id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens - 08-06-2006 - Artt. 3, 11, 12, 13, 22, 23 en 36 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens - 08-06-2006 - Artt. 3, 11, 12, 13, 22, 23 en 36 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens - 08-06-2006 - Artt. 3, 11, 12, 13, 22, 23 en 36 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Fiches 4 - 5 De wetgever heeft de in de Wapenwet gehanteerde bewoordingen “voorhanden te hebben” niet nader omschreven; die bewoordingen moeten dan ook in hun gebruikelijke betekenis worden begrepen; het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of een beklaagde een wapen of munitie voorhanden heeft in de zin van de Wapenwet; het Hof gaat niettemin na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: WAPENS Wettelijke bepalingen: Wet 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens - 08-06-2006 - Artt. 3, 11, 12, 13, 22, 23 en 36 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens - 08-06-2006 - Artt. 3, 11, 12, 13, 22, 23 en 36 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0921.N B V, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Matthias Baert, advocaat bij de balie Dendermonde, met kantoor te 9220 Hamme, Scheldestraat 36, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en dat twijfel steeds in het voordeel van de beklaagde moet spelen: het is duidelijk dat de zaken die zijn gevonden op het adres van A.L. haar eigendom zijn; eigen verboden wapenbezit is niet tegenstelbaar aan de eiser; om een voor de eiser onbekende reden wordt het bezit van het zwaard dat net als de patroon op het bed werd aangetroffen, niet aan de eiser toegerekend; de eiser ontkent dat hij zou hebben gezegd “dat op da bedde is eentje voor u” en dat hij iets in het bed van A.L. heeft gelegd; volgens de eiser wilde A.L. die voorwerpen bewaren en waren ze haar eigendom; er zijn geen objectieve elementen om de versie van A.L. te verkiezen boven die van de eiser; de eiser verbleef niet meer in de woning van A.L., wat door haar wordt bevestigd, het is A.L. die de eiser is gaan ophalen en de eiser had geen zwaard of kogels bij zich.
- Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van de feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, wat het geval is voor het bewijs van inbreuken op de Wapenwet 2006, beoordeelt de rechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daartoe behoort ook het beoordelen van de geloofwaardigheid van de beweringen van partijen of derden. Bij die beoordeling mag de rechter rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem overtuigen van de schuld van een beklaagde. Met een dergelijke beoordeling miskent de rechter het vermoeden van onschuld of de regel dat twijfel in het voordeel van de beklaagde speelt niet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest vermeldt met de redenen die het bevat (randnr. 6.2, p. 8-9) waarom het geloof hecht aan de verklaring van A.L. en het de verklaring van de eiser ongeloofwaardig acht. In zoverre het onderdeel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling, is het niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3, 11, 12, 13, 22 en 23 Wapenwet 2006: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte voor het feit van de telastlegging A; verboden is het voorhanden hebben; het arrest oordeelt dat de eiser eigenaar was van de patroon en dat dit zijn bezit was, ook al werd die aangetroffen in een woning die niet door hem bewoond was en waarvan hij geen sleutel had, hij niet aanwezig was op het ogenblik van de vaststellingen door de verbalisanten en vereist de Wapenwet niet dat de overtreder eigenaar is van het patroon.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- De wetgever heeft de in de Wapenwet gehanteerde bewoordingen “voorhanden te hebben” niet nader omschreven. Die bewoordingen moeten dan ook in hun gebruikelijke betekenis worden begrepen.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of een beklaagde een wapen of munitie voorhanden heeft in de zin van de Wapenwet.
- Het Hof gaat niettemin na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Het arrest grondt eisers schuldigverklaring niet louter op het gegeven dat de eiser eigenaar is van de aangetroffen patroon. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het arrest oordeelt met betrekking tot de telastlegging A als volgt: - de patroon van het merk Luger die bij de rondgang in de woning van A.L. werd aangetroffen, is munitie die hoort bij een vergunningsplichtig wapen; - het is een particulier verboden om zonder voorafgaande vergunning dergelijke munitie in bezit te hebben; - de eiser is niet in het bezit van een dergelijke vergunning; - A.L. verklaarde dat de eiser vroeger nog vuurwapens heeft gehad en toen de politie bij de rondgang in de woonst de patroon aantrof, deelde zij spontaan mee dat dit een overblijfsel was van vroeger toen de eiser nog eigenaar was van verschillende vuurwapens; - de eiser zelf bevestigde bij zijn verhoor dat de aangetroffen patroon nog van vroeger was toen hij nog vuurwapens had. De patroon zou zich in het huis hebben bevonden omdat A.L., op het moment dat de eiser zijn vuurwapens wegdeed, nog van alles een kogel wilde bewaren; - die verklaring is ongeloofwaardig maar zelfs indien dit zo zou zijn, zou dit niets afdoen aan het feit dat het de eiser was die zich niet op legale wijze van een patroon van een vergunningsplichtig wapen ontdeed en deze in de woning van zijn echtgenote achterliet; - verder blijkt uit het strafdossier dat op het moment van de feiten weliswaar de eiser en A.L. geen koppel meer vormden, maar dat zij wel nog geregeld contact hadden. De eiser had nog geen nieuw adres, waardoor het een vaststaand gegeven is dat er nog spullen van hem in het huis van A.L. lagen, waar zij voordien samenwoonden; - dat de patroon zich reeds in haar huis zou hebben bevonden alvorens dat deze in het bed werd gelegd, doet dus geen afbreuk aan de vaststelling dat de patroon zijn bezit was. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser de patroon voorhanden had en zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten van de telastlegging A. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat twijfel steeds in het voordeel van de beklaagde moet spelen: het arrest, dat melding maakt van de vaststelling door de verbalisanten van een verwonding aan de lip van A.L. die tussendoor moet zijn ontstaan, legt op geen enkele wijze uit hoe die verwondingen aan de lip van A.L. kunnen worden verklaard; die verwondingen kunnen niet worden verklaard aan de hand van de verklaring die A.L. heeft afgelegd, zodat die verwonding door iemand anders moet zijn veroorzaakt; de verklaring van A.L. in verband met de verwonding aan de hals is niet compatibel met de verwonding op de foto aangezien een lichte verkleuring niet kan worden verklaard door een echte wurgpoging.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van de feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Het arrest (randnr. 6.3, eerste alinea, p. 8) maakt melding van de verklaring van A.L. die aangeeft dat zij door de eiser werd vastgenomen terwijl zij naar het toilet probeerde te gaan en dat zij denkt dat daarbij haar lip werd verwond. Het arrest beoordeelt met opgave van redenen deze verklaring van A.L. als geloofwaardig (randnr. 6.3, tweede tot en met laatste alinea, p. 7-8) en sluit zich zo aan bij de door A.L. gegeven uitleg over het ontstaan van de verwonding. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk.
- De aangevoerde schending van artikel 6.2 EVRM en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat twijfel steeds in het voordeel van de beklaagde moet spelen, zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de regel dat twijfel steeds in het voordeel van de beklaagde moet spelen: de appelrechters hebben geweigerd om de camerabeelden te bekijken of deze aan het dossier te laten voegen en zij verwijzen enkel naar de screenshots om te oordelen dat uit die shots een zeer agressieve houding van de eiser bleek; die screenshots geven slechts een verkeerd en gefragmenteerd beeld van de ruzie tussen de partijen.
- Noch uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 2 mei 2022 noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser het appelgerecht heeft gevraagd het filmpje te bekijken of bij het dossier te laten voegen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Volgens artikel 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering wordt de beklaagde in hoger beroep gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het beroepen vonnis worden ingebracht. De enkele herneming van een in eerste aanleg gevoerd verweer vormt geen nauwkeurig bepaalde grief in de zin van de vermelde bepaling. De appelrechters dienen een dergelijk verweer dan ook niet te beantwoorden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eiser heeft blijkens het voormelde proces-verbaal van de rechtszitting voor het appelgerecht zijn voor de eerste rechter genomen conclusie hernomen waarin de eerste rechter werd gevraagd de camerabeelden grondig te bestuderen. Het appelgerecht diende gelet op die loutere herneming die conclusie niet te beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De aangevoerde schending van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging of van de regel dat twijfel steeds in het voordeel van de beklaagde moet spelen, zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en de regel dat twijfel steeds in het voordeel van de beklaagde moet spelen: de schuldigverklaring van de eiser aan het feit van de telastlegging C is uitsluitend gesteund op de verklaring van A.L.; de appelrechters verwijzen naar de patroon en het zwaard die op het bed lagen, maar uit het strafdossier blijkt dat die zich reeds voorafgaand in de woning van A.L. bevonden, zodat daaruit geen bewijselement kan worden afgeleid; A.L. kan deze voorwerpen daar zelf gelegd hebben ter staving van haar verklaring; er is geen enkele reden om meer geloof te hechten aan de verklaring van A.L. dan aan die van de eiser, mede gelet op de afwezigheid van externe elementen die beide verklaringen moeten ondersteunen.
- Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van de feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, wat het geval is voor het bewijs van het door artikel 329 Strafwetboek bedoelde misdrijf, beoordeelt de rechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daartoe behoort ook het beoordelen van de geloofwaardigheid van de beweringen van partijen of derden. Bij die beoordeling mag de rechter rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem overtuigen van de schuld van een beklaagde. Met een dergelijke beoordeling miskent de rechter het vermoeden van onschuld niet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest vermeldt met de redenen die het bevat (randnr. 6.4, p. 9-10) waarom het geloof hecht aan de verklaring van A.L. en het de verklaring van de eiser ongeloofwaardig acht. In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling, is het niet ontvankelijk.
- De aangevoerde schending van artikel 6.2 EVRM en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en de regel dat twijfel steeds in het voordeel van de beklaagde moet spelen, zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div