id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 54
Fiches 5 - 7 De rechter beoordeelt in het licht van de gegevens van de zaak welke feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt en of die feiten identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëindigd met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling; daarbij moet de rechter acht slaan op de feitelijke gedragingen en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft; dit dubbel onderzoek van de hem voorgelegde en de eerder berechte feiten maakt deel uit van de onaantastbare beoordeling door de feitenrechter; noch het gegeven dat de feiten van de eerdere en van de nieuw te beoordelen strafvervolging in de tijd deels overlappend zijn noch het gegeven dat bepaalde personen zowel bij de eerste als bij de nieuw te beoordelen strafvervolging betrokken zijn, verplichten de feitenrechter aan te nemen dat de eerdere en de nieuw te beoordelen strafvervolging identieke of substantieel dezelfde feiten betreft; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 14 september 2022, AR P.22.0430.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220914.2F.5, AC 2022, nr. 534 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 6 januari 2021, AR P.20.0028.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210106.2F.9, AC 2022, nr. 8 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 2 juni 2020, P.20.0184.N, arrest niet gepubliceerd; T. Strafr. 2020, 425; Cass. 4 juni 2019, AR P.18.0407.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.1, AC 2019, nr.
- Zie ook G. STESSENS en T. ONGANA, “Extraterritorialiteit en het ne bis in idem-beginsel”, in Strafprocesrecht en extraterritorialiteit, Die Keure, 2002, 91-125; N. AUDENAERT, “Het ne bis in idem beginsel en eenheid van opzet: een goed huwelijk?”, T. Strafr. 2018, 262-280; S. BERNEMAN, “(Totale of gedeeltelijke) opslorping in Europees verband: never ending story van een moeizame integratie”, T. Strafr. 2020, 415-421; P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem-beginsel, Intersentia, 2021, 27-48; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 256-266; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 866 en 889-
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -
Art. 54
Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG INZAKE ECONOMISCHE SOCIALE EN CULTURELE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -
Art. 54
Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -
Art. 54Tekst van de beslissing Nr.
P.22.0872.N I F A M W, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. II J V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 juni
- De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest zijn gehecht, twee dezelfde middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR, artikel 50 Handvest Grondrechten EU, artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het door de eisers in hun appelconclusie aangevoerde verweer dat de ten laste gelegde feiten een onlosmakelijk geheel vormen door hun samenhang in tijd en ruimte en naar voorwerp met reeds door een Nederlands vonnis beoordeelde feiten; het oordeel van het arrest dat het niet om dezelfde feiten gaat, is niet naar recht verantwoord, nu de samenhang van de telastleggingen naar tijd en ruimte duidelijk blijkt uit de redenen zelf van het arrest, die daardoor tegenstrijdig zijn; het arrest stelt een hele reeks materiële elementen van samenhang in tijd en ruimte en naar voorwerp vast, maar oordeelt dat er geen enkel verband is.
- Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij reeds is vrijgesproken. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw mag worden berecht in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat. Uit de tekst van die bepalingen volgt dat ze niet van toepassing zijn bij een vervolging voor een Belgisch gerecht na een veroordeling door een buitenlands gerecht. In zoverre het middel de schending van deze bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.
- Artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst bepaalt: “Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een Overeenkomstsluitende Partij is berecht, kan door een andere Overeenkomstsluitende Partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende Overeenkomstsluitende Partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.”
- Uit deze bepaling volgt dat een tweede vervolging in een Schengen-land verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging in een ander Schengen-land heeft geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op dezelfde persoon en op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van het veroordelende Schengen-land niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.
- Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte of naar voorwerp of aard met elkaar verbonden zijn.
- De rechter beoordeelt in het licht van de gegevens van de zaak welke feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt en of die feiten identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëindigd met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling. Daarbij moet de rechter acht slaan op de feitelijke gedragingen en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft.
- Dit dubbel onderzoek van de hem voorgelegde en de eerder berechte feiten maakt deel uit van de onaantastbare beoordeling door de feitenrechter.
- Noch het gegeven dat de feiten van de eerdere en van de nieuw te beoordelen strafvervolging in de tijd deels overlappend zijn noch het gegeven dat bepaalde personen zowel bij de eerste als bij de nieuw te beoordelen strafvervolging betrokken zijn, verplichten de feitenrechter aan te nemen dat de eerdere en de nieuw te beoordelen strafvervolging identieke of substantieel dezelfde feiten betreft.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - de eisers argumenteren dat de feiten van de telastlegging A met incriminatieperiode zoals herleid door de eerste rechters enerzijds en de lastens hen met het vonnis van de rechtbank van Oost-Brabant van 4 januari 2018 bewezen verklaarde feiten waarvoor hij middels voormeld vonnis werd bestraft anderzijds, “dezelfde feiten” betreffen in de zin van artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst; - lezing van het overgelegde vonnis van de rechtbank van Oost-Brabant toont aan dat het niet gaat om “dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst; - de feiten van de telastlegging A met incriminatieperiode zoals herleid door de eerste rechters vonden plaats op een andere locatie, in het kader van een vereniging die vreemd is aan de mededaders van de eisers voor wat betreft de in het Nederlandse vonnis bewezen verklaarde feiten, en binnen een verschillend tijdsbestek; - de feiten die in het Nederlandse vonnis bewezen werden verklaard, deden zich voor in Rotterdam, Moergestel, Oud-Turnhout en Merksplas; deze locaties zijn op geen enkele wijze in verband te brengen met de locatie van de feiten van de telastlegging A, te weten Dilsen-Stokkem; - uit het Nederlandse vonnis blijkt dat geen van de andere beklaagden bij de bewezen verklaarde feiten door het Nederlandse vonnis betrokken was, de eiser II uitgezonderd, die in de Nederlandse zaak ook de rechterhand was van de eiser I; - de personen die in het voorliggend dossier de vereniging uitmaakten betrokken bij de feiten van de telastlegging A met incriminatieperiode zoals herleid door de eerste rechters, zijn derhalve niet in verband te brengen met de mededaders van de eiser I voor wat betreft de feiten die in het Nederlandse vonnis werden beoordeeld; - de incriminatieperiode voor de feiten van de telastlegging A zoals herleid door de eerste rechters en deze waarbinnen de bewezen verklaarde feiten van het Nederlandse vonnis werden gepleegd, is grotendeels niet overlappend; de bewezen verklaarde feiten in het Nederlandse vonnis situeerden zich tussen 16 september 2015 en 4 april 2016; de door de eerste rechters herleide incriminatieperiode strekt zich uit van 30 juni 2015 tot 1 oktober 2015, het laatste feit gepleegd zijnde op 30 september 2015; de in het Nederlandse vonnis beoordeelde feiten kenden als het ware hun aanvang voor het aflopen van de incriminatieperiode voor de telastlegging A, zoals herleid door de eerste rechters; - of een gedeelte van het materiaal dat de eiser I in Dilsen-Stokkem gebruikte door de eiser II vanuit de loods te Merksplas naar daar was gebracht of niet, zoals de eiser II aanvankelijk blijkt te hebben verklaard, verklaring die hij later introk, doet daaraan niets af; - op grond van de regelmatig voorgelegde gegevens wordt vastgesteld dat de eiser I als zogenaamde “kok” (producent van synthetische drugs) actief was voor wie hem daarvoor wilde inschakelen; hij bracht in zijn kielzog de eiser II als hulp met zich mee, alsook allicht een aantal materialen; - dat neemt evenwel niet weg dat de feiten te Dilsen-Stokkem los staan van de in het Nederlandse vonnis beoordeelde feiten, die werden gepleegd binnen een ander tijdsbestek, op andere locaties en voor of met andere personen dan de feiten te Dilsen-Stokkem. - al deze elementen in overweging genomen, maken de feiten die het voorwerp van het Nederlandse vonnis uitmaakten, en de feiten van de telastlegging A dus geen geheel van concrete omstandigheden uit die naar tijd, plaats en voorwerp onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Op grond van deze redenen, die niet tegenstrijdig zijn, kan het arrest wettig oordelen dat de feiten die het voorwerp van het Nederlandse vonnis uitmaakten en de feiten van de telastlegging A geen geheel van concrete omstandigheden uitmaken die naar tijd, plaats en voorwerp onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het arrest alsook beantwoordt en verwerpt aldus ook het ter zake door de eisers gevoerde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 van het Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juni 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (hierna Kaderbesluit 2008/675/JBZ), artikel 149 Grondwet en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet eisers in appelconclusie aangevoerde verweer dat de opgelegde straf, in het licht van de reeds uitgesproken veroordeling in Nederland, niet onevenredig hard mag zijn en of dat de straf moet worden gematigd indien dit het geval zou zijn.
- Het arrest oordeelt dat bij gebreke van een overschrijding van de redelijke termijn en indien geen rekening zou worden gehouden met het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, aan de eiser I een hoofdgevangenisstraf van zes jaar en aan de eiser II een hoofdgevangenisstraf van vijftig maanden zou zijn opgelegd. Het legt aan de eisers I en II respectievelijk een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en van 49 maanden op. Aldus neemt het arrest de in Nederland uitgesproken veroordeling mee in aanmerking bij het bepalen van de strafmaat en matigt het mede ingevolge de door het vonnis van de Nederlandse rechtbank Oost-Brabant opgelegde bestraffing de thans aan de eisers opgelegde straffen, zonder dat het nader diende in te gaan op het door het middel bedoelde verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding van de eiser I
- Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep van de eiser I tegen de beslissing op de strafvordering, verkrijgt deze beslissing kracht van gewijsde. Het cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser I wordt bevolen, heeft derhalve geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 376,81 euro, waarvan de eiseres I 188,40 euro is verschuldigd en de eiser II 188,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210106.2F.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220914.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div