← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.10 Rolnummer: P.22.1314.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 787 - laatst gezien 2026-06-15 07:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De aanbevelingen van Sciensano houden geen protocol in zoals bedoeld in de artikelen 1, 3°, en 4 MB 30 juni 2020 en de artikelen 1, 3°, en 5 MB 18 oktober 2020, noch minimale algemene regels in de zin van artikel 4, eerste lid, MB 30 juni 2020 en artikel 5, eerste lid, MB 18 oktober 2020. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182 en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 30-06-2020 - Artt. 1, 3°, en 4 - 02 ELI link Pub nr 2020042036 MB 18 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 18-10-2020 - Artt. 1, 3°, en 5 - 01 ELI link Pub nr 2020031557 Fiches 2 - 3 Uit de aanhef van het MB van 30 juni 2020 en het MB van 18 oktober 2020 volgt dat de verplichting om een mondmasker tegen te gaan, in de periode voorafgaand aan de wet van 14 augustus 2021, geen disproportionele inbreuk op het privéleven inhoudt

(1)
(2).
(1)Over de toelaatbaarheid van de Covid 19-noodmaatregelen op basis van de Wet Civiele Veiligheid zie Cass. 10 november 2021, AR P.21.0931.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3, AC 2021, nr. 718; Cass. 28 september 2021, AR P.21.1129.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16, AC 2021, nr. 594 met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, RW 2021-22, 364, JLMB 2021, 1766, RDPC 2022, 59 noot M.-F. RIGAUX; GwH 22 september 2022, arrest 109/2022, www.const-court.be.
(2)Artt. 1, 3°, en 4 MB 30 juni 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet van 14 augustus
  1. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182 en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 30-06-2020 - Artt. 1, 3°, en 4 - 02 ELI link Pub nr 2020042036 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182 en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 30-06-2020 - Artt. 1, 3°, en 4 - 02 ELI link Pub nr 2020042036 Nota: Artt. 1, 3°, en 4 MB 30 juni 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet van 14 augustus
  2. Tekst van de beslissing Nr. P.22.1314.N C J T C, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Michael Verstraeten, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 14 juli
  3. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 182 en 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid (hierna Wet Civiele Veiligheid), de artikelen 1, 4, 5 en 22 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna MB 30 juni 2020) en de artikelen 1, 5 en 29 van het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna MB 18 oktober 2020), alsook miskenning van de vermelding op de website van Sciensano van punt 4.1.2 met betrekking tot chirurgische mondmaskers: de veroordeling van de eiseres omdat zij als arts geen mondmasker heeft gedragen, is niet naar recht verantwoord; rechtsonderhorigen zijn niet ertoe gehouden zelf na te gaan of een bevoegde overheidsdienst een protocol met na te leven beschermingsmaatregelen heeft bekendgemaakt; de website van Sciensano vermeldt dat er geen verplichting is om mondmaskers te dragen; chirurgische mondmaskers zijn voor artsen aldus slechts aanbevolen en niet verplicht; de eiseres heeft voor de appelrechters ook stukken voorgelegd van haar beroepsfederatie en van de universiteit waaruit blijkt dat deze instellingen eveneens van oordeel waren dat uit de vermelding op de website van Sciensano blijkt dat er een aanbeveling maar geen verplichting was tot het dragen van een mondmasker.
  5. Het middel specificeert niet waarom het bestreden vonnis artikel 5 MB 30 juni 2020 schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  6. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres wegens inbreuken op artikel 4, tweede lid, 3°, MB 30 juni 2020 en artikel 5, tweede lid, 3°, MB 18 oktober 2020 en niet wegens miskenning van de richtlijnen van Sciensano, waarvan het oordeelt dat deze niet voldoen aan de omschrijving van een protocol of van “op de website van de bevoegde overheidsdienst bekendgemaakte minimale algemene regels” in de zin van artikel 4, eerste lid, MB 30 juni 2020 en artikel 5, eerste lid, MB 18 oktober
  7. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 182 en 187, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid, artikel 4 van de wet van 25 februari 2018 tot oprichting van Sciensano, de artikelen 1, 4, 5 en 22 MB 30 juni 2020 en de artikelen 1, 5 en 29 MB 18 oktober 2020: met het oordeel dat de richtlijnen op de website van Sciensano niet voldoen aan de omschrijving van een protocol of van op de website van de bevoegde overheidsdienst bekendgemaakte minimale algemene regels in de zin van artikel 4, eerste lid, MB 30 juni 2020 en artikel 5, eerste lid, MB 18 oktober 2020, verantwoorden de appelrechters de veroordeling van de eiseres wegens het niet dragen van een mondmasker niet naar recht; Sciensano is een overheidsdienst die bij uitstek bevoegd is om gedragsregels te bepalen; de op de website van Sciensano gepubliceerde regels moeten worden beschouwd als een protocol in de zin van artikel 1, 3°, MB 30 juni 2020 en artikel 1, 3°, MB 18 oktober
  9. Het middel specificeert niet waarom het bestreden vonnis artikel 5 MB 30 juni 2020 schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  10. Volgens artikel 1, 3°, MB 30 juni 2020 en artikel 1, 3°, MB 18 oktober 2020 moet voor de toepassing van die besluiten onder een “protocol” worden verstaan: “het document bepaald door de bevoegde minister in overleg met de betrokken sector dat de regels bevat die de ondernemingen en verenigingen van de bedoelde sector dienen toe te passen bij de uitoefening van hun activiteiten”.
  11. Artikel 4 van de wet van 25 februari 2018 tot oprichting van Sciensano, zoals hier van toepassing, bepaalt: “§
  12. Sciensano vervult op het federale, gewestelijke en gemeenschapsniveau, alsmede op het Europese en internationale niveau, geheel of gedeeltelijk de volgende opdrachten inzake gezondheid: 1° adviezen aan de overheden bevoegd voor gezondheid verlenen; 2° wetenschappelijk onderzoek; 3° wetenschappelijke expertise; 4° klinisch onderzoek ondersteunen; 5° de certificatie van laboratoria en van de gedragscodes van laboratoria; 6° experimentele ontwikkeling; 7° risicobeoordeling; 8° bewaring en valorisatie van haar wetenschappelijk patrimonium of dienstverlening aan derden. Deze opdrachten worden op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitgevoerd. Zij vervult ook taken van openbare dienst die verbonden zijn aan de opdrachten bedoeld in het eerste lid. §
  13. De opdracht van Sciensano is het ondersteunen van het gezondheidsbeleid door wetenschappelijk onderzoek, expertadvies en dienstverlening, met name door: 1° op wetenschappelijke basis aanbevelingen te formuleren voor een pro-actief gezondheidsbeleid, in functie van de prioriteiten op het federale, gewestelijke en gemeenschapsniveau alsmede op het Europese en internationale niveau; 2° binnen een kwaliteitssysteem bijdetijdse expertmethodes te ontwikkelen, te evalueren en toe te passen om de stand en ontwikkeling van de gezondheid en de gezondheidszorg in te schatten, en 3° geavanceerde oplossingen uit te werken voor de diagnose, preventie en behandeling van ziekten en voor de identificatie en preventie van andere gezondheidsrisico's. §
  14. Sciensano heeft ook vormingsopdrachten, zoals de vorming van doctorandi en bijzondere vormingen betreffende de expertise van Sciensano en kan in dit kader doctoraatsbeurzen toekennen. §
  15. Sciensano staat, met inachtneming van de ter zake toepasselijke wetten, in voor de behandeling, daarin inbegrepen de verzameling, validering, analyse, rapportering en archivering van gegevens van persoonlijke aard, met name met betrekking tot de volksgezondheid of in verband met de gezondheid en andere wetenschappelijke informatie met betrekking tot het gezondheidsbeleid. Sciensano maakt daartoe kwantitatieve en kwalitatieve wetenschappelijke analyses op basis van de verwerkte informatie ter ondersteuning van het gezondheidsbeleid. Sciensano kan ook verwerkte gegevens en informatie ter beschikking stellen met toestemming van de bevoegde sectorale comités. §
  16. Om de samenhang en de efficiëntie van de opdrachten van Sciensano te bewaren, met name in het licht van toekomstige ontwikkelingen inzake gezondheid, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bijkomende opdrachten toevertrouwen aan Sciensano die betrekking hebben op de opdrachten bedoeld in dit artikel.”
  17. De aanbevelingen van Sciensano houden geen protocol in zoals bedoeld in de artikelen 1, 3°, en 4 MB 30 juni 2020 en de artikelen 1, 3°, en 5 MB 18 oktober 2020, noch minimale algemene regels in de zin van artikel 4, eerste lid, MB 30 juni 2020 en artikel 5, eerste lid, MB 18 oktober
  18. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
  19. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet: het bestreden vonnis verantwoordt de veroordeling van de eiseres wegens het niet dragen van een mondmasker niet naar recht; de appelrechters konden zich niet beperken tot het oordeel dat de publicatie op de website van Sciensano geen rechtsnorm inhoudt op grond waarvan een gedraging strafbaar kan worden gesteld, zonder ook de minimale regels, bepaald in artikel 4, tweede lid, MB 30 juni 2020 en artikel 5, tweede lid, MB 18 oktober 2020 buiten beschouwing te laten; die regels gelden immers slechts wanneer er geen minimale regels werden opgenomen in protocollen of gidsen van de bevoegde overheidsdienst. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 14 Grondwet, de artikelen 182 en 187, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid, de artikelen 1, 4, 5 en 22 MB 30 juni 2020 en de artikelen 1, 5 en 29 MB 18 oktober 2020: de appelrechters verantwoorden de bestraffing van de eiseres wegens het niet dragen van een mondmasker niet naar recht; de strafwet dient voorzienbaar te zijn; de eiseres heeft zich gedragen naar een regel die werd gepubliceerd door de overheid en werd verschalkt omdat die regel nadien nietig of buiten toepassing werd verklaard.
  20. Het middel gaat er in zijn beide onderdelen van uit dat de appelrechters de richtlijnen van Sciensano nietig verklaren. Het bestreden vonnis bevat dit oordeel niet. Het oordeelt wel dat de richtlijnen van Sciensano geen rechtsnormen zijn met kracht van wet en niet voldoen aan de omschrijving van een protocol of van “op de website van de bevoegde overheidsdienst bekendgemaakte minimale algemene regels” in de zin van artikel 4, eerste lid, MB 30 juni 2020 en artikel 5, eerste lid, MB 18 oktober
  21. Het veroordeelt de eiseres vervolgens louter wegens inbreuken op artikel 4, tweede lid, 3°, MB 30 juni 2020 en artikel 5, tweede lid, 3°, MB 18 oktober
  22. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM: het bestreden vonnis verantwoordt de veroordeling van de eiseres wegens het niet dragen van een mondmasker niet naar recht; de maatregel die het dragen van een mondmasker verplicht houdt een disproportionele inbreuk op het privéleven in; de Belgische Staat heeft de efficiëntie van die maatregel nooit behoorlijk onderzocht; gelet op de publicaties van de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna WHO) was er tijdens de vervolgde periode reeds voldoende kennis over de werking van mondmaskers en hun effectiviteit; er werd nooit gezocht naar de mogelijkheid van alternatieve maatregelen die een mindere inperking van de mensenrechten inhielden; ook Sciensano en de universiteit van Leuven achtten een mondmasker louter “aangeraden” en niet verplicht; door louter het overheidsstandpunt te bevestigen dat mondmaskers efficiënt zijn, sluiten de appelrechters een mogelijke rechterlijke controle uit.
  24. Het bestreden vonnis (p. 12-15) oordeelt over de proportionaliteit van de maatregel die het dragen van een mondmasker verplicht, als volgt: - de eiseres werpt op dat bij gebreke aan afdoende hoogkwalitatieve wetenschappelijke bewijsvoering over de werking van de mondmaskers, de mondmaskerverplichting een disproportionele en onrechtmatige inperking inhield van het recht op het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM; - de vraag of de COVID-maatregelen, waaronder de mondmaskerplicht zoals bepaald door het MB 30 juni 2020 en het MB 18 oktober 2020 evenredig waren aan de beperkingen van de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers, valt uiteen in drie subvragen: 1) Waren de maatregelen adequaat en droegen ze wel bij tot de volksgezondheid? 2) Waren ze noodzakelijk of had de overheid minder ingrijpende maatregelen kunnen nemen? 3) Werd er een “fair balance” bereikt tussen de zorg voor de volksgezondheid enerzijds en het respect voor de grondrechten, onontbeerlijk voor een menswaardig leven, anderzijds? - in de aanhef van het MB 30 juni 2020 werd bij het nemen van de beschermingsmaatregelen onder meer rekening gehouden met de volgende gegevens en overwegingen: - het voorzorgsbeginsel in het kader van het beheer van internationale gezondheidscrisissen overeenkomstig artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat inhoudt dat, wanneer een ernstig risico hoogstwaarschijnlijk werkelijkheid zal worden, het aan de overheid is om dringende en voorlopige maatregelen te nemen; - de verklaring van de WHO omtrent de karakteristieken van coronavirus COVID-19 met betrekking tot de besmettelijkheid en het sterfterisico, de kwalificatie van het coronavirus COVID-19 als een pandemie op 11 maart 2020 door de WHO en het in dit verband uitroepen op 16 maart 2020 van het hoogste dreigingsniveau dat het coronavirus COVID-19 de wereldeconomie destabiliseert en zich snel verspreidt over de wereld; - de verspreiding van het coronavirus COVID-19 op het Europees en het Belgisch grondgebied, en de blijvende stijging van het totale aantal besmettingen; de urgentie en het risico voor de volksgezondheid die het coronavirus COVID-19 met zich meebrengt voor de Belgische bevolking; - de vaststelling dat het coronavirus COVID-19 een infectieziekte is die meestal longen en luchtwegen treft, en die zich via de lucht lijkt over te dragen van mens op mens; de vaststelling dat de overdracht van de ziekte lijkt plaats te vinden via alle mogelijke emissies via de mond en de neus; - de vaststelling dat het gevaar zich uitstrekt over het gehele nationale grondgebied en dat coherente maatregelen voor de handhaving van de openbare orde van algemeen belang zijn; - het verslag van 22 april 2020 van de GEES (Groep van Experts belast met de Exit Strategy) dat een gefaseerde aanpak voor het geleidelijk afbouwen van de maatregelen bevat en dat voornamelijk gebaseerd is op drie essentiële aspecten, met name het dragen van een mondmasker, testing en tracing, waarbij het verslag een evenwicht tracht te verzekeren tussen het behoud van de gezondheid, zij het fysiek of mentaal, het vervullen van pedagogische opdrachten op vlak van onderwijs en de heropstart van de economie; - dat het dragen van een mondmasker of van elk ander alternatief in stof een belangrijke rol speelt in de strategie om de maatregelen geleidelijk af te bouwen; dat het dragen van mondmaskers dan ook wordt aanbevolen voor elke situatie waarin de regels van social distancing niet kunnen worden nageleefd om verdere verspreiding van het virus tegen te gaan; dat het louter gebruik van een masker echter niet volstaat en dat het steeds gepaard moet gaan met de andere preventieve maatregelen; dat hygiëne-maatregelen essentieel blijven en dat ruimtes voldoende verlucht moeten worden. - ook in de aanhef van het MB 18 oktober 2020 werden met betrekking tot de verderzetting van een mondmaskerverplichting, volgende gegevens mee in overweging genomen: - dat het coronavirus COVID-19 een infectieziekte is die meestal de longen en luchtwegen treft; - dat het coronavirus COVID-19 zich via de lucht lijkt over te dragen van mens op mens; dat de overdracht van de ziekte lijkt plaats te vinden via alle mogelijke emissies via de mond en de neus; - dat dragen van mondmaskers verplicht is in bepaalde inrichtingen en bepaalde specifieke situaties, alsook in elke situatie waarin de regels van social distancing niet kunnen worden nageleefd, om verdere verspreiding van het virus tegen te gaan; dat het alleen voor de strikt noodzakelijke tijd mag worden afgezet, met name om te drinken en te eten, om de neus te snuiten of om te liplezen voor doven en slechthorenden, dat het louter gebruik van een mondmasker echter niet volstaat en dat het steeds gepaard moet gaan met de andere preventiemaatregelen, en dat de social distancing de belangrijkste en prioritaire preventiemaatregel blijft; - dat de burgers duidelijk geïnformeerd moeten worden over de plaatsen en het tijdstip waarop het mondmasker verplicht moet worden gedragen; dat er dan ook een aanplakking met vermelding van de uren wanneer deze maatregel van kracht is, moet worden geplaatst; dat de aangeduide periode effectief moet overeenkomen met de uren van verwachte volkstoeloop of van hoog transmissierisico; - dat, gezien wat voorafgaat, bepaalde bijeenkomsten in besloten of overdekte plaatsen, maar ook in open lucht, nog steeds een specifieke bedreiging vormen voor de volksgezondheid; - dat de voorziene maatregelen van dien aard zijn om, enerzijds, het aantal acute besmettingen te verminderen en er bijgevolg voor te zorgen dat de diensten van de intensieve zorg de zwaarst getroffen patiënten in de beste omstandigheden kunnen ontvangen, en om, anderzijds, meer tijd te geven aan de wetenschappers om efficiënte behandelingen en vaccins te ontwikkelen; dat deze maatregelen eveneens de contacttracing kunnen vergemakkelijken; - bij de afweging of de mondmaskerplicht een effectieve en derhalve proportionele inbreuk vormde op het recht op het privéleven, zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM, dient rekening te worden gehouden met het feit dat de overheid haar beleid diende te voeren in grote onzekerheid zowel over het virus als over de efficiëntie van de genomen maatregelen; - vereisen dat de overheid slechts “evidence based”-maatregelen neemt, waarvan vaststaat dat ze een voldoende effect hebben en dat niet met andere minder ingrijpende maatregelen eenzelfde doel kan worden bereikt, is niet realistisch. De Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, oordeelde in die zin dat de minister “op de actuele adviezen van deskundigen waarin deze gedocumenteerde aanwijzingen aangeven, mag vertrouwen en haar beleid er in belangrijke mate op mag afstemmen, ook wanneer die deskundigen moeten erkennen dat er nog onzekerheden zijn”; - het louter feit dat er wetenschappelijke onderzoeken bestaan waarvan de conclusies afwijken aangaande het nut van de beschermingsmaatregelen, zoals vooropgesteld door de besluiten van Sciensano of de GEES, volstaat op zich niet om de disproportionaliteit van de genomen maatregelen aan te tonen; - de door de eiseres bijgebrachte of aangehaalde studies met betrekking tot de effectiviteit van de mondmaskerplicht, tonen niet aan dat het wetenschappelijk advies van Sciensano of de GEES, waarop de minister zich gesteund heeft, niet kwalitatief dan wel eenzijdig of gebrekkig was. Bovendien nemen deze onderzoeken enkel de mondmaskerplicht op zich onder de loep, en houden ze er geen rekening mee dat de mondmaskerplicht slechts een onderdeel vormde van een geheel van maatregelen waaronder social distancing en tracing, ventilatie van ruimtes en hygiënemaatregelen, die de bevolking moest toelaten het maatschappelijk leven op economisch en pedagogisch vlak te hernemen; - bij onzekerheid omtrent het bestaan en de omvang van de risico’s, kunnen voor de menselijke gezondheid beschermende maatregelen worden genomen, zonder dat hoeft te worden gewacht totdat de realiteit en de ernst van die risico's volledig is aangetoond; - in casu bestond er niet de minste wetenschappelijke onzekerheid over de besmettelijkheid van het coronavirus COVID-19 en de ernstige dreiging die ervan uitging voor de volksgezondheid. De onzekerheid die er nog bestond over de wijze van overdracht van het virus, de mutaties die het virus nog kon ondergaan, en daarop aansluitend de effectiviteit van de genomen maatregelen, verhinderde niet dat de overheid de mondmaskerplicht bij niet-naleving van de social distancing-regels kon opleggen om de onmiskenbaar ernstige of onomkeerbare schade voor de volksgezondheid te vermijden; - rekening houdend met het feit dat blijkens de in de aanhef van de ministeriële besluiten vermelde wetenschappelijke onderzoeken, het coronavirus COVID-19 zich verspreidde via alle mogelijke emissies via neus en mond en dit binnen een afstand van 1,5 meter, vormde de mondmaskerplicht, in samenloop met de overige maatregelen omtrent ventilatie en hygiëne, een effectieve en proportionele inbreuk op het privéleven van de eiseres teneinde de volksgezondheid te vrijwaren tegen een ongecontroleerde verspreiding van het coronavirus COVID-19 en tegen hiermee gepaard gaande overbelasting van de gezondheidszorg.
  25. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht het oordeel dat de maatregel die het dragen van een mondmasker verplicht, geen disproportionele inbreuk op het privéleven inhoudt. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.