← België

Z.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.10 Rolnummer: P.22.1116.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-06 Raadplegingen: 891 - laatst gezien 2026-06-16 13:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De appelrechter kan een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn remediëren hetzij door een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring, hetzij door de aan de beklaagde op te leggen straf op een reële en meetbare wijze te verminderen ten opzichte van de straf die hijzelf zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn; de appelrechter oordeelt daarover onaantastbaar. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 4 Indien de appelrechter oordeelt dat ter remediëring kan worden volstaan met een strafvermindering, dient hij deze vermindering niet af te wegen ten opzichte van de door de eerste rechter opgelegde straf; het feit dat de eerste rechter geen overschrijding van de redelijke termijn heeft vastgesteld en dat de zaak bij de appelrechter aanhangig is ingevolge het enkele hoger beroep van de beklaagde, speelt daarbij geen rol vermits de relatieve werking van dat hoger beroep immers alleen tot gevolg heeft dat de door de appelrechter opgelegde straf niet hoger mag zijn dan de door de eerste rechter opgelegde straf

(1).
(1)Zie ook Cass. 14 februari 2017, AR P.16.1099.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170214.5, AC 2017, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Tekst van de beslissing Nr. P.22.1116.N A G Z, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Robin Ryckeboer, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 29 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
  3. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis is niet naar recht verantwoord; de appelrechters stellen niet vast dat de eiser schade heeft veroorzaakt aan een aangereden voertuig, ook al heeft de eiser in zijn appelconclusie betwist dat er dergelijke schade was.
  4. Het bestreden vonnis (p. 4, randnr. 3.1, tweede alinea) vermeldt de inhoud van de verklaring van T.C., waarbij die aangeeft dat als gevolg van het verkeersongeval zijn voertuig werd beschadigd. Het stelt vast dat die verklaring wordt bevestigd door zijn passagier (p. 4, randnr. 3.2). Bij de beoordeling van de schuld blijkt dat het bestreden vonnis (p. 5, randnr. 4.3, tweede alinea) de verklaring van T.C. voor waar aanneemt. Aldus stelt het bestreden vonnis vast dat er wel degelijk schade was aan het voertuig van T.C. Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel
  5. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet: met het oordeel dat de eiser wist dat er een ongeval had plaatsgevonden waartoe hij mogelijks aanleiding had gegeven, verantwoordt het bestreden vonnis eisers schuldigverklaring niet naar recht.
  6. Niettegenstaande het gebruik van het woord “mogelijks” in de zin “waartoe [de eiser] mogelijks aanleiding had gegeven”, blijkt uit de weergave van de verklaring van T.C. die door de appelrechters voor waar wordt aangenomen (p. 4, randnr. 3.1, tweede alinea) en waarvan ze vaststellen dat die wordt bevestigd door zijn passagier (p. 4, randnr. 3.2), samen gelezen met het geheel van redenen die het bestreden vonnis (p. 5, randnr. 4.3) bevat betreffende de schuldbeoordeling, dat de appelrechters wel degelijk aannemen dat de eiser bestuurder was van een voertuig wetend dat dit voertuig oorzaak dan wel aanleiding was tot een verkeersongeval. Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
  7. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het neemt enerzijds de verklaring aan van T.C. dat hij volledig naar rechts uitweek om een aanrijding te vermijden; het oordeelt anderzijds dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden.
  8. Redenen zijn tegenstrijdig indien ze elkaar opheffen of teniet doen. Dat is niet het geval met de door het subonderdeel bedoelde redenen. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel
  9. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verweer over de geloofwaardigheid van de verklaring van T.C.
  10. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
  11. Uit de samenlezing van de weergave van de verklaring van T.C. die door de appelrechters voor waar wordt aangenomen (p. 4, randnr. 3.1, tweede alinea) en waarvan ze vaststellen dat die wordt bevestigd door zijn passagier (p. 4, randnr. 3.2), en het geheel van redenen die het bestreden vonnis (p. 5, randnr. 4.3) bevat betreffende de schuldbeoordeling, volgt dat de appelrechters het bedoelde verweer beantwoorden en verwerpen, zonder dat ze dienden te antwoorden op elk argument dat louter tot staving van dit verweer werd aangevoerd, zonder een afzonderlijk verweer te vormen. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis geeft geen gevolg aan de overschrijding van de redelijke termijn, hetzij door een eenvoudige schuldigverklaring, hetzij een vermindering van de straf; het kon geen zwaardere straf opleggen dan de met het beroepen vonnis opgelegde straf.
  13. De appelrechter kan een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn remediëren hetzij door een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring, hetzij door de aan de beklaagde op te leggen straf op een reële en meetbare wijze te verminderen ten opzichte van de straf die hijzelf zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn. De appelrechter oordeelt daarover onaantastbaar.
  14. Indien de appelrechter oordeelt dat ter remediëring kan worden volstaan met een strafvermindering, dient hij deze vermindering niet af te wegen ten opzichte van de door de eerste rechter opgelegde straf. Het feit dat de eerste rechter geen overschrijding van de redelijke termijn heeft vastgesteld en dat de zaak bij de appelrechter aanhangig is ingevolge het enkele hoger beroep van de beklaagde, speelt daarbij geen rol. De relatieve werking van dat hoger beroep heeft immers alleen tot gevolg dat de door de appelrechter opgelegde straf niet hoger mag zijn dan de door de eerste rechter opgelegde straf. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 22 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170214.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.