← België

K. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.21 Rolnummer: P.22.1349.N Zaak: K. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2022-11-15 Raadplegingen: 885 - laatst gezien 2026-06-19 03:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het behoort tot de taak van een griffier als openbaar ambtenaar de ontvangst vast te stellen van de bij een rechtscollege ingediende verzoeken; die vaststelling heeft ook wat de betreft de datum van ontvangst op de griffie authentieke bewijswaarde; daaruit volgt dat de rechter, behoudens een valsheidsbetichting of een materiële verschrijving, de door de griffier vermelde datum als juist moet aannemen

(1), die regel, die de rechtszekerheid dient, is zowel in burgerlijke als in strafzaken en zowel in gewone als in spoedeisende zaken van toepassing; de aanvoering van de vreemdeling en zijn verwijzing naar door Bpost verstrekte informatie, waaruit evenwel niet blijkt aan wie precies het kwestieuze verzoekschrift werd overhandigd, kunnen niet worden beschouwd als een valsheidsbetichting of een voorgehouden materiële verschrijving.
(1)Cass. 10 januari 2008, AR C.07.0149.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080110.3, AC 2008, nr. 19, RW 2009-10, 1051; Cass. 27 november 1997, AR C.97.0213.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971127.10, AC 1997, nr.
  1. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 72 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: GRIFFIE. GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 72 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1349.N J M K, vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Yassine Challouk, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2020 Antwerpen, Abdijstraat 234, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, voor wie optreedt de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel
  3. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 7, 71 en 72 Vreemdelingenwet: het arrest beantwoordt niet eisers aanvoering dat de raadkamer niet tijdig uitspraak heeft gedaan en de eiser bijgevolg in vrijheid diende te worden gesteld; eisers verzoekschrift werd zoals blijkt uit de bijgebrachte stukken door Bpost op 15 september 2022 aangeboden op de griffie van de raadkamer te Turnhout, terwijl de raadkamer slechts op 23 september 2022, dit is niet binnen de termijn van vijf werkdagen na het indienen van het verzoek om invrijheidsstelling, uitspraak heeft gedaan; eisers verzoekschrift werd slechts op 16 september 2022 ingeschreven. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 7, 71 en 72 Vreemdelingenwet, artikel 2, 9°, van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten en de artikelen 2, 11° en 9 van het koninklijk besluit van 14 maart 2022 betreffende de postdiensten: het arrest beantwoordt niet eisers aanvoering dat de raadkamer niet tijdig uitspraak heeft gedaan en de eiser bijgevolg in vrijheid diende te worden gesteld; eisers verzoekschrift werd zoals blijkt uit de bijgebrachte stukken door Bpost op 15 september 2022 aangeboden op de griffie van de raadkamer te Turnhout, terwijl de raadkamer slechts op 23 september 2022, dit is niet binnen de termijn van vijf werkdagen na het indienen van het verzoek om invrijheidsstelling, uitspraak heeft gedaan; eisers verzoekschrift werd slechts op 16 september 2022 ingeschreven; de eiser en zijn raadsman hoeven niet te twijfelen aan de gegevens van Bpost die zijn verstrekt overeenkomstig de postregelgeving; het arrest antwoordt evenmin op eisers aanvoering dat de verweerder niet kon argumenteren dat op het ogenblik van de verlengingsbeslissing de verwijdering van de eiser binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk zou zijn; op dat ogenblik bestond er nog geen enkel vooruitzicht dat een repatriëring binnen afzienbare tijd mogelijk was.
  4. De rechter moet niet antwoorden op ingediende stukken, maar enkel op een regelmatig voor de rechter genomen conclusie. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  5. Het arrest neemt de redenen van de beroepen beschikking over, die met opgave van redenen eisers verweer verwerpt betreffende de laattijdigheid van de uitspraak door de raadkamer. In zoverre berusten de middelen op een onjuiste lezing van het arrest en missen ze feitelijke grondslag.
  6. Het behoort tot de taak van een griffier als openbaar ambtenaar de ontvangst vast te stellen van de bij een rechtscollege ingediende verzoeken. Die vaststelling heeft ook wat de betreft de datum van ontvangst op de griffie authentieke bewijswaarde. Daaruit volgt dat de rechter, behoudens een valsheidsbetichting of een materiële verschrijving, de door de griffier vermelde datum als juist moet aannemen. Die regel, die de rechtszekerheid dient, is zowel in burgerlijke als in strafzaken en zowel in gewone als in spoedeisende zaken van toepassing. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  7. De aanvoering van de eiser en zijn verwijzing naar door Bpost verstrekte informatie, waaruit evenwel niet blijkt aan wie precies het kwestieuze verzoekschrift werd overhandigd, kunnen niet worden beschouwd als een valsheidsbetichting of een voorgehouden materiële verschrijving.
  8. Het arrest dat door overname van de redenen van de beroepen beschikking eisers verweer over de laattijdigheid van de uitspraak door de raadkamer verwerpt, verantwoordt die beslissing naar recht. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
  9. Het arrest oordeelt door overname van de redenen van het beroepen beschikking en van de nota van de Algemene Directie Vreemdelingenzaken van 19 september 2022 dat een verwijdering van de eiser binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk was. Aldus beantwoordt het arrest het door het tweede middel in dat verband gevoerde verweer. In zoverre berust het tweede middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  10. Voor het overige komt het tweede middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Derde middel
  11. Het middel voert schending aan van de artikelen 7, 71 en 72 Vreemdelingenwet: het arrest houdt bij de motivering rekening met de tweede verlenging van de bestuurlijke beslissing van vrijheidsberoving van 22 september 2022, terwijl het de beslissing over de wettigheid van de hier aan de orde zijnde eerste verlenging slechts mag motiveren aan de hand van de gegevens die zich in het administratief dossier bevonden op het ogenblik van de te beoordelen bestuurlijke beslissing; door dit te doen, miskent het arrest de grenzen van het wettigheidstoezicht en beoordeelt het de gepastheid van de maatregel.
  12. Het arrest neemt voor wat betreft de beslissing over de wettigheid van de eerste verlenging de redenen over van de beroepen beschikking en van de nota van de Algemene Directie Vreemdelingenzaken van 19 september 2022.. Met die redenen verantwoordt het naar recht de beslissing over de wettigheid van de eerste verlenging. De van de tweede verlengingsbeslissing door het arrest overgenomen redenen zijn dan ook overtollig. Het middel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971127.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080110.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.