← België

KONINKLIJKE BELGISCHE ATLETIEKBOND VZW contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 128, 129 en 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 128, 129 en 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 128, 129 en 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 128, 129 en 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0774.N KONINKLIJKE BELGISCHE ATLETIEKBOND vzw, met zetel te 1020 Brussel, Marathonlaan 119/B, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Brian Stuckens, advocaat bij de balie Brussel, tegen

  1. L F R D C, inverdenkinggestelde,
  2. L C gcv, met zetel te [ … ], inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 mei
  3. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Overeenkomstig artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering moet de burgerlijke partij haar cassatieberoep tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die haar veroordeelt tot de kosten van de strafvordering naar aanleiding van de buitenvervolgingstelling van de inverdenkinggestelde, betekenen aan het openbaar ministerie.
  5. In zoverre gericht tegen de beslissing die de eiseres veroordeelt tot betaling van de kosten van de strafvordering, is het cassatieberoep dat niet is betekend aan het openbaar ministerie, niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 128 en 130 Wetboek van Strafvordering en artikel 491 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat er ten aanzien van de verweerders onvoldoende bezwaren bestaan voor wat betreft de telastlegging A en dit op grond van het enkele gegeven dat er hier sprake is van een verschil in interpretatie tussen de betrokken partijen over de inhoud van de tussen hen gesloten kaderovereenkomsten en mandaten, alsook dat dit interpretatiegeschil een louter burgerlijk geschil uitmaakt waarvoor thans een procedure voor de ondernemingsrechtbank hangende is; op grond van die redenen kan het arrest niet wettig oordelen dat er lastens de verweerders onvoldoende bezwaren bestaan met betrekking tot de constitutieve bestanddelen van het misdrijf misbruik van vertrouwen; evenmin beantwoordt het arrest met die redenen de aanvoeringen van de eiseres over de bezwaren lastens de verweerders.
  7. Het onderzoeksgerecht oordeelt bij de regeling van de rechtspleging vrij of er tegen de inverdenkinggestelde al dan niet voldoende bezwaren bestaan. Het Hof kan op dit oordeel van het onderzoeksgerecht geen marginale toetsing uitoefenen.
  8. Het recht van een burgerlijke partij om een conclusie neer te leggen voor het onderzoeksgerecht houdt in dat het onderzoeksgerecht daarop antwoordt en, als het van mening is dat het haar vordering dient af te wijzen, de voornaamste redenen aangeeft die de burgerlijke partij in staat stellen de beslissing te begrijpen. Niet vereist is dat het onderzoeksgerecht tot in het detail antwoordt op de conclusie van een burgerlijke partij.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest somt de tussen de partijen gesloten overeenkomsten op en geeft daarvan een beknopte inhoud weer. Het oordeelt dat de juridische draagwijdte van de overeenkomsten onduidelijk is en aanleiding geeft tot verschillende interpretaties door de partijen, alsook dat de aanvoering van de eiseres dat er hier sprake is van lastgeving of volmacht overeenkomstig artikel 1984, eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek daaraan niets afdoet en louter een eigen interpretatie van die partij uitmaakt. Het besluit dat er hier geen sprake is van een misdrijf, maar er tussen de partijen enkel een handelsrechtelijk geschil bestaat en er daarover een geding hangende is voor de ondernemingsrechtbank Brussel.
  11. Met die redenen oordeelt het arrest dat de aanvoeringen over de constitutieve bestanddelen van het misdrijf misbruik van vertrouwen, die de eiseres afleidt uit haar eigen interpretatie van de tussen de partijen gesloten overeenkomsten, niet pertinent zijn om bezwaren lastens de verweerders aan te nemen, terwijl er lastens deze laatsten evenmin andere bezwaren voorhanden zijn. Aldus beantwoordt het arrest de aanvoeringen van de eiseres en vermeldt het de voornaamste redenen die de eiseres toelaten de beslissing te begrijpen. Die beslissing is derhalve regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 128 en 130 Wetboek van Strafvordering en artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat er ten aanzien van de verweerders onvoldoende bezwaren bestaan voor wat betreft de telastlegging B (valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken) omdat “[v]an enige waarheidsvermomming geen sprake [kan] zijn als alle partijen bij de respectievelijke sponsorovereenkomsten op de hoogte zijn van de rechten opgenomen in het mandaat tussen [de eiseres] en [de verweerster]”, wat hier het geval is aangezien “[o]ok [C.S.], verantwoordelijke bij [C.], verklaart dat [de verweerster 2] hun het mandaat toonde waarbij [de eiseres] aan [de verweerster] het mandaat gaf om een overeenkomst met [C.] te onderhandelen en waarbij [de eiseres] bevestig[t] dat een aantal rechten deel uitmaken van het mandaat (pv 5667/20)”; dat laatste wordt echter niet vermeld in de verklaring van C.S., opgenomen in het proces-verbaal nr. 005667/20 van 17 september 2020; dat proces-verbaal vermeldt enkel: “Het mandaat dat getoond werd door [de verweerster] was volgens mij een algemeen mandaat dat volledige vrijheid gaf aan [de verweerster]. Uiteraard begrijp ik dat de return moet overeenstemmen met het mandaat dat [de verweerster] ontvangen had. We waren ons er niet van bewust dat deze contracten afweken. We gingen er ook vanuit dat het onderhandeld contract zou goedgekeurd worden door [de eiseres] of in ieder geval gekend zou zijn”; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het vermelde proces-verbaal.
  13. Het arrest oordeelt zoals het middel vermeldt, alsook: “[De eiseres] stelt dat er in hoofde van beide [verweerders] sprake is van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken (tenlastelegging B) dewelke er in zou bestaan dat [de verweerster] in haar sponsor- overeenkomsten met [C.] en [T.] rechten zou toekennen aan sponsors waarvoor men geen mandaat had.”
  14. Met de vermelde redenen oordeelt het arrest in essentie dat er geen sprake is van enige waarheidsvermomming in de overeenkomsten tussen de verweerster en de toenmalige aspirant-sponsors C. en T., aangezien deze laatsten ingevolge de voorlegging van de mandaten tussen de eiseres en de verweerster op de hoogte waren van de rechten waarover de verweerders gemachtigd waren te onderhandelen. Aldus geeft het arrest van het proces-verbaal nr. 005667/20 van 17 september 2020 een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 90,61 euro, waarvan 55,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120516.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140402.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150128.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.