← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 De rechter oordeelt onaantastbaar wat het feitelijke voorwerp is van de telastlegging zoals bedoeld in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, alsook onder welke misdrijfomschrijving de erin bedoelde feiten moeten worden gekwalificeerd; het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde gegevens geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiches 8 - 9 Het vonnisgerecht moet aan de feiten, voorwerp van de telastlegging, de juiste misdrijfomschrijving geven; wanneer die feiten slechts onder één misdrijfkwalificatie worden vervolgd maar er meerdere misdrijfkwalificaties op van toepassing zijn, kan het vonnisgerecht zonder aanvullende aanhangigmaking de beklaagde niet veroordelen voor meerdere misdrijven en is het ertoe gehouden de feiten te kwalificeren volgens de misdrijfomschrijving waarop de zwaarste straf wordt gesteld; de omstandigheid dat een bewezenverklaarde telastlegging door het vonnisgerecht wordt geherkwalificeerd, heeft in dat geval dan ook niet tot gevolg dat het geherkwalificeerde misdrijf onverenigbaar is met de constitutieve bestanddelen van de oorspronkelijke kwalificatie
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 10 De omstandigheid dat de exploitant van een inrichting voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen op een bepaald terrein over een vergunning beschikt om deze onder bepaalde voorwaarden te exploiteren, heeft niet tot gevolg dat hij zich met betrekking tot dit terrein niet schuldig kan maken aan het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf; het bestaan van een dergelijke vergunning is dan ook niet noodzakelijk strijdig met de bewezenverklaring van dat misdrijf
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.3, § 1, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Fiche 11 Om regelmatig gemotiveerd te zijn in de zin van artikel 149 Grondwet, dient de beslissing waarbij een misdrijf bewezen wordt verklaard onder meer alle constitutieve bestanddelen van het bewezenverklaarde misdrijf te vermelden; bij afwezigheid van conclusies is de beslissing in dit verband evenwel wettig gemotiveerd wanneer de beklaagde schuldig wordt verklaard aan het in de bewoordingen van de strafwet omschreven en voldoende gepreciseerd strafbare feit
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 12 - 13 Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt in dat de beslissing waarbij een misdrijf bewezen wordt verklaard tenminste melding maakt, op een wijze die beknopt mag zijn, van de voornaamste redenen die de rechter van de schuld van de beklaagde hebben overtuigd en hem ertoe hebben gebracht de telastlegging bewezen te verklaren, en dit ongeacht of de beklaagde een conclusie heeft ingediend; de vermelding van die voornaamste redenen hoeft evenwel niet noodzakelijk betrekking te hebben op alle bestanddelen van het misdrijf
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.0812.N J E V M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De partij die cassatieberoep instelt, moet het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering.”
  3. Met deze bepaling heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing over de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen.
  4. De rechter kan op grond van artikel 16.6.4 DABM degene die afvalstoffen achterlaat in strijd met de toepasselijke decretale bepalingen veroordelen tot het inzamelen, vervoeren en verwerken ervan binnen een door hem vastgestelde termijn. Bij toepassing van artikel 16.6.6 DABM kan de rechter, naast de straf, ofwel ambtshalve, ofwel op vordering van het openbaar ministerie, ofwel op vordering van de gemachtigde ambtenaar, ofwel op vordering van de burgerlijke partij, bevelen om de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen, het strijdige gebruik te staken of aanpassingswerken uit te voeren binnen de termijn die hij bepaalt.
  5. De maatregelen die de strafrechter beveelt op grond van de artikelen 16.6.4 en 16.6.6 DABM zijn maatregelen van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering vallen. Daaruit volgt dat hij tegen wie een dergelijke maatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing moet laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat de op grond van de artikelen 16.6.4 en 16.6.6 DABM genomen beslissingen heeft gewezen.
  7. In zoverre eisers cassatieberoep betrekking heeft op de bij toepassing van de artikelen 16.6.4 en 16.6.6 DABM bevolen maatregelen, is het niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 5.4.9, § 1, 16.6.1, § 1, eerste lid, en 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM: het oordeel dat de telastlegging C moet worden geherkwalificeerd naar het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf zonder dat de feiten van de telastlegging hierdoor worden gewijzigd, is niet naar recht verantwoord; de eiser werd onder de telastlegging C vervolgd wegens miskenning van de algemene, sectorale of bijzondere exploitatie- en vergunningsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 5.4.9, § 1, DABM en strafbaar gesteld door artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM, meer bepaald wegens het opslaan van diverse afvalstoffen op een niet-vloeistofdichte vloer in strijd met artikel 5.2.2.4.2, § 1 en § 2, Vlarem II; het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf betreft een andere feitelijke gedraging, zodat de appelrechters hun saisine overschrijden.
  9. In correctionele zaken en politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhangig maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen.
  10. De rechter is niet gebonden door de kwalificatie van de feiten in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking maar moet aan de feiten de juiste omschrijving geven. Om tot heromschrijving van de telastlegging te kunnen overgaan, is niet vereist dat de bestanddelen van het oorspronkelijk omschreven misdrijf en van het heromschreven misdrijf dezelfde zijn. Vereist is dat het recht van verdediging wordt geëerbiedigd met betrekking tot de nieuwe misdrijfomschrijving en dat die laatste hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt.
  11. De rechter oordeelt onaantastbaar wat het feitelijke voorwerp is van de telastlegging zoals bedoeld in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, alsook onder welke misdrijfomschrijving de erin bedoelde feiten moeten worden gekwalificeerd. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde gegevens geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  12. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Het arrest oordeelt dat: - de eiser onder de telastlegging C werd vervolgd wegens miskenning van de algemene, sectorale of bijzondere exploitatie- en vergunningsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 5.4.9, § 1, DABM en strafbaar gesteld door artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM, meer bepaald wegens het op 8 mei 2019 opslaan van diverse afvalstoffen op een niet-vloeistofdichte vloer in strijd met artikel 5.2.2.4.2, § 1 en § 2, Vlarem II; - de telastlegging C moet worden heromschreven als het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf, namelijk door op 8 mei 2019 bij inbreuk op de arti¬kelen 12, § 1, en 25, § 1, 1° en 2°, Materialendecreet opzettelijk, in strijd met de milieu¬¬voorschriften, de in de oorspronkelijke telastlegging C bedoelde afvalstoffen te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht, namelijk afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen te hebben achtergelaten en beheerd, strafbaar gesteld door artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM; - de aldus geherkwalificeerde telastlegging C de aanhangig gemaakte feiten onverlet laat en daar geen feiten aan toevoegt.
  14. Met de hiervoor aangehaalde redenen kan het arrest wettig oordelen dat de volgens artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM geherkwalificeerde telastlegging C dezelfde feiten betreft als de in de oorspronkelijke telastlegging C bedoelde feiten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het oordeel dat de telastlegging C moet worden geherkwalificeerd naar het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf, berust op tegenstrijdige redenen; immers nemen de appelrechters ingevolge die herkwalificatie eensdeels aan dat de oorspronkelijke kwalificatie, namelijk de opslag van afvalstoffen op een niet-vloeistofdichte bodem, niet correct is, terwijl ze anderdeels oordelen, mede door de overname van de redenen van het beroepen vonnis, dat de opslag van afvalstoffen op een niet-vloeistofdichte bodem bewezen is.
  16. Het vonnisgerecht moet aan de feiten, voorwerp van de telastlegging, de juiste misdrijfomschrijving geven. Wanneer die feiten slechts onder één misdrijfkwalificatie worden vervolgd maar er meerdere misdrijfkwalificaties op van toepassing zijn, kan het vonnisgerecht zonder aanvullende aanhangigmaking de beklaagde niet veroordelen voor meerdere misdrijven en is het ertoe gehouden de feiten te kwalificeren volgens de misdrijfomschrijving waarop de zwaarste straf wordt gesteld. De omstandigheid dat een bewezenverklaarde telastlegging door het vonnisgerecht wordt geherkwalificeerd, heeft in dat geval dan ook niet tot gevolg dat het geherkwalificeerde misdrijf onverenigbaar is met de constitutieve bestanddelen van de oorspronkelijke kwalificatie.
  17. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  18. Het arrest oordeelt niet dat de oorspronkelijke kwalificatie niet juist of niet passend zou zijn. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  19. De bewezenverklaring van het door artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bestrafte misdrijf dat erin bestaat om opzettelijk in strijd met de artikelen 12, § 1, en 25, § 1, 1° en 2°, Materialendecreet welbepaalde afvalstoffen te hebben achtergelaten en beheerd, is niet tegenstrijdig met de vaststelling dat die afvalstoffen in strijd met artikel 5.2.2.4.2, § 1 en § 2, Vlarem II werden opgeslagen op een niet-vloeistofdichte vloer. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Tweede middel
  20. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 16.3.25 DABM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het oordeel dat de vaststellingen van de bevoegde opsporingsambtenaren bijzondere bewijswaarde hebben, is niet naar recht verantwoord; door te oordelen dat de schattingen steunen op visuele waarnemingen, miskennen de appelrechters de bewijskracht en de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal houdende de vaststellingen van 8 mei 2019; de bijzondere bewijswaarde geldt enkel voor de zintuiglijke, materiële vaststellingen van de opsporingsambtenaren en niet voor deducties; aangezien de eiser in zijn appelconclusie had aangevoerd dat er op grond van louter visuele waarnemingen geen vaststellingen kunnen worden verricht betreffende het overschrijden van de vergunde hoeveelheden, dienden de appelrechters uitdrukkelijk te motiveren waarom en in welke mate de overschrijding van de vergunde hoeveelheden afvalstoffen bewezen is.
  21. Het middel bekritiseert louter de bewezenverklaring van de overschrijding van de vergunde hoeveelheden afvalstoffen, die louter het voorwerp uitmaakt van de telastlegging A.
  22. Het arrest verklaart de eiser evenwel niet enkel schuldig aan de telastlegging A.1, maar ook aan de telastleggingen A.2, A.3, B.1, B.2, B.3, B.4 en de geherkwalificeerde telastlegging C en veroordeelt hem hiervoor, na te hebben vastgesteld dat de bewezen feiten de uiting zijn van hezelfde misdadig opzet als dat waarmee de misdrijven werden gepleegd waarvoor de eiser bij arrest van 19 februari 2021 werd gestraft, tot een bijkomende gevangenisstraf van drie jaar. Die straf is wettig verantwoord door de bewezenverklaring van de telastlegging C, die geen betrekking heeft op het overschrijden van de vergunde hoeveelheden afvalstoffen. Uit het arrest blijkt niet dat de straffen mede werden beïnvloed door de bewezenverklaring van de telastlegging A.
  23. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM en de artikelen 12, § 1, en 25, § 1, 1° en 2°, Materialendecreet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: de bewezenverklaring van de overeenkomstig artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM geherkwalificeerde telastlegging C is niet gemotiveerd; mede door de overname van de redenen van het beroepen vonnis stellen de appelrechters louter vast dat de milieuvoorwaarden niet werden nageleefd, zonder de redenen te vermelden waarom de geherkwalificeerde telastlegging C bewezen is en zonder de constitutieve bestanddelen van die geherkwalificeerde telastlegging vast te stellen, waaronder het moreel element, met name het opzettelijk karakter van het misdrijf; het arrest stelt ook niet vast in strijd met welke voorschriften van het Materialendecreet de eiser zou hebben gehandeld en kon ook niet verwijzen naar artikel 25, § 1, 1° en 2°, Materialendecreet, dat op de eiser niet van toepassing is; zo ook stelt het arrest niet pertinent vast dat er afvalstoffen werden aangevoerd, wat impliceert dat deze niet in het kader van de onderneming zijn ontstaan en artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM niet van toepassing is; het arrest situeert de bewezenverklaarde telastlegging C bovendien slechts op 8 mei 2019, terwijl de eiser op dat ogenblik, ingevolge het opschortend beroep bij de deputatie, nog over een vergunning beschikte, zodat er op die datum geen sprake kan zijn van het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf en het arrest ook tegenstrijdig is gemotiveerd.
  25. De omstandigheid dat de exploitant van een inrichting voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen op een bepaald terrein over een vergunning beschikt om deze onder bepaalde voorwaarden te exploiteren, heeft niet tot gevolg dat hij zich met betrekking tot dit terrein niet schuldig kan maken aan het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf. Het bestaan van een dergelijke vergunning is dan ook niet noodzakelijk strijdig met de bewezenverklaring van dat misdrijf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  26. Om regelmatig gemotiveerd te zijn in de zin van artikel 149 Grondwet, dient de beslissing waarbij een misdrijf bewezen wordt verklaard onder meer alle constitutieve bestanddelen van het bewezenverklaarde misdrijf te vermelden. Bij afwezigheid van conclusies is de beslissing in dit verband evenwel wettig gemotiveerd wanneer de beklaagde schuldig wordt verklaard aan het in de bewoordingen van de strafwet omschreven en voldoende gepreciseerd strafbare feit.
  27. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt in dat de beslissing waarbij een misdrijf bewezen wordt verklaard tenminste melding maakt, op een wijze die beknopt mag zijn, van de voornaamste redenen die de rechter van de schuld van de beklaagde hebben overtuigd en hem ertoe hebben gebracht de telastlegging bewezen te verklaren, en dit ongeacht of de beklaagde een conclusie heeft ingediend. De vermelding van die voornaamste redenen hoeft evenwel niet noodzakelijk betrekking te hebben op alle bestanddelen van het misdrijf.
  28. Het arrest: - heromschrijft de telastlegging C als het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf, namelijk door op 8 mei 2019 bij inbreuk op de arti¬kelen 12, § 1, en 25, § 1, 1° en 2°, Materialendecreet opzettelijk, in strijd met de milieu¬¬voorschriften, de in de oorspronkelijke telastlegging C bedoelde afvalstoffen te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht, namelijk afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen te hebben achtergelaten en beheerd, strafbaar gesteld door artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM; - verklaart de aldus heromschreven telastlegging bewezen; - oordeelt dat er op het terrein een uitgestrekte illegale stortplaats werd geëxploiteerd, waarbij de foto’s van de vaststellingen op 8 mei 2019 een zeer duidelijk beeld geven van enorme ongestructureerde afvalbergen op het terrein en her en der achtergelaten afvalstoffen, zoals verfpotten, afgedankt elektrisch materiaal, houtafval, groenafval en oude spoorbielzen.
  29. Met de aangehaalde redenen stellen de appelrechters de constitutieve bestanddelen van de geherkwalificeerde telastlegging C vast, met inbegrip van het moreel element ervan, en vermelden ze tevens de voornaamste redenen die hen van de schuld van de beklaagde hebben overtuigd en hen ertoe hebben gebracht deze telastlegging bewezen te verklaren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  30. Uit de bewezenverklaring van de geherkwalificeerde telastlegging C blijkt dat het arrest de eiser schuldig acht aan het opzettelijk achterlaten en beheren van welbepaalde afvalstoffen in strijd met de arti¬kelen 12, § 1, en 25, § 1, 1° en 2°, Materialendecreet. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest niet vaststelt in strijd met welke voorschriften van het Materialendecreet de eiser zou hebben gehandeld, mist het feitelijke grondslag.
  31. In zoverre het middel aanvoert dat artikel 25, § 1, 1° en 2°, Materialendecreet niet van toepassing is op de eiser, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk.
  32. Het arrest betrekt de vaststellingen van de aanvoer van afvalstoffen niet op de geherkwalificeerde telastlegging C. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  33. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.