id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 4 - 5 Ingeval van een hoger beroep tegen een vonnis dat het verzet van een beklaagde tegen een hem veroordelend verstekvonnis ongedaan heeft verklaard en bij afwezigheid van een hoger beroep van het openbaar ministerie tegen dit verstekvonnis volgt uit de relatieve werking van het verzet van de beklaagde dat het appelgerecht de door de eerste rechter met het verstekvonnis aan die beklaagde opgelegde bestraffing niet mag verzwaren
(1); om na te gaan of er een strafverzwaring is, moeten in de eerste plaats de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken; indien het appelgerecht een lagere hoofdstraf uitspreekt dan die welke werd opgelegd door de eerste rechter is er geen strafverzwaring en dit ongeacht de uitgesproken bijkomende straffen en hun maat
(2); die regel is ook van toepassing op de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank; de omstandigheid dat die bijkomende straf tot een vrijheidsbeneming aanleiding kan geven, laat niet toe anders te oordelen.
(1)Cass. 26 mei 2021, AR P.20.0771.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210526.2F.5, AC 2021, nr. 385; Cass. 19 février 2020, AR P.19.1247.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.2, AC 2020, nr. 144.
(2)Cass. 17 mei 2022, AR P.22.0154.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.3, AC 2022, nr. 352; Cass. 20 april 2022, AR P.21.1650.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220420.2F.1, AC 2022, nr. 273, met concl. van advocaat-generaal M. Nolet de Brauwere op datum in Pas.; Cass. 26 oktober 2021, AR P.21.0959.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.12, AC 2021, nr.
- Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0915.N S U, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest legt de bewijslast en het bewijsrisico bij de eiser; het arrest beoordeelt zijn schuld enkel op basis van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen en die van S.V., die tegen elkaar worden afgewogen; het verwijst naar de verklaring van de moeder van S.V. die evenwel geen getuige was van de feiten, maar het weigert de zoon van de eiser te horen op de rechtszitting, terwijl die door S.V. werd aangewezen als getuige.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser de appelrechters heeft gevraagd de zoon van de eiser als getuige te horen op de rechtszitting. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Het arrest grondt de schuld van de eiser niet louter op de verklaringen van de eiser en van S.V., maar het betrekt bij die beoordeling ook de onthullingsgeschiedenis van de feiten, de inhoud van een voicemail van de eiser, het verhoor van de moeder van S.V., het fotodossier met de verwondingen van S.V., het feit dat S.V. bescherming tegen de eiser heeft gezocht in een vluchthuis en het door forensisch psychiater Mesotten in een andere strafzaak met betrekking tot de eiser opgesteld deskundigenverslag. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het algemeen rechtsbeginsel houdende het vermoeden van onschuld, zoals dit ook wordt gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, verzet zich niet ertegen dat de rechter met het oog op de schuldbeoordeling de geloofwaardigheid toetst van niet gelijkluidende verklaringen van een beklaagde en van het slachtoffer op basis van de inhoud van die verklaringen. Die toets kan de rechter doen aan de hand van onder meer het precies karakter van de gezegdes, de interne coherentie, de afwezigheid van overdrijvingen en de overstemming met andere dossiergegevens. Op basis van die toetsing kan de rechter de verklaringen van een beklaagde als ongeloofwaardig en die van een slachtoffer als geloofwaardig beoordelen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de rechter de bewijslast bij de beklaagde legt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van de relatieve werking van eisers hoger beroep: niettegenstaande enkel de eiser hoger beroep heeft ingesteld, verzwaren de appelrechters de door de eerste rechter opgelegde straf door de eiser in plaats van tot 30 maanden hoofdgevangenisstraf te veroordelen tot 29 maanden hoofdgevangenisstraf, waaraan dan 10 jaar terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank wordt toegevoegd.
- Het beroepen vonnis beperkt zich ertoe eisers verzet tegen het verstekvonnis van 12 april 2021 ongedaan te verklaren. Tegen dit verstekvonnis werd geen hoger beroep ingesteld. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Ingeval van een hoger beroep tegen een vonnis dat het verzet van een beklaagde tegen een hem veroordelend verstekvonnis ongedaan heeft verklaard en bij afwezigheid van een hoger beroep van het openbaar ministerie tegen dit verstekvonnis volgt uit de relatieve werking van het verzet van de beklaagde dat het appelgerecht de door de eerste rechter met het verstekvonnis aan die beklaagde opgelegde bestraffing niet mag verzwaren. Om na te gaan of er een strafverzwaring is, moeten in de eerste plaats de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken. Indien het appelgerecht een lagere hoofdstraf uitspreekt dan die welke werd opgelegd door de eerste rechter is er geen strafverzwaring en dit ongeacht de uitgesproken bijkomende straffen en hun maat. Die regel is ook van toepassing op de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank. De omstandigheid dat die bijkomende straf tot een vrijheidsbeneming aanleiding kan geven, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het verstekvonnis van 12 april 2021 veroordeelt de eiser voor de bewezen verklaarde feiten tot een hoofdgevangenisstraf van 30 maanden, een geldboete van 100,00 euro, een vervangende gevangenisstraf van 30 dagen en een ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek vermelde rechten gedurende een termijn van vijf jaar. Het arrest veroordeelt de eiser tot een hoofdgevangenisstraf van 29 maanden, een ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek vermelde rechten voor een termijn van tien jaar en een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank gedurende een termijn van tien jaar. Aldus legt het aan de eiser geen zwaardere straf op en miskent het niet de relatieve werking van eisers verzet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251126.2F.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210526.2F.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220420.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div