← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12 Rolnummer: P.22.0989.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-12-06 Raadplegingen: 1160 - laatst gezien 2026-06-18 23:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de hiernavermelde criteria en in de vermelde volgorde, met name dient de rechter na te gaan of (
  2. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden, (
  3. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald en (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen; daarbij dient evenwel niet elk criterium of elke reden die de rechter bij de invulling van een criterium vermeldt, even draagkrachtig te zijn vermits de criteria en de daarbij vermelde redenen elkaar kunnen versterken, vervolledigen of verduidelijken en moeten zodoende steeds in hun onderling verband worden gelezen; het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend en de rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst

(1); het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen, de vermelde criteria juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing.
(1)Cass. 8 november 2022, AR P.22.0832.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19, AC 2022, nr. 709, en de verwijzingen aldaar. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 7 De regeling over het horen van een getuige à charge op de terechtzitting is evenwel niet van toepassing indien de tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaring uitgaat van een medebeklaagde die samen met de beklaagde in dezelfde zaak, voor hetzelfde gerecht en in dezelfde aanleg wordt vervolgd voor dezelfde of samenhangende feiten; bepalingen van nationaal en internationaal recht met rechtstreekse werking verzetten zich dan ertegen dat de medebeklaagde onder eed zou worden gehoord in de strafzaak waarin hijzelf wordt vervolgd en het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, wordt in een dergelijk geval voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid die de beklaagde heeft om aan de rechter te vragen om op de rechtszitting met de medebeklaagde te worden geconfronteerd en daar alle vragen te stellen of opmerkingen te formuleren ter weerlegging, aanpassing of verduidelijking van de door de medebeklaagde tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaring; om een dergelijke confrontatie mogelijk te maken moet de rechter alle maatregelen nemen die redelijkerwijze mogelijk zijn om de aanwezigheid van de medebeklaagde op de rechtszitting te bewerkstelligen en zo kan hij desgevallend de persoonlijke verschijning van de medebeklaagde bevelen, onverminderd diens recht op vertegenwoordiging door een raadsman en diens zwijgrecht; de rechter kan wel rekening ermee houden dat de beklaagde de mogelijkheid heeft gehad om op een vroegere rechtszitting een dergelijke confrontatie te vragen en aan te gaan, maar dat niet heeft gedaan en in dat geval is de afwezigheid van een confrontatie met de medebeklaagde en de mogelijkheid hem te bevragen een gevolg van het eigen stilzitten van de beklaagde
(1).
(1)Cass. 8 november 2022, AR P.22.0832.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19, AC 2022, nr. 709, en de verwijzingen aldaar. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Tekst van de beslissing Nr. P.22.0989.N I R K L, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Koninklijkelaan 60, waar de eiser woonplaats kiest. II M L F, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen. III C G R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9880 Aalter, Beukenpark 111, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 juni 2022. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II doet afstand van zijn cassatieberoep. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiser III heeft op 2 november 2022 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser I 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest verwerpt ten onrechte het verzoek van de eiser I om E.A. te horen als getuige à charge ter rechtszitting; het arrest geeft niet aan dat E.A. vrees zou hebben voor zijn fysieke integriteit noch dat er voor hem een risico zou zijn op beïnvloeding, intimidatie en bedreiging die worden gerechtvaardigd door objectieve en door bewijselementen ondersteunde gegevens; bovendien bevestigt het arrest dat de belastende verklaringen van E.A. wel degelijk doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de schuld van de eiser I en stelt het geen enkele afdoende compenserende factor vast. 2. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken, verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM en artikel 14.3.e IVBPR gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 3. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 4. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
  1. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
  2. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 5. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige à charge beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Daarbij dient evenwel niet elk criterium of elke reden die de rechter bij de invulling van een criterium vermeldt, even draagkrachtig te zijn. De criteria en de daarbij vermelde redenen kunnen elkaar immers versterken, vervolledigen of verduidelijken en moeten zodoende steeds in hun onderling verband worden gelezen. 6. Het staat aan de rechter om, rekening houdend met de aldus gepreciseerde criteria, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 7. Het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen, de vermelde criteria juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing. 8. De redenen die het arrest aanneemt ter afwijzing van het verzoek van de eiser I tot het horen op de rechtszitting onder eed van E.A. als getuige à charge (p. 16-19) kunnen noch afzonderlijk noch samen genomen die beslissing naar recht verantwoorden: - niettegenstaande het arrest oordeelt dat de belastende verklaringen van E.A. geen doorslaggevend element vormen waarop de schuldigverklaring van de eiser I is gesteund, geeft het wel aan dat die verklaringen de start voor het gerechtelijk onderzoek hebben gegeven en dat de schuldigverklaring van de eiser I eveneens blijkt uit andere bewijselementen zoals de camerabeelden en het geanalyseerde telefonieverkeer. Daarmee oordeelt het arrest weliswaar dat er ook andere bewijzen zijn waarop de schuldigverklaring van de eiser I is gesteund, maar verwijst het ook uitdrukkelijk naar de bedoelde verklaringen van E.A. Aldus duidt het arrest niet aan dat de verklaringen van E.A. dermate onbelangrijk zijn dat deze het resultaat van de zaak niet hebben beïnvloed en moet worden aangenomen dat de verklaringen van E.A. mede de beslissing over de schuld van de eiser I hebben bepaald; - het gegeven dat de eiser I tijdens het vooronderzoek en naar aanleiding van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep alle mogelijkheden heeft gehad om zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de verklaringen van E.A. en eventuele strijdigheden daarin kenbaar te maken, vormt als dusdanig geen compenserende factor; - het gegeven dat de eiser I zijn verzoek tot een verhoor onder eed van E.A. slechts voor het eerst in hoger beroep heeft geformuleerd, ook al had hij reeds bij de behandeling in eerste aanleg kennis van het verstek van E.A., is niet relevant. De eiser I verbeurt zijn recht op het (doen) ondervragen niet in hoger beroep, tenzij dit verhoor door het tijdsverloop niet langer mogelijk zou zijn, wat het arrest evenwel niet vaststelt. Het middel is gegrond. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 en 6.3.d EVRM 9. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
  3. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
  4. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 10. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen. 11. Het staat aan de rechter om rekening houdende met het voormelde te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 12. Het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen, de vermelde criteria juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing. 13. Deze regeling is evenwel niet van toepassing indien de tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaring uitgaat van een medebeklaagde die samen met de beklaagde in dezelfde zaak, voor hetzelfde gerecht en in dezelfde aanleg wordt vervolgd voor dezelfde of samenhangende feiten. Bepalingen van nationaal en internationaal recht met rechtstreekse werking verzetten zich dan ertegen dat de medebeklaagde onder eed zou worden gehoord in de strafzaak waarin hijzelf wordt vervolgd. 14. Het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, wordt in een dergelijk geval voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid die de beklaagde heeft om aan de rechter te vragen om op de rechtszitting met de medebeklaagde te worden geconfronteerd en daar alle vragen te stellen of opmerkingen te formuleren ter weerlegging, aanpassing of verduidelijking van de door de medebeklaagde tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende verklaring. 15. Om een dergelijke confrontatie mogelijk te maken moet de rechter alle maatregelen nemen die redelijkerwijze mogelijk zijn om de aanwezigheid van de medebeklaagde op de rechtszitting te bewerkstelligen. Zo kan hij desgevallend de persoonlijke verschijning van de medebeklaagde bevelen, onverminderd diens recht op vertegenwoordiging door een raadsman en diens zwijgrecht. 16. De rechter kan wel rekening ermee houden dat de beklaagde de mogelijkheid heeft gehad om op een vroegere rechtszitting een dergelijke confrontatie te vragen en aan te gaan, maar dat niet heeft gedaan. In dat geval is de afwezigheid van een confrontatie met de medebeklaagde en de mogelijkheid hem te bevragen een gevolg van het eigen stilzitten van de beklaagde. 17. Uit het arrest blijkt dat de eiser III het appelgerecht heeft verzocht om ter rechtszitting te worden geconfronteerd met onder meer de eiser I die als medebeklaagde tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring over hem heeft afgelegd. 18. De eiser I en de eiser III zijn beiden beklaagden die voor dezelfde feiten van de telastleggingen A, B, C, D en E worden vervolgd en hoger beroep instelden tegen hun veroordeling voor deze feiten door de eerste rechters. 19. De appelrechters stellen vast dat de eiser III persoonlijk aanwezig was bij de behandeling van de zaak in hoger beroep en dat de eiser I zich bij die behandeling liet vertegenwoordigen door zijn raadsman. 20. Met het enkele oordeel dat de verklaring van de eiser I ten aanzien van de eiser III weliswaar belastend, maar anderzijds niet doorslaggevend was voor diens schuldigverklaring, alsook dat er voldoende compenserende factoren aanwezig zijn voor het niet kunnen ondervragen van de eiser I als getuige à charge, wijst het arrest het voormelde verzoek van de eiser III af. 21. Aldus wijst het arrest het voormelde verzoek af op grond van een niet-toepasselijke regeling en laat het na de nodige maatregelen te nemen ter verzekering van de persoonlijke aanwezigheid van de eiser I op de rechtszitting of minstens met opgave van redenen vast te stellen dat dit niet mogelijk is. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Middel van de eiser III 22. Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Omvang van de cassatie 23. De cassatie van de beslissingen over het niet horen van de getuigen à charge leidt tot de cassatie van de overige beslissingen op de strafvordering die er uit voortvloeien. De beslissingen over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen van de eiser I, het openbaar ministerie en de eiser III en de bepaling van de saisine van het appelgerecht blijven onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige 24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep II. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser I en de eiser III schuldig verklaart en hen veroordeelt tot straf, de bijdragen, de vergoeding en de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen van de eiser I en de eiser III voor het overige. Veroordeelt de eiser I en de eiser III ieder tot een tiende van de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten van die cassatieberoepen aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Veroordeelt de eiser II tot de kosten van zijn cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 446,05 euro, waarvan de eiser I en III elk 134,75 euro zijn verschuldigd en de eiser II 176,55 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12 Gerelateerde publicatie(
  5. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.