergoeding te moeten instellen vóór het einde van de periode waarin hij van zijn vrijheid is beroofd in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 5 EVRM. Een dergelijke vereiste houdt volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen rekening met de kwetsbaarheid van de geïnterneerde persoon als gevolg van zijn geestelijke gezondheidstoestand en zijn vrijheidsberoving, noch met het feit dat een geïnterneerde persoon gedurende zijn vrijheidsberoving in omstandigheden strijdig met artikel 5 EVRM - voornamelijk ernaar streeft om deze omstandigheden te doen evolueren door om een overplaatsing naar een aangepaste instelling of een invrijheidsstelling te verzoeken (r.o. 152). 7. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - V.D.V. bij exploot van 25 augustus 2017 dagvaarding heeft uitgebracht tegen de verweerder in betaling van een bedrag van 94.900 euro, meer de vergoedende en gerechtelijke interest, en teneinde te bevelen hem binnen de veertien dagen over te brengen naar een aan zijn noden aangepaste instelling onder de verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag opsluiting in de gevangenis; - V.D.V. op 30 december 2011 is geïnterneerd door de raadkamer te Dendermonde wegens feiten van opzettelijke slagen en verwondingen; - hij, behoudens vrijheid op proef en een verblijf te Beernem tussen 31 maart 2014 en 11 juni 2014, steeds in de gevangenis verbleef; - hij op 25 september 2017 op proef in vrijheid is gesteld; - hij aanklaagt dat de omstandigheden van zijn detentie voorheen niet aangepast waren aan zijn geestesziekte en er geen sprake was van een therapeutische tenlasteneming; - de vordering van V.D.V. een foutaansprakelijkheidsvordering is; - een tweeledige fout bestaat en bewezen voorkomt in hoofde van de verweerder, met name en gesteund op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het gebrek aan therapeutische tenlasteneming van de geïnterneerde persoon en, daaraan verbonden, zijn detentie in een psychiatrische afdeling van een gevangenis, die geen geschikte instelling is; - de verweerder een exceptie van verjaring opwerpt in zoverre de vordering van V.D.V. betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 25 augustus 2012; - artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing is; - de artikelen 5.5 en 6.1 EVRM aan het principe van de verjaring niet in de weg staan; - V.D.V. vooreerst als verweer tegen de verjaringsexceptie aanvoert dat zijn geestesstoornis en -toestand hem beletten kennis te nemen van de oorzaken van de vordering in schadevergoeding waarover hij beschikte; - waar artikel 2252 Oud Burgerlijk Wetboek een uitzondering op de verjaringsregels inhoudt, het strikt dient te worden geïnterpreteerd; - V.D.V. niet onbekwaam is verklaard; - het arrest 50/2018 van het Grondwettelijk Hof van 26 april 2018 gewezen op een prejudiciële vraag, die als volgt luidde: “Schendt artikel 2252 van het Burgerlijk Wetboek, in de versie voor de wijziging bij wet van 17 maart 2013, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de schorsing van de verjaring afhankelijk maakt van de onbekwaamverklaring zodat de verjaring wel loopt ten overstaan van een geïnterneerde opzichtens wie geen maatregel van onbekwaamverklaring zoals bedoeld in die bepaling werd genomen?”, geoordeeld heeft dat er geen schending bestond van de artikelen 10 en 11 Grondwet; - aldus in casu niet kan worden aangenomen dat de verjaring niet liep tegen V.D.V.; - het verschil in behandeling tussen een geïnterneerde en een onbekwaam verklaarde op dit punt volgens het Grondwettelijk Hof ligt in de aanhoudende aard van de geestestoestand, die maakt dat de onbekwaam verklaarde persoon niet meer in staat is zijn wil te kennen te geven, terwijl zulks voor de geïnterneerde, niet onbekwaam verklaarde persoon niet noodzakelijk het geval is; - waar het hof van beroep over onvoldoende concrete elementen en gegevens beschikt om te beoordelen of door zijn geestesstoornis V.D.V. aan de voorwaarden zou voldoen voor de onbekwaamverklaring en hij eveneens diezelfde bescherming zou behoeven, statuut dat met de internering geenszins tegenstrijdig is maar er niet uit voortvloeit, hic et nunc niet tot schorsing van de verjaring kan worden besloten zonder schending van de leer van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 april 2018; - de stukken van V.D.V. met betrekking tot de voorwaarden voor de onbekwaamverklaring niet de noodzakelijke concrete feitelijke elementen aanbrengen; - waar V.D.V. vordert dat voorafgaandelijk bevel zou worden gegeven tot voorlegging van enerzijds alle verslagen van de psychosociale diensten, de gevangenisdirecties en de psychiaters gedurende zijn detentie met het oog op de zittingen van de commissie tot bescherming van de maatschappij en anderzijds van zijn medisch dossier, niet wordt aangetoond dat deze stukken in enigerlei mate het bewijs zouden kunnen leveren van het feit dat in hoofde van V.D.V. de voorwaarden van de onbekwaamverklaring voldaan zijn; - krachtens artikel 2251 Oud Burgerlijk Wetboek, het hof van beroep niet gehouden is de werkelijke geestestoestand van V.D.V. te onderzoeken, gelet op de toepassing van artikel 2252 Oud Burgerlijk Wetboek; - uit wat voorafgaat volgt dat het voor V.D.V. niet onmogelijk was kennis te nemen van de schade en van de eventuele verzwaring ervan; - de fouten van de verweerder niet aan te merken zijn als een voortdurende fout, zodat de verjaringstermijn pas zou beginnen te lopen nadat het bestaan van de fouten ophoudt of na de laatste begane fout; - in principe de verjaringstermijn van dag tot dag loopt met elk nieuw feit waarvan de benadeelde kennis krijgt; - de fouten bestaande in het gebrek aan therapeutische tenlasteneming van de geïnterneerde persoon en, daaraan verbonden, zijn detentie in een psychiatrische afdeling van een gevangenis, die geen geschikte instelling is, niet aan te zien zijn als ondeelbaar verbonden feiten. 10. De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat de vordering van V.D.V. verjaard is voor zover zij betrekking heeft op de periode vóór 25 augustus 2012, legt hem een buitensporige procedurele last op, ontneemt hem zodoende een reële toegang tot de rechter evenals een effectief rechtsmiddel en schendt aldus de artikelen 5.1, e), 5.5, 6.1 en 13 EVRM. Het middel is gegrond. Overige grieven 11. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiser verjaard verklaart voor de periode vóór 25 augustus 2012 en het uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 7 november 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221107.3N.6 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221107.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.