← België

E. contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 411

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 Uit de beslissing van de rechter die het bestaan van uitlokking in de zin van artikel 411 Strafwetboek aanneemt, moet blijken dat voldaan is aan de vereisten voor die verschoningsgrond; bij afwezigheid van daartoe strekkend verweer moet de rechter evenwel niet specifiek ingaan op het voldaan zijn aan elk vereiste; dit kan namelijk ook blijken uit de samenhang van de redenen van de beslissing

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 411

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 411- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.0743.N K E M, beklaagde en burgerlijke partij, eiser, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Charlotte Kerckhofs, advocaten bij de balie Gent, tegen

  1. C K, beklaagde,
  2. D B R, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 april
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 20 september 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 8 november 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis, dat beslist dat de eiser slechts aanspraak kan maken op 50 procent van de door hem geleden schade, de verweerders veroordeelt tot het betalen van een voorschot aan de eiser, een deskundigenonderzoek met betrekking tot de eiser beveelt alvorens nader te beslissen over de overige schade, de zaak onbepaald uitstelt voor verdere behandeling op burgerrechtelijk gebied en de beslissing over de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, en interesten aanhoudt.
  5. Dit is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Behoudens voor wat betreft de uitspraak over het beginsel van aansprakelijkheid is het evenmin een beslissing als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. In zoverre niet gericht tegen de uitspraak over het beginsel van aansprakelijkheid is het cassatieberoep op burgerlijk gebied voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 411 Strafwetboek: het arrest steunt de aansprakelijkheidsverdeling tussen de eiser en de verweerders op het feit dat de eiser de hem toegebrachte slagen heeft uitgelokt; het oordeelt evenwel ten onrechte dat er bij de beoordeling van de ernst van de gewelddaden enkel gebruik dient te worden gemaakt van een subjectief criterium; de ernst van de gewelddaad dient namelijk niet enkel te worden beoordeeld op basis van een subjectieve toets, te weten de intensiteit van de reactie, maar ook op basis van een objectieve toets die eensdeels een afweging van de proportionaliteit van de reactie inhoudt en waarbij anderdeels dient te worden nagegaan of de reactie overeenkomt met die van een normaal en redelijk persoon.
  7. Artikel 411 Strafwetboek bepaalt dat doodslag, verwondingen en slagen verschoonbaar zijn indien zij onmiddellijk worden uitgelokt door zware gewelddaden tegen personen. Onder zware gewelddaden tegen personen in de zin van die bepaling wordt verstaan zwaar fysiek of moreel geweld, in de regel uitgaand van het slachtoffer van de verschoonbare misdaad of het verschoonbare wanbedrijf. Het betreft geweld dat de vrije wil van een normaal en redelijk persoon aantast, wat inhoudt dat de gemoedsgesteldheid van de uitgelokte dader en diens bijzondere gevoeligheid geen uitsluitend toetsingscriterium kunnen zijn. Bovendien beoordeelt de rechter de zwaarwichtigheid van het geweld niet uitsluitend rekening houdend met de intensiteit van de reactie die dat geweld heeft veroorzaakt, maar ook rekening houdend met de ernst van het uitgelokte misdrijf. De ernst van het uitgelokte misdrijf moet namelijk proportioneel zijn met de ernst van het fysieke of morele geweld.
  8. Uit de beslissing van de rechter die het bestaan van uitlokking in de zin van artikel 411 Strafwetboek aanneemt, moet blijken dat voldaan is aan de vereisten voor die verschoningsgrond. Bij afwezigheid van daartoe strekkend verweer moet de rechter evenwel niet specifiek ingaan op het voldaan zijn aan elk vereiste. Dit kan namelijk ook blijken uit de samenhang van de redenen van de beslissing.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser voor de appelrechters weliswaar het bestaan heeft betwist van zwaar fysiek of moreel geweld dat de vrije wil van de verweerders heeft aangetast, maar niet dat hij een bijzonder verweer heeft gevoerd over de proportionaliteit tussen dat geweld en het aan de verweerders ten laste gelegde misdrijf.
  10. Het arrest (p. 25) oordeelt: “Het hof (van beroep) treedt de eerste rechter bij in zijn overwegingen dat de handelingen door [de eiser] dienen aanzien te worden als zware gewelddaden tegen personen dewelke de daaropvolgende fysieke confrontatie, heringezet door [de verweerders], onmiddellijk hebben uitgelokt in de zin van artikel 411 Sw. Artikel 411 van het Strafwetboek bepaalt dat verwondingen en slagen verschoonbaar zijn indien zij onmiddellijk uitgelokt worden door zware gewelddaden tegen personen. Dergelijke zware gewelddaden zijn die, welke de vrije wil van een normaal en redelijke persoon in het gedrang brengen (dit is een vermindering van de vrije wil), waarbij voor de beoordeling van de ernst van de gewelddaden gebruik dient gemaakt te worden van een subjectief criterium: niet de hevigheid van de uitlokkingsdaad maar de hevigheid van de reactie die deze heeft veroorzaakt dient overwogen te worden. De uitlokkingsdaad, dewelke zich kan aandienen zowel onder de vorm van fysiek als moreel geweld, moet van aard zijn om een grote indruk te maken op de persoon en een impuls te doen ontstaan tot een gewelddadige reactie waaraan hij moeilijk kan weerstaan. Het feit dat [de eiser] in een tweede fase opnieuw fysiek uithaalde naar onder meer [de verweerders], die duidelijk werden opgewacht aan de uitgang van het café en daarenboven op beledigende wijze verwees naar hun zwarte huidskleur (…), maakt een afdoende aannemelijk en objectief element van het dossier uit om de uitlokking in hoofde van [de verweerder 2] te aanvaarden.” Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest (p. 25, vijfde alinea, en p. 26, tweede alinea) bovendien als volgt: - “De aldus beschreven handelingen van [H.M. en de eiser] zijn te aanzien als zware gewelddaden tegen personen die de daaropvolgende fysieke confrontatie, die op (…) op dat moment werd heringezet door [de verweerders], onmiddellijk heeft uitgelokt in de zin van artikel 411 Sw., zodat toepassing dient gemaakt te worden van artikel 414 Sw.” (beroepen vonnis, p. 17, tweede alinea); - “De voormelde vaststellingen vergoelijken evenwel niet dat (onder meer) [de verweerders] vervolgens op hun beurt de fysieke aanval op (onder meer) [H.M. en de eiser] hebben ingezet. Ook deze houding [van de verweerders] getuigt, wat hen betreft, van een gebrek aan respect voor andermans fysieke integriteit. Zij dienen in te zien dat, vanuit maatschappelijk oogpunt, van hen mag worden verwacht dat dat zij zich ook in moeilijke omstandigheden dienen te beheersen. (…)” (beroepen vonnis, p. 17, derde alinea).
  11. Uit het geheel van die redenen volgt dat de appelrechters, ongeacht de door hen gebruikte bewoordingen, wel degelijk hebben onderzocht wat de impact was van eisers handelingen op de gemoedsgesteldheid van de verweerders zonder die persoonlijke gemoedsgesteldheid als enig beoordelingscriterium in acht te nemen. Daaruit blijkt ook het oordeel van de appelrechters dat bij een normaal en redelijk persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, eveneens de vrije wil zou zijn aangetast en dat de ernst van het uitgelokte wanbedrijf proportioneel is met de ernst van het door de eiser aangewende geweld. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest neemt van het beroepen vonnis de redenen over in verband met de globale vechtpartij tussen het kamp van de eiser en het kamp van de verweerders; met eigen redenen houdt het arrest voor de verdeling van de aansprakelijkheid bij helften tussen de eiser en de verweerders bovendien rekening met het feit dat de eiser zware gewelddaden zou hebben gepleegd ten aanzien van de verweerder 2 en is er sprake van uitlokking; aldus acht het arrest de eiser schuldig aan feiten van slagen en verwondingen ten aanzien van de verweerder 2 en veroordeelt het hem voor alle feiten samen tot straf; de eiser is echter niet vervolgd voor het toebrengen van slagen of verwondingen aan de verweerder
  13. Noch uit de door het middel aangehaalde redenen noch uit enige andere reden van het arrest blijkt dat het arrest de eiser schuldig verklaart aan het opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen aan de verweerder 2 of dat het hem daarvoor tot straf veroordeelt. Het arrest oordeelt enkel dat de eiser de door elk van de verweerders gepleegde feiten van opzettelijke slagen heeft uitgelokt door het plegen van fysiek en moreel geweld ten aanzien van de verweerder 1 en van moreel geweld ten aanzien van de verweerder
  14. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 143,41 euro, waarvan 108,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.