← België

PROCUREUR GENERAAL TE GENT contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.4 Rolnummer: P.22.1097.N Zaak: PROCUREUR GENERAAL TE GENT contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-11-17 Raadplegingen: 1023 - laatst gezien 2026-06-17 04:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Artikel 623 Wetboek van Strafvordering is van toepassing op de schadevergoedingsplicht die bij gerechtelijke beslissing is vastgesteld en die verplichting bestaat indien de veroordelende beslissing vaststelt dat de burgerlijke partij schade heeft geleden die in oorzakelijk verband staat tot het bewezen verklaarde misdrijf, zonder dat hierbij noodzakelijk het precieze bedrag van de vergoeding voor de geleden schade moet zijn bepaald, zodat een veroordeling tot betaling van een provisionele schadevergoeding een rechterlijke beslissing is die een verplichting tot schadevergoeding inhoudt; aan de door artikel 623, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven schadevergoedingsplicht is voldaan wanneer de geleden schade is hersteld, wat kan voortvloeien uit een daadwerkelijke betaling, een kwijtschelding van schuld of een dading waarmee de benadeelde partij instemt en het loutere feit dat de burgerlijke rechtsvordering is verjaard, dat de schadelijder niet is overgegaan tot de invordering van de bij rechtelijke beslissing toegekende schadevergoeding of dat de schadelijder geen stappen heeft gezet om de precieze omvang van de bij rechterlijke beslissing vastgestelde schade te bepalen, hebben niet tot gevolg dat de verzoeker niet langer zou moeten voldoen aan de in artikel 623, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde schadevergoedingsplicht

(1).
(1)Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0746.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.3, AC 2017, nr. 72, NC 2017/5, 501-502 en noot J. DE HERDT, “Herstel in eer en rechten, na het herstel van de schade”. Thesaurus CAS: HERSTEL IN EER EN RECHTEN Vrije woorden: Voorwaarde - Artikel 623, eerste lid, Wetboek van Strafvordering - Schadevergoedingsplicht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) - 16-12-1808 - Art. 623, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Fiche 2 Artikel 624, derde lid, Wetboek van Strafvordering is van toepassing op schade waarvan bij rechterlijke beslissing niet is bepaald dat de verzoeker tot vergoeding is gehouden zodat hij slechts een morele verplichting tot vergoeding heeft van die schade; de kamer van inbeschuldigingstelling neemt de inspanningen die de verzoeker op dat vlak heeft geleverd mee in haar beoordeling van de vereiste van verbetering en goed gedrag en die beoordeling is op dat punt onaantastbaar
(1).
(1)Cass. 8 december 2010, AR P.10.1067.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101208.5, AC 2010, nr. 717 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., RW 2011-2012, 830 en noot A. VANDEPLAS, “Eerherstel en het herstel van de aangerichte schade”; Cass. 15 juni 2010, RW 2010-2011, 1601 en noot T. ROES, “Herstel in eer en rechten”; J. DE HERDT, “Herstel in eer en rechten, na het herstel van de schade”, NC 2017/5, 501-502, nrs. 3 en
  1. Thesaurus CAS: HERSTEL IN EER EN RECHTEN Vrije woorden: Voorwaarde - Artikel 624, derde lid, Wetboek van Strafvordering - Schadevergoedingsplicht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) - 16-12-1808 - Art. 624, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1097.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen J-P F R P, verzoeker om herstel in eer en rechten, verweerder, met als raadsman mr. Frédéric Delbar, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  3. Volgens artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering dient de memorie van antwoord van de verweerder in cassatie te worden ontvangen ter griffie van het Hof uiterlijk de achtste dag vóór de rechtszitting.
  4. Die termijn van acht dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat acht volledig vrije dagen moet worden gelaten tussen de dag van de indiening van de memorie van antwoord en de dag van de rechtszitting. Indien de negende of de tiende dag vóór de rechtszitting een zater-, zon- of feestdag is, moet de memorie ervoor zijn neergelegd.
  5. Volgens de door de griffie overeenkomstig artikel 429, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering aangebrachte vermelding, werd de memorie van antwoord van de verweerder ontvangen op maandag 7 november 2022, terwijl de memorie uiterlijk op vrijdag 4 november 2022 had moeten worden ontvangen. De memorie van antwoord is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 623 en 624 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de burgerlijke partij de procedure tot het verkrijgen van een definitieve schadevergoeding gedurende meer dan vijftien jaar niet heeft benaarstigd en aan de verzoeker tot herstel in eer en rechten (hierna de verzoeker) herstel in eer en rechten te verlenen, past het arrest de in de artikelen 623 en 624 Wetboek van Strafvordering bepaalde voorwaarden in verband met het voldaan hebben aan de schadeloosstellingsverplichting onjuist toe; het volledig uitvoeren van de veroordeling tot schadevergoeding is een morele verplichting; de kamer van inbeschuldigingstelling kan een verzoeker enkel ontslaan van de verplichting de schadevergoeding volledig te betalen indien zij vaststelt dat hij wegens zijn onvermogen onmogelijk aan die verplichting kan voldoen of wegens enig ander feit waaraan hij geen schuld heeft; indien blijkt dat een verzoeker geen enkele inspanning heeft geleverd om de schade te vergoeden terwijl hij van de vordering op de hoogte was, moet de kamer van inbeschuldigingstelling het verzoek afwijzen; de verzoeker was op de hoogte van de vordering van de burgerlijke partij en heeft nooit stappen ondernomen om de schade te vergoeden.
  7. Uit artikel 623 Wetboek van Strafvordering volgt dat: - het herstel in eer en rechten in beginsel afhankelijk is van het voldaan hebben door de verzoeker aan de in het vonnis bepaalde verplichting tot schadevergoeding; - de kamer van inbeschuldigingstelling evenwel de verzoeker van deze voorwaarde kan ontslaan indien hij aantoont dat hij in de onmogelijkheid verkeerde om aan die verplichting te voldoen, hetzij wegens zijn onvermogen, hetzij wegens enig ander feit waaraan hij geen schuld heeft.
  8. Artikel 623 Wetboek van Strafvordering is van toepassing op de schadevergoedingsplicht die bij gerechtelijke beslissing is vastgesteld. Die verplichting bestaat indien de veroordelende beslissing vaststelt dat de burgerlijke partij schade heeft geleden die in oorzakelijk verband staat tot het bewezen verklaarde misdrijf, zonder dat hierbij noodzakelijk het precieze bedrag van de vergoeding voor de geleden schade moet zijn bepaald. Een veroordeling tot betaling van een provisionele schadevergoeding is dan ook een rechterlijke beslissing die een verplichting tot schadevergoeding inhoudt.
  9. Aan de door artikel 623, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven schadevergoedingsplicht is voldaan wanneer de geleden schade is hersteld, wat kan voortvloeien uit een daadwerkelijke betaling, een kwijtschelding van schuld of een dading waarmee de benadeelde partij instemt.
  10. Het loutere feit dat de burgerlijke rechtsvordering is verjaard, dat de schadelijder niet is overgegaan tot de invordering van de bij rechtelijke beslissing toegekende schadevergoeding of dat de schadelijder geen stappen heeft gezet om de precieze omvang van de bij rechterlijke beslissing vastgestelde schade te bepalen, hebben niet tot gevolg dat de verzoeker niet langer zou moeten voldoen aan de in artikel 623, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde schadevergoedingsplicht.
  11. Volgens artikel 624, derde lid, Wetboek van Strafvordering moet de kamer van inbeschuldigingstelling bij de beoordeling van de voorwaarde of de verzoeker tijdens de proeftijd blijk heeft gegeven van verbetering en van goed gedrag rekening houden met de moeite die hij heeft gedaan om de uit de misdrijven voortvloeiende schade die niet gerechtelijk mocht zijn vastgesteld, te herstellen.
  12. Artikel 624, derde lid, Wetboek van Strafvordering is van toepassing op schade waarvan bij rechterlijke beslissing niet is bepaald dat de verzoeker tot vergoeding is gehouden. Hij heeft slechts een morele verplichting tot vergoeding van die schade maar de kamer van inbeschuldigingstelling neemt de inspanningen die de verzoeker op dat vlak heeft geleverd mee in haar beoordeling van de vereiste van verbetering en goed gedrag. De beoordeling van de kamer van inbeschuldigingstelling is op dit punt onaantastbaar.
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verzoeker bij arrest van het hof van beroep te Gent van 9 november 2005 wegens misbruik van vertrouwen en bedrieglijk onvermogen werd veroordeeld tot straf en tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro aan de burgerlijke partij J.D.G.; - in dit arrest werd overwogen dat het bedrag van de schade bestaande in aanspraken van deze burgerlijke partij op gederfde commissielonen nog niet vaststond, gelet op haar verhaalsmogelijkheden tegen een vennootschap in vereffening; - de vereffening van deze vennootschap op 14 januari 2013 werd afgesloten; - de burgerlijke partij J.D.G., na te zijn aangeschreven door de procureur-generaal in het kader van het verzoek om herstel in eer en rechten, heeft aangegeven dat haar nooit enige vergoeding werd uitbetaald en dat zij het bedrag van haar schade bestaande in de gederfde commissielonen groot 188.426 frank, meer de interesten, wenste te ontvangen; - de burgerlijke partij J.D.G. de procedure tot het verkrijgen van een definitieve schadevergoeding gedurende een periode van meer dan vijftien jaar niet heeft benaarstigd.
  14. Aangezien de op de verzoeker rustende schadevergoedingsplicht werd vastgesteld bij arrest van het hof van beroep te Gent van 9 november 2005 dient het verzoek tot herstel in eer en rechten wat betreft het voldaan hebben aan de schadevergoedingsplicht te worden beoordeeld op grond van artikel 623 Wetboek van Strafvordering en niet op grond van artikel 624 Wetboek van Strafvordering en dit ongeacht het niet vastgesteld zijn van de precieze omvang van de schade.
  15. De verzoeker kon dan ook enkel worden ontslagen van zijn principiële uit artikel 623, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende schadevergoedingsplicht, indien voldaan is aan de in artikel 623, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vermelde voorwaarde.
  16. Het arrest dat oordeelt dat aan de op de verzoeker rustende principiële schadevergoedingsplicht mag worden voorbijgegaan op de enkele grond dat de burgerlijke partij J.D.G. gedurende een periode van meer dan vijftien jaar de procedure tot het verkrijgen van een definitieve schadevergoeding niet heeft benaarstigd, verantwoordt de beslissing aan de verzoeker herstel in eer en rechten toe te staan niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 15 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101208.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.