id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7 Rolnummer: P.22.0378.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-12-06 Raadplegingen: 1074 - laatst gezien 2026-06-16 23:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De schorsing van de verjaring van de strafvordering tijdens de buitengewone termijn van verzet vereist een regelmatige betekening van de verstekbeslissing
(1); een mogelijke remediëring van de onregelmatigheid van de betekening door de behandeling op verzet of in hoger beroep doet aan die regel geen afbreuk.
(1)Zie Cass. 14 november 1989, AR nr. 3457, AC 1989-90, nr. 161. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing STRAFVORDERING VERZET Fiche 4 Uit artikel 40, tweede lid, eerste zin, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de betekening van een verstekbeslissing in opdracht van het openbaar ministerie aan de veroordeelde slechts mag gebeuren aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt, indien het openbaar ministerie geen kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde
(1).
(1)Zie Cass. 4 november 2009, AR P.09.0972.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4, AC 2009, nr. 640, RABG 2010, 425, noot F. Van Volsem; Cass. 29 april 2009, AR P.09.0107.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.3, AC 2009, nr. 285, Rev.dr.pén. 2010, afl. 1, 69, RW 2010-11, afl. 25, 1053, noot B. De Smet. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 5 - 7 Of het openbaar ministerie voor de betekening van een verstekbeslissing, kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde, moet worden beoordeeld door na te gaan of het openbaar ministerie redelijkerwijze de nodige stappen heeft gezet om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde te achterhalen
(1); bij die beoordeling kan eveneens de houding van de persoon aan wie moet worden betekend in aanmerking worden genomen, indien die van aard is om het achterhalen van zijn woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats te bemoeilijken of onmogelijk te maken, maar uit het enkele feit dat in een welbepaald strafdossier gegevens voorkomen betreffende de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van een beklaagde, moet niet noodzakelijk worden afgeleid dat het openbaar ministerie dat is belast met de vervolging van deze beklaagde, in een ander strafdossier kennis had of kon hebben van de gegevens uit het eerste strafdossier; de rechter oordeelt rekening houdend met het voorgaande en in het licht van de concrete elementen van de zaak onaantastbaar of het openbaar ministerie kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Zie Cass. 21 november 2019, AR C.18.0547.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191121.1N.7, AC 2019, nr. 616, met concl. van advocaat-generaal A. Van Ingelgem; Cass. 8 oktober 2015, AR C.12.0565.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151008.5, AC 2015, nr. 588, met concl. van advocaat-generaal J.F. Leclercq. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0378.N J H, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Jesse Van den Broeck en mr. Alexander Van Heeschvelde, beiden advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 22 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 21, 22 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 40 Gerechtelijk Wetboek en artikel 68 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat er geen verval is van de strafvordering door verjaring; de feiten dateren van 16 december 2012; de laatste nuttige stuitingsdaad dateert van 19 september 2013 door het verlenen van het verstekvonnis en daarna is de verjaring van de strafvordering verder blijven lopen; de betekening aan de procureur des Konings op 18 oktober 2013 is onbestaande als blijkt dat het parket de woon- of verblijfplaats van de eiser kende of kon kennen; uit de door de eiser voorgebrachte stukken betreffende een hem voorgestelde minnelijke schikking en een uitnodiging tot verhoor blijkt dat de procureur des Konings minstens in de periode van 1 september 2013 tot 19 juni 2014 en dus ook op de datum van de betekening van het verstekvonnis op de hoogte was van de werkelijke verblijfplaats van de eiser, namelijk te 9800 Deinze, Gaversesteenweg
- De schorsing van de verjaring van de strafvordering tijdens de buitengewone termijn van verzet vereist een regelmatige betekening van de verstekbeslissing. Een mogelijke remediëring van de onregelmatigheid van de betekening door de behandeling op verzet of in hoger beroep doet aan die regel geen afbreuk.
- Artikel 40, tweede lid, eerste zin, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Heeft de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt.”
- Uit die bepaling volgt dat de betekening van een verstekbeslissing in opdracht van het openbaar ministerie aan de veroordeelde slechts mag gebeuren op de in die bepaling omschreven wijze indien het openbaar ministerie geen kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde.
- Of het openbaar ministerie die kennis kon hebben, moet worden beoordeeld door na te gaan of het openbaar ministerie redelijkerwijze de nodige stappen heeft gezet om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde te achterhalen.
- Bij die beoordeling kan eveneens de houding van de persoon aan wie moet worden betekend in aanmerking worden genomen, indien die van aard is om het achterhalen van zijn woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats te bemoeilijken of onmogelijk te maken.
- Uit het enkele feit dat in een welbepaald strafdossier gegevens voorkomen betreffende de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van een beklaagde, moet niet noodzakelijk worden afgeleid dat het openbaar ministerie dat is belast met de vervolging van deze beklaagde, in een ander strafdossier kennis had of kon hebben van de gegevens uit het eerste strafdossier.
- De rechter oordeelt rekening houdend met het voorgaande en in het licht van de concrete elementen van de zaak onaantastbaar of het openbaar ministerie kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser op het ogenblik van de betekening op 18 oktober 2013 van het verstekvonnis van 19 september 2013 niet was ingeschreven in de bevolkingsregisters en dat het verstekvonnis werd betekend bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.
- De eiser heeft met verwijzing naar stukken uit een ander strafdossier en met name een door de politie verstuurde uitnodiging naar het adres 9800 Deinze, Gaversesteenweg 97 en het verzoek tot betaling van een minnelijke schikking, voorgehouden dat hij op het ogenblik van de betekening van het verstekvonnis wel degelijk een door het openbaar ministerie gekende verblijfplaats had.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser op het ogenblik van de betekening van het verstekvonnis niet langer was ingeschreven op het adres 9800 Deinze, Gaversesteenweg 97 ingevolge een afvoering wegens verlies van verblijfsrecht en hij pas op 18 maart 2015 opnieuw was ingeschreven, namelijk te 9000 Gent, Einde Were
- Met betrekking tot de door de eiser ingediende documenten oordeelt het enkel dat daaruit niet noodzakelijk de nietigheid van de betekening van het verstekvonnis kan worden afgeleid indien de eiser door het ontvankelijk verklaren van het verzet zijn rechten ten volle heeft kunnen benutten. Het onderzoekt evenwel niet of in het licht van de door de eiser aangebrachte stukken het openbaar ministerie op de datum van de betekening kennis had of kon hebben van de verblijfplaats van de eiser. De beslissingen dat de betekening van het verstekvonnis rechtsgeldig was en de verjaring van de strafvordering is blijven lopen, zijn dan ook niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing over de regelmatigheid van de betekening van het verstekvonnis en de verjaring van de strafvordering, leidt tot de vernietiging van de overige beslissingen van het bestreden vonnis, die er een gevolg van zijn. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 22 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240507.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151008.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191121.1N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251015.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div