id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de onpartijdigheid van de verbalisanten en over de volledigheid van de door hen aan het strafdossier toegevoegde bewijsgegevens; de vrees voor een partijdige bewijsgaring moet evenwel objectief zijn gerechtvaardigd; daarvoor is niet vereist dat het bewijs wordt geleverd dat de verbalisanten effectief partijdig hebben gehandeld of bewijsmateriaal à décharge hebben achtergehouden, maar de rechter moet wel vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval is geweest; het objectief vastgestelde feit dat een verbalisant contact heeft gezocht met een door een getuige aangewezen potentieel slachtoffer van de beklaagde en van die vruchteloos gebleken poging niet spontaan melding heeft gemaakt in een aan het strafdossier toegevoegd proces-verbaal, impliceert niet noodzakelijk dat er twijfel moet bestaan over de betrouwbaarheid van de bewijsgaring in zijn geheel
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 11 De rechter mag de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering slechts uitspreken wanneer hij omstandigheden vaststelt waardoor het instellen of voortzetten van de strafvordering met eerbiediging van het recht op een eerlijk proces niet meer mogelijk is; de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering valt zodoende niet samen met de onregelmatigheid van de handeling die is verricht tijdens de uitoefening van de strafvordering of die aan de oorsprong ervan ligt; de rechter moet het onherroepelijke karakter van de aantasting van het recht op een eerlijk proces, dat aldus is vereist als voorwaarde voor het niet ontvankelijk verklaren van de strafvordering, in concreto vaststellen; daarvoor moet hij de zaak in haar geheel onderzoeken en nagaan of er aan de door hem vastgestelde onregelmatigheid reeds is geremedieerd in een andere fase van het strafonderzoek, dan wel nog kan worden geremedieerd in de vonnisfase; het is daarbij in het bijzonder van belang dat de beklaagde globaal genomen de authenticiteit van het tegen hem aangevoerde bewijs integraal en met kennis van zaken heeft kunnen betwisten en zich zo nodig tegen het gebruik ervan heeft kunnen verzetten; de rechter beoordeelt aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak onaantastbaar de gevolgen die de door hem vastgestelde onregelmatigheid heeft gehad voor de wijze waarop de beklaagde zijn recht op een eerlijk proces al dan niet nog kan uitoefenen; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 28bis
, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 28bis, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.0825.N M J L E G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- M L, burgerlijke partij,
- T L, burgerlijke partij,
- K P, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 31 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 5 oktober 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 8 november 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eiser voor de telastleggingen A.1 en B.1, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 28bis, § 3, en 56 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het opsporingsonderzoek loyaal is gevoerd, verklaart de strafvordering ontvankelijk en veroordeelt de eiser wegens verkrachting en aanranding van de eerbaarheid van de verweerster 1; de verbalisanten hebben op eigen initiatief en met gebruik van een fictief Facebook-profiel een Messengerbericht gestuurd aan een persoon die zij aanzagen als een mogelijk slachtoffer van soortgelijke feiten gepleegd door de eiser; dat initiatief getuigt van een deloyale houding van de vervolgende instantie; bovendien hebben de verbalisanten het onbeantwoord gebleven bericht slechts vermeld in een proces-verbaal nadat de eiser het zelf had voorgelegd; ook andere stukken zijn niet aan het strafdossier gevoegd; het onderzoek is gebrekkig en vooringenomen lastens de eiser gevoerd; de eiser kan niet weten welke andere stukken à décharge het strafdossier eveneens niet bevat; de redenen van het arrest verantwoorden niet het oordeel dat het onderzoek loyaal is gevoerd; de onbetrouwbaarheid van de gegevens van het strafdossier tast het eerlijke karakter van het ganse proces aan, zodat de strafvordering niet ontvankelijk is.
- Artikel 56 Wetboek van Strafvordering, dat deel uitmaakt van de bepalingen over het gerechtelijk onderzoek, is vreemd aan de grief die betrekking heeft op de regelmatigheid van een opsporingsonderzoek.
- Het loyaliteitsbeginsel houdt in dat alle door het openbaar ministerie verzamelde gegevens bij het strafdossier worden gevoegd, inzonderheid de gegevens à décharge.
- De loyaliteit van het openbaar ministerie en de politieambtenaren wordt weliswaar vermoed, maar dat vermoeden is niet onweerlegbaar. De partijen kunnen aannemelijk maken dat het openbaar ministerie en de politie deloyaal zijn opgetreden en bewust voor de partijen relevante informatie niet hebben opgenomen of laten opnemen in een proces-verbaal. De partijen dienen ook aannemelijk te maken dat daardoor hun recht op een eerlijk proces is miskend.
- Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de onpartijdigheid van de verbalisanten en over de volledigheid van de door hen aan het strafdossier toegevoegde bewijsgegevens. De vrees voor een partijdige bewijsgaring moet evenwel objectief zijn gerechtvaardigd. Daarvoor is niet vereist dat het bewijs wordt geleverd dat de verbalisanten effectief partijdig hebben gehandeld of bewijsmateriaal à décharge hebben achtergehouden, maar de rechter moet wel vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval is geweest.
- Het objectief vastgestelde feit dat een verbalisant contact heeft gezocht met een door een getuige aangewezen potentieel slachtoffer van de beklaagde en van die vruchteloos gebleken poging niet spontaan melding heeft gemaakt in een aan het strafdossier toegevoegd proces-verbaal, impliceert niet noodzakelijk dat er twijfel moet bestaan over de betrouwbaarheid van de bewijsgaring in zijn geheel.
- De rechter mag bovendien de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering slechts uitspreken wanneer hij omstandigheden vaststelt waardoor het instellen of voortzetten van de strafvordering met eerbiediging van het recht op een eerlijk proces niet meer mogelijk is. De niet-ontvankelijkheid van de strafvordering valt zodoende niet samen met de onregelmatigheid van de handeling die is verricht tijdens de uitoefening van de strafvordering of die aan de oorsprong ervan ligt.
- De rechter moet het onherroepelijke karakter van de aantasting van het recht op een eerlijk proces, dat aldus is vereist als voorwaarde voor het niet ontvankelijk verklaren van de strafvordering, in concreto vaststellen. Daarvoor moet hij de zaak in haar geheel onderzoeken en nagaan of er aan de door hem vastgestelde onregelmatigheid reeds is geremedieerd in een andere fase van het strafonderzoek, dan wel nog kan worden geremedieerd in de vonnisfase. Het is daarbij in het bijzonder van belang dat de beklaagde globaal genomen de authenticiteit van het tegen hem aangevoerde bewijs integraal en met kennis van zaken heeft kunnen betwisten en zich zo nodig tegen het gebruik ervan heeft kunnen verzetten.
- De rechter beoordeelt aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak onaantastbaar de gevolgen die de door hem vastgestelde onregelmatigheid heeft gehad voor de wijze waarop de beklaagde zijn recht op een eerlijk proces al dan niet nog kan uitoefenen. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 7-10) vermeldt een geheel aan gegevens waaruit het afleidt dat noch het openbaar ministerie noch de verbalisanten het onderzoek lastens de eiser zouden hebben gevoerd op een vooringenomen wijze. Het verwijst daarvoor naar een onderzoek van het strafdossier in zijn geheel, waaruit blijkt dat: - het openbaar ministerie alle opsporingshandelingen heeft bevolen die het nuttig achtte in het kader van de waarheidsvinding, dit zowel à charge als à décharge; - de getuigen M.B. en M.K., die door de verdediging worden aanzien als getuigen à décharge, tijdens het onderzoek respectievelijk tweemaal en eenmaal werden verhoord; - de verbalisanten het gsm-toestel van de verweerster 1 hebben uitgelezen in het kader van eisers verweer dat de verweerster 1 en een andere klaagster J.R. samen onder één hoedje zouden spelen; - hoofdinspecteur M.R. in een proces-verbaal heeft vermeld dat de verklaringen van de eiser en J.R. lijnrecht tegenover mekaar staan en de verbalisanten geen materiële bewijzen hebben in het dossier, wat onmiskenbaar een visie à décharge is. Het arrest oordeelt verder dat: - aan het voorgaande geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat verbalisanten, nadat ze van getuige E.G. hadden vernomen dat Y.D. mogelijks ook een slachtoffer van de eiser zou kunnen zijn, naar Y.D. een Messengerbericht hebben gestuurd met gebruik van een fictief facebookaccount; - de verbalisanten in dat bericht onmiddellijk hun werkelijke identiteit hebben bekendgemaakt en hebben meegedeeld dat zij op deze wijze contact met Y.D. hebben opgenomen omdat zij haar telefoonnummer niet kenden; - Y.D. geen gevolg heeft verleend aan het verzoek van de verbalisanten om contact op te nemen, zodat zij nooit is verhoord geworden; - die loutere contactname in de gegeven omstandigheden geenszins impliceert dat er werd gehandeld met de bedoeling om nuttige informatie verborgen te houden of om te verhinderen dat de waarheid aan het licht zou komen, zodat het feit dat die contactname enkel in een proces-verbaal is vermeld na de voorlegging ervan door de verdediging niet wijst op deloyale bewijsvoering; - in de gegeven omstandigheden de betrouwbaarheid van de in de voorliggende processen-verbaal opgenomen informatie geenszins in het gedrang komt; - de verdediging van de eiser vrij de analyse van de gegevens van het strafdossier en de daaruit afgeleide gevolgen door de verbalisanten kan betwisten voor de vonnisrechter, die vrij en autonoom oordeelt en geenszins is gebonden door die gevolgtrekkingen; - het hof van beroep op verzoek van de verdediging is overgegaan tot het horen van diverse getuigen à charge en à décharge, die geen van allen door hoofdinspecteur M.R. zijn benaderd met een Messengerbericht; - bij de beoordeling of het recht van verdediging van de eiser al dan niet werd miskend, de strafprocedure in haar geheel dient te worden bekeken; - het oordeel over de gegrondheid van de strafvordering lastens de eiser berust op de gegevens van het strafdossier, de pleidooien, de neergelegde conclusies en stukken en het tegensprekelijk debat ter rechtszitting. De verdediging heeft in beide aanleggen haar recht van verdediging ten volle kunnen uitoefenen. Zij kon alle aantijgingen ongehinderd weerleggen en alle elementen aanvoeren die zij noodzakelijk achtte voor de verdediging van de eiser. Van een omkering van de bewijslast is geen sprake.
- Op grond van die vaststellingen konden de appelrechters wettig oordelen dat de strafvordering ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: volgens het arrest blijkt uit stuk 92 van het strafdossier (proces-verbaal nr. AN.L9.004541/19 van 6 december 2019) dat het gsm-toestel van de verweerster 1 werd uitgelezen; uit het vermelde stuk blijkt echter niet dat het toestel technisch werd uitgelezen, maar enkel dat de verbalisanten het manueel hebben nagekeken ter gelegenheid van het verhoor van de verweerster 1; aldus miskent het arrest de bewijskracht van stuk 92 van het strafdossier.
- Onder het uitlezen van een gsm-toestel kan ook worden begrepen het manueel en zonder technische hulpmiddelen nazien van de in het toestel opgeslagen historiek van telefoongesprekken en berichten door de verbalisanten ter gelegenheid van een verhoor. Aldus geeft het arrest van het vermelde stuk een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: volgens het arrest is geen van de door het hof van beroep gehoorde getuigen door hoofdinspecteur M.R. benaderd met een Messengerbericht; ter rechtszitting van 9 februari 2022 heeft getuige R.W. echter verklaard dat zij via Messenger is gecontacteerd door een rechercheur; zoals blijkt uit het proces-verbaal AN.L9.003817/2019 was dit hoofdinspecteur M.R.; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van 9 februari
- De getuige R.W. heeft ter rechtszitting van 9 februari 2022 niet verklaard dat zij door hoofdinspecteur M.R. is benaderd met een Messengerbericht. Aldus geeft het arrest van het proces-verbaal van die rechtszitting een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.10 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240625.2N.28 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.23 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250121.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div