id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.6 Rolnummer: F.21.0135.N Zaak: BELGISCHE STAAT FINANCIËN contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 1200 - laatst gezien 2026-06-18 15:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.6 Fiche Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de administratie het recht op aftrek niet ma g weigeren louter omdat op een factuur niet alle vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, indien vaststaat dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Uitoefening recht op aftrek - Vermeldingen op een factuur - Materiële en formele voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr. 3 van 10 december 1969 - 3 - 10-12-1969 - Art. 3, § 1, 1° - 31 Link Justel databank 19691210-31 KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde - 1 - 29-12-1992 - Art. 5, § 1 - 48 ELI link Pub nr 1992003823 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0135.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, Directeur KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 106, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S. H., verweerder, met als raadslieden mr. Bart Smets en mr. Annemiek Lewandowski, advocaten bij de balie Limburg, beiden met kantoor te 3600 Genk, Henry Fordlaan 47, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 oktober
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 27 oktober 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 45, § 1, Btw-wetboek mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van: 1° belaste handelingen; 2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42; 3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden; 4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap; 5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 3, § 1, 1°, koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van belasting over de toegevoegde waarde moet de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2, en 53decies, § 2, van het Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat: - het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel vormt, een integrerend deel van de btw-regeling is, in beginsel niet kan worden beperkt en onmiddellijk wordt uitgeoefend voor alle belasting die op in eerdere stadia verrichte handelingen heeft gedrukt; - de aftrekregeling tot doel heeft de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw en het gemeenschappelijk btw-stelsel bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten waarborgt, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan btw zijn onderworpen; - met betrekking tot de materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat het recht op btw-aftrek ontstaat, ten eerste, geldt, dat de betrokkene een belastingplichtige in de zin van de btw-richtlijn moet zijn en, ten tweede, de goederen of diensten waarvoor op dat recht aanspraak wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium moeten zijn gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige moeten zijn geleverd of verricht; - wat de formele voorwaarden voor de uitoefening van dit recht betreft, de belastingplichtige in het bezit moet zijn van een overeenkomstig de bepalingen van titel XI, hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 6, Richtlijn 2006/112 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna de btw-richtlijn) opgestelde factuur; - het basisbeginsel van neutraliteit van de btw verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden; - wanneer de belastingdienst over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, hij bijgevolg voor het recht van de belastingplichtige op aftrek van die belasting geen nadere voorwaarden mag stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd; - dit anders kan liggen wanneer de niet-naleving van dergelijke formele vereisten tot gevolg heeft dat wordt verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan; - de belastingdienst het recht op aftrek bijgevolg niet mag weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet voldoet aan de door artikel 226, punt 6 en 7, btw-richtlijn gestelde voorwaarden indien hij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dat recht.
- Uit voormelde rechtspraak volgt aldus kennelijk dat de administratie het recht op aftrek niet mag weigeren louter omdat op een factuur niet alle vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, indien vaststaat dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan.
- In zijn arrest van 21 oktober 2021, C-80/20, Wilo Salmson France SAS, r.o. 72 e.v. heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie vervolgens, met verwijzing naar die vaste rechtspraak, geoordeeld dat: - het recht op btw-aftrek krachtens artikel 167 btw-richtlijn weliswaar ontstaat op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is, maar volgens artikel 178 van die richtlijn in beginsel pas kan worden uitgeoefend wanneer de belastingplichtige in het bezit is van een factuur; - het voor de uitoefening van het recht op aftrek noodzakelijk is dat de belastingplichtige in het bezit is van de factuur voor de aankopen van de betrokken goederen of diensten, aangezien artikel 178, a), btw-richtlijn bepaalt dat de belastingplichtige, om de in artikel 168, a), van die richtlijn bedoelde aftrek met betrekking tot goederenleveringen en diensten te kunnen toepassen, in het bezit moet zijn van een overeenkomstig de bepalingen van titel XI, hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 6, van die richtlijn opgestelde factuur; - artikel 218 de btw-richtlijn bovendien preciseert dat de lidstaten ieder document of bericht op papier of in elektronisch formaat dat aan de in hoofdstuk 3 van titel XI vastgestelde voorwaarden voldoet, als factuur aanvaarden; - bijgevolg alleen wanneer een document dusdanige gebreken vertoont dat het de nationale belastingdienst niet de gegevens verstrekt die een btw-aftrek kunnen staven, kan worden geoordeeld dat een dergelijk document geen ‘factuur’ in de zin van de btw-richtlijn is, waardoor de belastingplichtige het recht op aftrek niet kon uitoefenen toen hij die factuur ontving.
- Uit voormelde rechtspraak volgt aldus kennelijk dat een stuk dat naar aanleiding van de levering van bepaalde goederen en diensten wordt opgesteld, als een factuur in zin van de artikelen 53, § 2, en 53decies, § 2, Btw-wetboek moet worden beschouwd, mits de vermeldingen op dat stuk de administratie alle gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn om te beoordelen of aan de materiële voorwaarden voor btw-aftrek van artikel 45, § 1, Btw-wetboek is voldaan.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - sub I van de beslissing tot naheffing de aftrek verwerpt van een aantal leveringen en diensten omdat de verweerder niet in het bezit is van een regelmatige factuur, invoerdocument of ander stuk en in het bijzonder de aftrek wordt verworpen omdat het voorgelegde stavingstuk
(1)een kassaticket betrof,
(2)een tankticket,
(3)een factuur waarop niet alle voorgeschreven vermeldingen waren aangebracht,
(4)een stuk uitgereikt door Domeinen Roerende Zaken een Nederlandse rechtspersoon, waarvoor enkel de bijzondere aangifte bedoeld in koninklijk besluit nr. 46 recht op aftrek zou verlenen,
(5)een stuk uitgereikt door de Belgische Defensie die niet over een Belgisch btw-nummer beschikt en
(6)omdat geen stavingstuk werd voorgelegd; - de aftrek in de beslissing tot naheffing enkel werd verworpen omdat niet aan de formele voorwaarden voor de uitoefening ervan is voldaan en in de beslissing tot naheffing niet wordt aangegeven dat niet aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek zou zijn voldaan, met name omdat niet het bewijs zou zijn geleverd dat de betrokken goederen en diensten werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen in de zin van artikel 45, § 1, Btw-wetboek; - het gegeven dat de aftrek in de beslissing tot naheffing om formele redenen werd verworpen, echter niet inhoudt dat het recht op aftrek sowieso is verworven ten aanzien van de inbreuken sub I en dat niet meer zou moeten worden nagegaan of aan de materiële voorwaarden is voldaan aan de hand van de voorliggende stukken; - uit het onderzoek van de stukken die het hof van beroep voor de goederen en diensten sub I van de beslissing tot naheffing werden voorgelegd, dient te worden vastgesteld, met inachtneming van de beroepswerkzaamheid van de verweerder als handelaar in tweedehands voertuigen, dat wel is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek voor de goederen en diensten die betrekking hebben op de activiteit van de handelaar in tweedehands voertuigen, vermits de betrokken goederen en diensten brandstofkosten en aankoopkosten bij bedrijven die auto-onderdelen en –toebehoren verkopen, betreffen, voor de aankoopfacturen uit de voorgelegde stukken en facturen blijkt dat deze eveneens aankopen betreffen van goederen die kaderen binnen de beroepsactiviteit van de verweerder als autohandelaar en geacht worden voor de uitoefening van diens beroepswerkzaamheid te worden gebruikt en ook voor de aankoop van het voertuig bij de Nederlandse Domeinen Roerende Zaken aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan; - voor de overige goederen en diensten opgenomen in de beslissing tot naheffing sub I niet kan worden vastgesteld of aan de materiële voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, ofwel bij gebrek aan stavingstukken, ofwel omdat uit de voorgelegde stukken niet kan worden afgeleid of de goederen en diensten werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen in de zin van artikel 45, § 1, Btw-wetboek; - wat de aankoop bij de Belgische Defensie betreft, niet is aangetoond dat btw werd aangerekend door de verkoper. 7. De appelrechters die op die gronden beslissen dat het recht op aftrek terecht werd verworpen voor een bedrag van 2.122,02 euro en het recht op aftrek dient te worden toegestaan voor een bedrag van 8.048,59 euro, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 566,98 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 25 november 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div