← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 Rolnummer: P.22.0832.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-11-15 Raadplegingen: 1169 - laatst gezien 2026-06-16 02:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of (
  2. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
  3. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald en (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen; dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen

(1).
(1)Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 434; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0343.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4, AC 2022, nr. 416; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1, AC 2022, nr. 309; Cass. 15 februari 2022, AR P.21.1418.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13, AC 2022, nr. 124; Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0252.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2, AC 2021, nr. 443; Cass. 4 mei 2021, AR P.21.0081.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5, AC 2021, nr. 321; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, AC 2021, nr. 215, NC 2021, 348; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626, NC 2021, 49; Cass. 16 juni 2020, AR P.19.1263.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7, AC 2020, nr. 399; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 20 september 2017, AR P.17.0428.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4, AC 2017, nr. 488; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303, T. Strafr. 2017, 224; Cass. 14 maart 2017, AR P.16.1152.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6, AC 2017, nr. 181, T. Strafr. 2017, 210; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73, met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, NC 2017, 173, T. Strafr. 2017, 207; EHRM 14 juni 2016, Riahi t/België, §27, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET; EHRM 19 januari 2021, Keskin t/Nederland, www.echr.coe.int; Zie ook D. DE WOLF, “Het recht op horen van getuigen (à charge) na het arrest Al-Khawaja en Tahery van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”, in Strafrecht in breed spectrum, Die Keure, 2014, 25-58; O. MICHIELS en P. KNAEPEN, “Les déclarations non verifiées de témoins au regard du procès équitable”, J.T. 2016, 485-490; A. BLOCH, “Het horen van getuigen ter rechtszitting als voorwaarde voor een eerlijk proces”, T. Strafr. 2017, 286-307; C. VAN DE HEYNING, “Het getuigenverhoor na de zaak Riahi: het Hof van Cassatie zoekt zijn weg”, T. Strafr. 2017, 227-229; S. BERNEMAN, “De advocaat, de terrorist en de getuige à décharge: een explosief trio!”, T. Strafr. 2019, 286-287; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1400-1403; C. VAN DEN WYNGAERt, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022, 785-790. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde; wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen; het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend; de rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 434; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0343.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4, AC 2022, nr. 416; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1, AC 2022, nr. 309, noot OM; Cass. 15 februari 2022, AR P.21.1418.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13, AC 2022, nr. 124; Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0252.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2, AC 2021, nr. 443; Cass. 4 mei 2021, AR P.21.0081.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5, AC 2021, nr. 321; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, AC 2021, nr. 215, NC 2021, 348. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 9 Deze regeling over het horen van getuigen op de terechtzitting is niet van toepassing indien de tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaringen uitgaan van een medebeklaagde die samen met de beklaagde in dezelfde zaak, voor hetzelfde gerecht en in dezelfde aanleg wordt vervolgd voor dezelfde of samenhangende feiten
(1); bepalingen van nationaal en internationaal recht met rechtstreekse werking verzetten zich dan ertegen dat de medebeklaagde onder eed zou worden gehoord in de strafzaak waarin hijzelf wordt vervolgd; het recht op een eerlijk proces van de beklaagde waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt wordt in een dergelijk geval voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid die de beklaagde heeft om aan de rechter te vragen om op de rechtszitting met de medebeklaagde te worden geconfronteerd en daar alle vragen te stellen of opmerkingen te formuleren ter weerlegging, aanpassing of verduidelijking van de door de medebeklaagde tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaringen; de rechter kan bovendien rekening ermee houden dat de beklaagde de mogelijkheid heeft gehad om op een vroegere rechtszitting een dergelijke confrontatie te vragen en aan te gaan, maar dat niet heeft gedaan
(2); ; in dat geval is de afwezigheid van een confrontatie met de medebeklaagde en de mogelijkheid hem te bevragen een gevolg van het eigen stilzitten van de beklaagde.
(1)Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0783.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.12, AC 2020, nr. 632.
(2)Cass. 2 maart 2021, AR P.20.1174.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.7, AC 2021, nr. 149; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0071.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.10, AC 2022, nr. 433, RW 2022-23, 418. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0832.N I P V B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg. II W W, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, met zetel te 9090 Melle, Brusselse Steenweg 199, burgerlijke partij, verweerster. III R K, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. IV R M, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Walter Damen en Wim Goossens, advocaten bij de balie Antwerpen. V S C T V, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Ellen De Raedt, advocaat bij de balie Gent. VI M W, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Fréderic Thibaut, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster. VII 1. R M, reeds vermeld, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Walter Damen en Wim Goossens, advocaten bij de balie Antwerpen, 2. G L R C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen. VIII C A S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 maart 2022. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers I, IV-VII.1, VI, VII.2 en VIII voeren geen middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. In strafzaken kan een partij zich in de regel geen tweede maal tegen dezelfde beslissing in cassatie voorzien. De eiser IV-VII.1 tekent op 11 en op 12 april 2022 cassatieberoep aan tegen het arrest. Het op 12 april 2022 aangetekende cassatieberoep is niet ontvankelijk. 2. In zoverre de cassatieberoepen ook gericht zijn tegen de gedeeltelijke vrijspraak van de eisers I, II, IV, V, VI en VII.2, zijn ze bij gebrek aan belang evenmin ontvankelijk. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser VI zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster VI. In zoverre zijn cassatieberoep ook gericht is tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster VI, is het evenmin ontvankelijk. Middelen van de eiser II Eerste middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest wijst onterecht het verzoek van de eiser II tot het horen van getuigen op de rechtszitting af; het arrest stoelt deze afwijzing op de reden dat die getuigenverklaringen niet de enige of doorslaggevende elementen zijn waarop de schuldigverklaring van de eiser II wordt gegrond, terwijl het arrest voor de beoordeling van zijn schuld wel verwijst naar deze verklaringen; de verklaringen van medebeklaagden M. en S. zijn overduidelijk doorslaggevende elementen; de omstandigheid dat de eiser II alle nodige argumentatie en stukken heeft kunnen aanvoeren, belet niet dat de betrokken onregelmatigheid zijn recht op een eerlijk proces miskent. 5. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
  1. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
  2. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 6. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen. 7. Het staat aan de rechter om rekening houdende met het voormelde te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 8. Het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen de vermelde criteria juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing. 9. Deze regeling is evenwel niet van toepassing indien de tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaringen uitgaan van een medebeklaagde die samen met de beklaagde in dezelfde zaak, voor hetzelfde gerecht en in dezelfde aanleg wordt vervolgd voor dezelfde of samenhangende feiten. Bepalingen van nationaal en internationaal recht met rechtstreekse werking verzetten zich dan ertegen dat de medebeklaagde onder eed zou worden gehoord in de strafzaak waarin hijzelf wordt vervolgd. 10. Het recht op een eerlijk proces van de beklaagde waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt wordt in een dergelijk geval voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid die de beklaagde heeft om aan de rechter te vragen om op de rechtszitting met de medebeklaagde te worden geconfronteerd en daar alle vragen te stellen of opmerkingen te formuleren ter weerlegging, aanpassing of verduidelijking van de door de medebeklaagde tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaringen. 11. De rechter kan bovendien rekening ermee houden dat de beklaagde de mogelijkheid heeft gehad om op een vroegere rechtszitting een dergelijke confrontatie te vragen en aan te gaan, maar dat niet heeft gedaan. In dat geval is de afwezigheid van een confrontatie met de medebeklaagde en de mogelijkheid hem te bevragen een gevolg van het eigen stilzitten van de beklaagde. 12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 13. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 januari 2022 blijkt dat de medebeklaagde M. persoonlijk aanwezig was en door het hof van beroep werd ondervraagd. Er blijkt uit dit proces-verbaal niet dat op deze rechtszitting de raadsman van de eiser II heeft gevraagd om de medebeklaagde M. te kunnen ondervragen. Het arrest (p. 54) stelt bovendien vast dat de eiser II zelf niet persoonlijk aanwezig was op de rechtszitting en dat zijn raadsman tijdens het pleidooi heeft laten verstaan dat de eiser II niet de intentie had om zich persoonlijk te verplaatsen naar het hof van beroep. Aldus is de beslissing om niet in gaan op het verzoek van de eiser II tot het horen van de medebeklaagde M. naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 14. Voor het overige is het middel betreffende het niet-horen van de medebeklaagde M. als getuige gericht tegen overtollige redenen, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. 15. Indien het verzoek tot het horen van een getuige betrekking heeft op een medebeklaagde die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen heeft afgelegd voor een beklaagde, maar die medebeklaagde heeft berust in de beslissing van de eerste rechter en dus niet langer partij is in de appelprocedure, kan de gewezen medebeklaagde in de appelprocedure wel worden gehoord als een getuige onder eed. In een dergelijk geval moet de vraag van een beklaagde om de gewezen medebeklaagde als getuige te horen, worden getoetst aan de voormelde criteria. 16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat S., waarvan de eiser vraagt dat hij zou worden gehoord als getuige, in eerste aanleg samen met de eiser werd vervolgd, maar dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het op tegenspraak gewezen vonnis dat hem heeft veroordeeld. 17. Het arrest (p. 49-51) vermeldt de omstandigheden op grond waarvan het oordeelt dat er feitelijke gronden zijn die het niet-horen van S. als getuige verantwoorden en het vermeldt daarbij concrete elementen waaruit blijkt dat er een reële angst is voor geweld, bedreigingen of intimidatie, waarbij het onder meer verwijst naar de verklaring van S. zelf, die verklaarde bang te zijn voor zijn leven, naar de intrekking van de belastende verklaring voor de eerste rechter en naar de kwetsbaarheid van de betrokkene. 18. Het arrest (p. 52) oordeelt verder dat de verklaringen van S. niet dermate belangrijk zijn dat het aannemelijk is dat zij het resultaat van de zaak hebben bepaald. Het is niet omdat bij de schuldbeoordeling van de eiser II het arrest bij bepaalde overwegingen verwijst naar die verklaringen dat die noodzakelijk doorslaggevend zijn. Het arrest oordeelt bovendien dat de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de volledigheid van de verklaringen van de personen die de eiser II wenst te horen door de speurders ook werden afgetoetst aan de ter beschikking staande bewijselementen, waarbij kon worden vastgesteld dat (delen van) de verklaringen werden ondersteund of bevestiging vonden in onafhankelijk van elkaar afgelegde verklaringen van derden (andere verdachten of getuigen) en of in objectieve bewijselementen. 19. Het arrest (p. 52-54) vermeldt compenserende factoren voor het niet-horen van de getuigen. Het wijst daarvoor naar het bestaan van voldoende bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen ondersteunt of bevestigt, het horen van de beklaagden in persoon door de eerste rechter, het uitgebreid horen van de in persoon aanwezige beklaagden door het hof van beroep, waarbij onduidelijkheden en punten van discussie te berde werden gebracht en het gegeven dat de partijen daarover standpunt konden innemen. Er was volgens het arrest voldoende mogelijkheid om tegenspraak te voeren betreffende de verklaringen van de personen van wie het verhoor werd gevraagd, waarbij ook wordt aangestipt dat het hof van beroep bij de bewijswaardering de verklaring van S., gelet op de herroeping van die verklaring voor de eerste rechter, voor wat betreft de schuld van de eiser II met de nodige omzichtigheid zou benaderen. 20. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het niet-horen van de medebeklaagde S. die volgens de eiser II diende te worden gehoord op de rechtszitting zijn recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, niet miskent. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de eventueel belastende verklaringen, die in de loop van het vooronderzoek door de oorspronkelijke medebeklaagde S. en de medebeklaagde M. werden afgelegd, zeker niet de enige of doorslaggevende elementen zijn waarop de schuldigverklaring van de eiser II is gesteund; het arrest stoelt anderzijds de schuldigverklaring van de eiser II enkel en alleen op de verklaringen van die personen; het arrest bestempelt de verklaring van de eiser II over de ontmoeting met de medebeklaagde M. en de oorspronkelijke medebeklaagde S. als ongeloofwaardig, ondanks de bevestigende verklaring van de medebeklaagde M. 22. Het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser II niet enkel op de verklaringen van medebeklaagde M. en de oorspronkelijke medebeklaagde S. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 23. Het is niet tegenstrijdig voor de schuldigverklaring van de eiser II ook te verwijzen naar de verklaringen van de medebeklaagde M. en de oorspronkelijke medebeklaagde S. en te oordelen dat deze verklaringen niet de enige of doorslaggevende bewijselementen zijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 24. Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van de bewijswaarde van de aan tegenspraak onderwerpen bewijselementen door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van de feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet ontvankelijk. Middelen van de eiser III Eerste middel 25. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de redenen dat geen enkel argument van de eiser III in zijn appelconclusie van aard is om het hof van beroep anders te doen oordelen of pertinent is en derhalve geen verdere beantwoording behoeft, beantwoordt het arrest deze appelconclusie niet. 26. Het middel dat niet preciseert welk door de eiser III in zijn appelconclusie aangevoerd verweer het arrest onbeantwoord laat, is onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel 27. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert de aan de eiser III opgelegde geldboete met de enkele reden dat de geldboete tot doel heeft de eiser III te raken in zijn vermogen en hem moet doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn; de aan de andere beklaagden opgelegde geldboete wordt met dezelfde redenen gemotiveerd; deze motivering is niet nauwkeurig noch geïndividualiseerd. 28. Volgens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat krachtens artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, moet de rechter voor de straffen of maatregelen die de wet aan zijn vrije beoordeling overlaat, nauwkeurig maar op een wijze die beknopt mag zijn de redenen vermelden die de keuze voor die straffen en maatregelen en de maat ervan rechtvaardigt. Geen wetsbepaling schrijft evenwel voor dat elke straf met telkens een afzonderlijke motivering moet worden verantwoord, voor zover de motivering de straftoemeting in haar geheel verantwoordt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 29. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven. Met het geheel van de redenen die het arrest (p. 141-142) bevat ter verantwoording van de aan de eiser III opgelegde bestraffing, vermeldt het op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze ook de keuze voor het opleggen van een geldboete en het bedrag ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser V Eerste middel 30. Het middel voert schending van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest wijst, enerzijds, het verzoek van de eiser V om over te gaan tot een confrontatieverhoor met medebeklaagden S., K. en Sc. af door te verwijzen naar de vrees voor de fysieke integriteit van de overige medebeklaagden ingeval van het noemen van plaatsen en namen, maar oordeelt, anderzijds, dat deze drie beklaagden de rol van de eiser hebben benadrukt om hun eigen rol af te zwakken; uit deze vaststelling kunnen de appelrechters niet wettig afleiden dat er sprake is van legitieme vrees van de getuigen voor hun fysieke integriteit gezien zij zonder enige schroom de rol van de eiser V hebben aangedikt om hun aandeel af te zwakken (eerste onderdeel); door deze tegenstrijdigheid is het arrest niet regelmatig gemotiveerd (tweede onderdeel). 31. Het is niet tegenstrijdig, eensdeels, het verzoek van de eiser V om over te gaan tot een confrontatieverhoor met medebeklaagden S., K. en Sc. af te wijzen door te verwijzen naar de vrees voor hun fysieke integriteit, en, anderdeels, te oordelen dat deze drie beklaagden de rol van de eiser V hebben benadrukt om hun eigen rol af te zwakken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 32. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Tweede middel 33. Het middel voert schending van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest steunt de veroordeling van de eiser V in hoofdzaak op de observaties en de verklaringen van de andere beklaagden; de door hem gevraagde onderzoeksmaatregelen aangaande de door de politie verrichte observaties werden geweigerd, zodat ze geen enkele keer aan tegenspraak werden onderworpen; de gevraagde onderzoeken waren nochtans noodzakelijk om te kunnen verklaren dat de aanwezigheid van de eiser V onder de betreffende zendmast niet was gelinkt aan het drugslabo, maar wel aan zijn bezoeken aan de winkel Legerstock; de eiser V is pas later dan de andere beklaagden in het onderzoek betrokken, zodat het onderzoek reeds volledig gevoerd was en gevormd door de andere beklaagden; door niet tot een confrontatieverhoor over te gaan zijn de verklaringen van de medebeklaagden niet aan tegenspraak onderworpen geweest. 34. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk. 35. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter met betrekking tot bepaalde bewijselementen het door een beklaagde gevraagde bijkomend onderzoek afwijst, volgt niet dat deze beklaagde daardoor niet in de mogelijkheid is om over die bewijselementen tegenspraak te voeren. In zoverre faalt het middel naar recht. 36. Met het geheel van redenen die het arrest (p. 48- 57) vermeldt, verantwoordt het naar recht de afwijzing van het verzoek van de eiser V tot bijkomende onderzoeken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 37. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 39. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen van de eisers I, II, V, VI en VIII tegen de beslissingen op de strafvordering, verkrijgen deze beslissingen kracht van gewijsde. De cassatieberoepen ingesteld tegen de beslissingen waarbij hun onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, hebben derhalve geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 1013,71 euro, waarvan de eisers I, II, III, IV en V elk 126,71 euro zijn verschuldigd en de eisers VI, VII en VIII elk 126,72 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.12 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.