← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.13 Rolnummer: P.21.1681.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2022-11-17 Raadplegingen: 735 - laatst gezien 2026-06-15 06:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Indien de wetsbepalingen die de bestanddelen van het strafbare feit vermelden en die zelf ongewijzigd zijn gebleven voor het toepassingsgebied van de strafbaarstelling verwijzen naar andere wetsbepalingen welke zijn vervangen, dan moet die verwijzing worden geacht te slaan op de vervangende bepalingen; dit houdt in dat de verwijzing in de ongewijzigd gebleven tekst van artikel 43, eerste lid, 1°, KB Rijbewijs naar de artikelen 3, 11 en 14 Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946, gelet op de vervanging van deze bepalingen van de Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946, wordt geacht te slaan op artikel 2, 1° en 2°, Decreet Personenvervoer 2001 voor wat betreft het geregeld en de bijzondere vormen van geregeld vervoer en op artikel 2, vierde lid, van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 voor wat betreft het ongeregeld vervoer; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die een beklaagde schuldig verklaart in de bewoordingen van de ongewijzigd gebleven wetsbepalingen die het feit strafbaar stellen en de straffen bepalen en die deze wetsbepalingen vermeldt, geen melding te maken van de vervangende bepalingen betreffende het toepassingsgebied van de strafbaarstelling waarnaar die eerste wetsbepalingen verwijzen. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 43, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 43, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 43, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1681.N F K, alias F K, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jacques Vandeuren, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, van 19 november 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 13 oktober 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 25 oktober 2022 heeft raadsheer Antoine Lievens verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR, de artikelen 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 30, § 1, 4°, Wegverkeerswet, de artikelen 3, 11 en 14 van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars (hierna Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946) en artikel 43, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs), alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: de eiser werd ten onrechte schuldig verklaard omdat de in de telastlegging geviseerde feiten geen misdrijf meer uitmaken bij gebrek aan wettelijke basis; de artikelen van de Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946, waarnaar artikel 43, eerste lid, 1°, KB Rijbewijs verwijst werden immers opgeheven; de artikelen 3 en 11 werden opgeheven bij artikel 70, 12°, van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg (hierna Decreet Personenvervoer 2001) en artikel 14 werd opgeheven bij artikel 42, 3°, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het reizigersvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 (hierna Wet Reizigersvervoer 2013) (eerste onderdeel); door de telastlegging bewezen te verklaren, hoewel ze is gestoeld op opgeheven of vervangen bepalingen, zonder toepassing te maken van de bepalingen die er in de plaats van zijn gekomen, is de beslissing gebrekkig gemotiveerd en niet naar recht verantwoord (tweede onderdeel). 2. De eiser wordt vervolgd om bij inbreuk op de artikelen 42, eerste lid, en 43, eerste lid, 1°, KB Rijbewijs en artikel 30, § 1, 4°, Wegverkeerswet te Geraardsbergen op 11 juni 2019, als houder van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2, A, B of B+E of gelijkwaardig en voldaan hebbende aan de voorwaarden van artikel 3, § 1, KB Rijbewijs, een voertuig bestemd voor de diensten van geregeld, bijzondere vormen van geregeld of ongeregeld vervoer bedoeld in de artikelen 3, 11 en 14 Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946 te hebben bestuurd, zonder houder te zijn geweest van een rijgeschiktheidsattest bedoeld in bijlage 6 KB Rijbewijs en uitgereikt door de in artikel 44, § 1, en 44, § 4 van dit besluit bedoelde geneesheren, waaruit bleek dat betrokkene het onderzoek met gunstig gevolg heeft ondergaan. 3. Artikel 30, § 1, 4°, Wegverkeerswet bestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 200,00 euro tot 2.000,00 euro of met één van deze straffen alleen hij die een motorvoertuig bestuurt terwijl hij niet voldaan heeft aan het door de Koning opgelegde geneeskundig onderzoek in de door Hem bepaalde gevallen. 4. Artikel 42, eerste lid, KB Rijbewijs bepaalt dat de kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C1, C1+4, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E een onderzoek ondergaat dat vaststelt of hij voldoet aan de normen voorgeschreven in bijlage 6 voor de groep 2. Artikel 43, eerste lid, 1°, KB Rijbewijs bepaalt: “Worden eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan, de houders, van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie A1, A2, A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie, wanneer ze beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 3, § 1, en zij een voertuig bestemd voor een van de hierna genoemde vervoersdiensten besturen: 1° de diensten voor geregeld, bijzondere vormen van geregeld en ongeregeld vervoer, respectievelijk bedoeld in de artikelen 3, 11 en 14 van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars.” 5. Deze wetsbepalingen, welke de bestanddelen omvatten van het aan de eiser verweten misdrijf en de daarop toepasselijke straf, zijn ongewijzigd gebleven vanaf de datum van de aan de eiser verweten feiten tot de datum van het bestreden vonnis. Het bestreden vonnis vermeldt deze wetsbepalingen. 6. Het geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer werden gedefinieerd bij de artikelen 3 en 11 Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946 en het ongeregeld vervoer werd gedefinieerd bij artikel 14 van die wet. Artikel 3 Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946 bepaalde: “§ 1 Onder geregeld vervoer wordt het gemeenschappelijk vervoer van personen verstaan, volgens een frequentie en in een bepaalde relatie, waarbij reizigers aan de eindpunten en eventueel onderweg, op vooraf gekende stopplaatsen, kunnen uitstappen. § 2 Bij het in § 1 bedoelde vervoer dienen de door de bevoegde overheid vastgestelde dienstregelingen en tarieven te worden nageleefd.” Artikel 11 Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946 bepaalde: “§ 1 Onder bijzondere vormen van geregeld vervoer wordt het gemeenschappelijk vervoer van personen verstaan, die dit ook organiseert, van bepaalde categorieën personen met uitsluiting van andere reizigers, voor zover het vervoer geschiedt op de in artikel 3 bepaalde wijze. § 2 Bij dergelijk vervoer kan het naleven van dienstregelingen verplicht worden gesteld. § 3 Zonder afbreuk te doen aan het bepaalde in artikel 13, § 3, kan ook het naleven van tarieven verplicht worden gesteld. § 4 De aanpassing van het vervoer aan de veranderlijke behoeften van de belanghebbenden doet geen afbreuk aan het geregelde karakter van een bijzondere vorm van geregeld vervoer.” 7. De artikelen 3 en 11 Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946 werden wat het Vlaams Gewest betreft opgeheven bij artikel 70, 12°, Decreet Personenvervoer 2001. De omschrijving van de begrippen geregeld vervoer en bijzondere vormen van geregeld vervoer zijn voor het Vlaams Gewest thans opgenomen in artikel 2 Decreet Personenvervoer 2001. 8. Artikel 2, 1°, Decreet Personenvervoer 2001 definieert geregeld vervoer als volgt: “stads- of streekvervoer van personen met een bepaalde regelmaat en op een bepaald traject, waarbij op vooraf vastgestelde halteplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of mogen worden afgezet en dit ongeacht de tractiewijze van de aangewende vervoermiddelen. Dit vervoer is voor iedereen toegankelijk, ongeacht in voorkomend geval, de verplichting om de reis te boeken. Een aanpassing van de exploitatievoorwaarden voor het vervoer doet geen afbreuk aan het geregelde karakter van het vervoer”. Artikel 2, 2°, Decreet Personenvervoer 2001 definieert bijzondere vormen van geregeld vervoer als volgt: “bijzondere vormen van geregeld vervoer: geregeld vervoer van bepaalde categorieën reizigers met uitsluiting van andere reizigers, met een bepaalde regelmaat en op een bepaald traject, waarbij op vooraf vastgestelde halteplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of mogen worden afgezet. De bijzondere vormen van geregeld vervoer omvatten onder meer:
  2. a)vervoer van werknemers van en naar het werk;
  3. b)vervoer van scholieren en studenten van en naar hun onderwijsinstellingen;
  4. c)vervoer van militairen en hun gezinnen van en naar hun plaats van legering. Aan het geregelde karakter van de bijzondere vorm van geregeld vervoer wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat bij de organisatie van het vervoer rekening wordt gehouden met de wisselende behoeften van de gebruiker.” 9. Artikel 14 Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946 bepaalde: “§ 1 Onder ongeregeld vervoer wordt het gemeenschappelijk vervoer van personen verstaan die noch aan de definitie van het geregeld vervoer van artikel 3, noch aan de definitie van de bijzondere vormen van geregeld vervoer van artikel 11 beantwoordt. § 2 Het ongeregeld vervoer omvat: A. Het vervoer in gesloten rondritten, dat wil zeggen vervoer met hetzelfde voertuig dat dezelfde groep reizigers over het gehele traject vervoert en naar de plaats van vertrek terugbrengt; B. Het vervoer waarbij de heenreis met reizigers en de terugreis zonder reizigers plaatsvindt; C. Andere, door de Koning te bepalen vormen van ongeregeld vervoer. § 3 Dit vervoer kan met een zekere regelmaat plaatsvinden zonder dat daardoor het karakter van ongeregeld vervoer verloren gaat.” 10. Artikel 42, 3°, Wet Reizigersvervoer 2013, dat krachtens artikel 45 van dezelfde wet en artikel 52 van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het reizigersvervoer over de weg, in werking is getreden op 1 september 2014, bepaalt: “Worden opgeheven in de Besluitwet van 30 december 1946, voor wat de federale overheid betreft: de artikelen 14 (…).“ 11. Artikel 3, §§ 2-3, Wet Reizigersvervoer 2013 bepaalt dat de begrippen die niet in deze wet zijn gedefinieerd, moeten worden begrepen overeenkomstig de definities die eraan gegeven zijn in de communautaire regelgeving en dat de definities gegeven in artikel 2, vierde en vijfde lid, van de Verordening (EG) nr. 1073/2009, eveneens gelden voor het reizigersvervoer beperkt tot het nationale grondgebied. Artikel 2, vierde lid, van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 definieert ongeregeld vervoer als volgt: “vervoer dat niet aan de definitie van geregeld vervoer, met inbegrip van de bijzondere vorm van geregeld vervoer, beantwoordt en dat met name wordt gekenmerkt door het vervoer van vooraf samengestelde groepen, op initiatief van een opdrachtgever of van de vervoerder zelf”. 12. Uit het voormelde volgt dat de regeling van het geregeld, bijzondere vormen van geregeld vervoer en ongeregeld vervoer, zoals eertijds opgenomen in de Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946, op het ogenblik van de feiten en tot op het ogenblik van het bestreden vonnis het voorwerp uitmaakte van een vervangende decretale of wettelijke regeling, namelijk door het Decreet Personenvervoer 2001 en door de Wet Reizigersvervoer 2013. 13. Indien de wetsbepalingen die de bestanddelen van het strafbare feit vermelden en die zelf ongewijzigd zijn gebleven voor het toepassingsgebied van de strafbaarstelling verwijzen naar andere wetsbepalingen welke zijn vervangen, dan moet die verwijzing worden geacht te slaan op de vervangende bepalingen. Dit houdt in dat de verwijzing in de ongewijzigd gebleven tekst van artikel 43, eerste lid, 1°, KB Rijbewijs naar de artikelen 3, 11 en 14 Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946, gelet op de vervanging van deze bepalingen van de Besluitwet Bezoldigd Vervoer 1946, wordt geacht te slaan op artikel 2, 1° en 2°, Decreet Personenvervoer 2001 voor wat betreft het geregeld en de bijzondere vormen van geregeld vervoer en op artikel 2, vierde lid, van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 voor wat betreft het ongeregeld vervoer. 14. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die een beklaagde schuldig verklaart in de bewoordingen van de ongewijzigd gebleven wetsbepalingen die het feit strafbaar stellen en de straffen bepalen en die deze wetsbepalingen vermeldt, geen melding te maken van de vervangende bepalingen betreffende het toepassingsgebied van de strafbaarstelling waarnaar die eerste wetsbepalingen verwijzen. 15. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 15 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.