id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.4 Rolnummer: F.22.0016.N Zaak: T. contra BELGISCHE STAAT, MINISTER VAN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 1020 - laatst gezien 2026-06-18 11:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.4 Fiche 1 Een bewijskrachtig gegeven in de zin van artikel 358, § 1, 4°, WIB92, is een bekend, vaststaand en onbetwist feit dat, zonder dat verder onderzoek nodig is, op zich of in combinatie met elementen waarover de administratie al beschikt, uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven; een feit dat door de belastingplichtige wordt aangebracht kan een dergelijk bewijskrachtig gegeven vormen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Bijzondere aanslagtermijn - Bewijskrachtige gegevens - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 Fiche 2 De omstandigheid dat de boekhouding in haar geheel als ongeloofwaardig wordt verworpen, staat niet eraan in de weg dat elementen uit deze boekhouding als bewijskrachtig gegeven worden beschouwd
(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Bijzondere aanslagtermijn - Bewijskrachtige gegevens - Niet aangegeven belastbare inkomsten - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0016.N P. T., eiser, met als raadslieden mr. Vincent Vercauteren, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen, Grotesteenweg 214, bus 4, waar de eiser woonplaats kiest, en mr. Sophie Lippens, advocaat bij de balie Dendermonde, met kantoor te 9320 Erembodegem, Industrielaan 4, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-Directeur KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 106, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 29 juni
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 27 oktober 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 358, § 1, 4°, WIB92 mag de belasting of aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bepaalde termijn is verstreken, ingeval bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die gegevens. Een bewijskrachtig gegeven in de zin van deze wetsbepaling is een bekend, vaststaand en onbetwist feit dat, zonder dat verder onderzoek nodig is, op zich of in combinatie met elementen waarover de administratie al beschikt, uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Een feit dat door de belastingplichtige wordt aangebracht kan een dergelijk bewijskrachtig gegeven vormen. De omstandigheid dat de boekhouding in haar geheel als ongeloofwaardig wordt verworpen, staat niet eraan in de weg dat elementen uit deze boekhouding als bewijskrachtig gegeven worden beschouwd.
- Het onderdeel dat geheel berust op de veronderstelling dat een door een belastingplichtige zelf opgestelde, gecorrigeerde indiciaire afrekening geen bewijskrachtig gegeven kan uitmaken wanneer de boekhouding van die belastingplichtige door de administratie als ongeloofwaardig werd verworpen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het is niet tegenstrijdig enerzijds te oordelen dat de door de eiser overgemaakte gecorrigeerde indiciaire afrekening een bewijskrachtig gegeven is voor de toepassing van artikel 358, § 1, 4°, WIB92 en anderzijds te oordelen dat de door de eiser aangevoerde elementen ter verantwoording van die indiciaire afrekening niet kunnen worden aanvaard. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- De eiser heeft in zijn syntheseappelconclusie van 30 april 2021 aangevoerd dat de elementen waarop de administratie zich meent te mogen steunen en aanneemt als indicie, op zichzelf genomen bewijskrachtig en controleerbaar dienen te zijn, dat de elementen waarop de administratie zich in casu steunt, met name de door de eiser overgemaakte indiciaire afrekeningen, op zichzelf genomen niet bewijskrachtig en controleerbaar zijn en dat het aanvaarden van de stijging van de openstaande klanten en de daling van openstaande leveranciers als indicie dan ook willekeur uitmaakt.
- De appelrechter oordeelt dat de gecorrigeerde indiciaire afrekening die door de voormalige raadsman van de eiser was opgesteld in antwoord op het bericht van wijziging van aangifte voor aanslagjaar 2014 waaruit een daling van openstaande klanten ten bedrage van 211.289,75 euro blijkt die als begintoestand per 1 januari 2013 in aanmerking wordt genomen en de gecorrigeerde indiciaire afrekening die door de voormalige raadsman van de eiser was opgesteld voor aanslagjaar 2013 waaruit een stijging van de openstaande klanten ten bedrage van 86.658,24 euro blijkt, een bekend, vaststaand en onbetwistbaar feit uitmaakt dat, zonder dat verder onderzoek nodig is, op zich uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Met die redenen beantwoordt de appelrechter het verweer van de eiser dat het aannemen van de stijging van de openstaande klanten en de daling van openstaande leveranciers als indicie willekeur uitmaakt. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 365,38 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 25 november 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231026.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240620.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div