id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.11 Rolnummer: P.22.0681.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 958 - laatst gezien 2026-06-15 06:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, beoogt de bescherming van de bevolking wanneer deze wordt bedreigd door rampen of noodlottige situaties die de fysieke integriteit van personen, hun goederen of de leefomgeving in gevaar brengen of dreigen te brengen, en dit ongeacht de aard van de aldus bedoelde rampspoed; op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid kan de minister of zijn gemachtigde in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen; om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden; de weigering of het verzuim zich te gedragen naar die maatregelen is strafbaar op grond van artikel 187 van diezelfde wet
(1).
(1)Cass. 10 november 2021, AR P.21.0931.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3, AC 2021, nr. 718; Cass. 28 september 2021, AR P.21.1129.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16, AC 2021, nr. 594, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, RW 2021-22, 364, JLMB 2021, 1766, RDPC 2022, 59 noot M.-F. RIGAUX; GwH 22 september 2022, arrest 109/2022, B.8, www.const-court.be. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Thesaurus CAS: NATUURRAMP Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Fiche 3 De bevoegdheid van de minister om in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid te verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden, strekt niet louter tot uitvoering van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid; die bevoegdheid kan door de minister worden uitgeoefend wanneer het ingevolge een noodlottige gebeurtenis of situatie ter bescherming van de civiele veiligheid van de burgers noodzakelijk is om hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid dreigt te worden aangetast of om hen te verbieden zich te verplaatsen; een epidemische of pandemische noodsituatie met een potentieel levensbedreigend effect voor de hele bevolking, zoals de coronapandemie, diende vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021 te worden beschouwd als een ramp of noodlottige situatie in de zin van de Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, die in voorkomend geval kon leiden tot een voor personen bedreigende situatie waardoor het uitvaardigen van de in artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bedoelde maatregelen gewettigd kon zijn; het verbod tot samenscholingen, omschreven in artikel 15 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, beoogde de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te verhinderen door het contact tussen de personen tot een minimum te beperken teneinde aldus het besmettingsrisico te herleiden; die maatregel strekte er dan ook toe te vermijden dat onnodig gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021; die bepaling bood bijgevolg een rechtsgrond voor de voormelde maatregel
(1).
(1)Art. 15 MB 28 oktober 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet van 14 augustus
- Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 28-10-2020 - Art. 15 - 01 ELI link Pub nr 2020010455 Nota: Art. 15 MB 28 oktober 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet van 14 augustus
- Fiches 4 - 5 De rechtsgeldigheid van een huiszoeking bij een op heterdaad vastgesteld misdrijf door daartoe bevoegde politiediensten vereist niet dat de procureur des Konings vooraf zijn toestemming geeft tot de uitvoering van die huiszoeking. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 37, 40 en 41 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 37, 40 en 41 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0681.N
- V M R H, beklaagde,
- E R M S L A V D P, beklaagde, eisers, met als raadslieden mr. Kris Luyckx en mr. Mounir Souidi, advocaten bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 25 maart
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 7 en 8 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12, 14, 19, 22, 27, 37, 105, 108, 149 en 159 Grondwet en de artikelen 182 en 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid (hierna Wet Civiele Veiligheid): met het oordeel dat het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna MB 28 oktober 2020) noch de Grondwet, noch het legaliteitsbeginsel miskent en de strafvordering bijgevolg ontvankelijk is, verantwoorden de appelrechters de veroordeling van de eisers wegens een inbreuk op het in artikel 15 MB 28 oktober 2020 bepaalde samenscholingsverbod niet naar recht en is die veroordeling ook niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden niet op de appelconclusies van de eisers waarin zij op omstandige wijze de (grond)wettelijkheid van de strafrechtelijke beteugeling van het in artikel 15 MB 28 oktober 2020 bepaalde samenscholingsverbod hadden betwist; het MB 28 oktober 2020 herhaalt stereotiepe motiveringen over de ernst en de blijvende dreiging van de coronapandemie om gedurende meerdere maanden een beleid voort te zetten dat ernstig afbreuk doet aan de grondrechten, zoals door het opleggen van een samenscholingsverbod, zonder het nemen van een wetgevend initiatief; de lange duur van de dreigende omstandigheden kan de langdurige toepassing van de Wet Civiele Veiligheid door het uitvaardigen van een nieuw ministerieel besluit met daarin een samenscholingsverbod niet verantwoorden; de appelrechters schenden aldus de bepalingen die de grondrechten beschermen en miskennen eveneens het legaliteitsbeginsel; tevens schenden de appelrechters de grondwettelijke bepalingen in verband met de delegatie van bevoegdheden aan een minister, alsook de artikelen 182 en 187 Wet Civiele Veiligheid, die immers niet de basis bieden voor een samenscholingsverbod; de appelrechters laten het onwettige MB 28 oktober 2020 dan ook ten onrechte niet buiten beschouwing; de appelrechters konden geen toepassing maken van ministeriële besluiten die gegrond zijn op een ongrondwettige wet.
- Volgens artikel 26 MB 28 oktober 2020 wordt een inbreuk op artikel 15 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, bestraft door artikel 187 Wet Civiele Veiligheid. Artikel 3, tweede lid, van die wet bepaalt dat, zodra de bepalingen van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie in werking zijn getreden, de bepalingen betreffende de bestuurlijke politie van de Wet Civiele Veiligheid niet van toepassing zijn op epidemische noodsituaties. Het MB 28 oktober 2020 werd uitgevaardigd vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet van 14 augustus
- De Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, beoogt de bescherming van de bevolking wanneer deze wordt bedreigd door rampen of noodlottige situaties die de fysieke integriteit van personen, hun goederen of de leefomgeving in gevaar brengen of dreigen te brengen, en dit ongeacht de aard en de duur van de aldus bedoelde rampspoed.
- Op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid kan de minister of zijn gemachtigde in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen. Om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden. De weigering of het verzuim zich te gedragen naar die maatregelen is strafbaar op grond van artikel 187 van diezelfde wet.
- De bevoegdheid van de minister om in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid te verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden, strekt niet louter tot uitvoering van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid. Die bevoegdheid kan door de minister worden uitgeoefend wanneer het ingevolge een noodlottige gebeurtenis of situatie ter bescherming van de civiele veiligheid van de burgers noodzakelijk is om hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid dreigt te worden aangetast of om hen te verbieden zich te verplaatsen.
- Een epidemische of pandemische noodsituatie met een potentieel levensbedreigend effect voor de hele bevolking, zoals de corona¬pandemie, diende vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021 te worden beschouwd als een ramp of noodlottige situatie in de zin van de Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, die in voorkomend geval kon leiden tot een voor personen bedreigende situatie waardoor het uitvaardigen van de in artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bedoelde maatregelen gewettigd kon zijn.
- In de aanhef van het MB 28 oktober 2020 wordt onder meer rekening gehouden met de volgende gegevens en overwegingen: - de kwalificatie van het coronavirus COVID-19 als een pandemie door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op 11 maart 2020; - de WHO heeft op 16 maart 2020 het hoogste dreigingsniveau uitgeroepen aangaande het coronavirus COVID-19 dat de wereldeconomie destabiliseert en zich snel verspreidt over de wereld; - de inleidende toespraak van de directeur-generaal van de WHO van 12 oktober 2020 geeft aan dat het virus zich voornamelijk verspreidt tussen nauwe contacten en aanleiding geeft tot opflakkeringen van de epidemie die onder controle zouden kunnen worden gehouden door middel van gerichte maatregelen; - de verklaring van de directeur-generaal van de WHO Europa van 15 oktober 2020 geeft aan dat de situatie in Europa zeer onrustwekkend is en dat de overdracht en besmettingsbronnen plaatsvinden in de huizen, binnen in publieke plaatsen en bij de personen die de zelfbeschermingsmaatregelen niet correct naleven; - de verklaring van de directeur-generaal van de WHO van 26 oktober 2020 geeft aan dat het hoogste aantal gevallen van COVID-19 werd gemeld in de week van 19 oktober 2020 en dat alles in het werk moet worden gesteld om de medewerkers van de zorgsector te beschermen; dat scholen en bedrijven kunnen openblijven maar daarvoor compromissen moeten worden gesloten; de directeur-generaal bevestigt dat het virus kan worden onderdrukt door snel en bewust in te grijpen; - de WHO heeft vastgesteld dat tal van landen een grootschalige besmetting konden verhinderen dankzij bewezen preventie- en bestrijdingsmaatregelen en dat die maatregelen nog steeds het beste verdedigingsmiddel tegen COVID-19 zijn; - ons land zit sinds 13 oktober 2020 op nationaal niveau in alarmniveau 4 (zeer hoge alertheid); - het daggemiddelde van de nieuwe besmettingen met het coronavirus COVID-19 in België is over de voorbije zeven dagen gestegen tot 13.858 bevestigde positieve gevallen op 28 oktober 2020; - deze nieuwe exponentiële evolutie heeft tot gevolg dat de bezettingsgraad van de ziekenhuizen, in het bijzonder van de diensten van de intensieve zorg, opnieuw kritiek wordt; op 28 oktober 2020 werden in totaal 5.554 patiënten opgenomen in de Belgische ziekenhuizen; op diezelfde datum werden in totaal 911 patiënten opgenomen op de diensten van de intensieve zorg; de druk op de ziekenhuizen en op de continuïteit van de niet-COVID-19-zorg neemt toe en dit kan een aanzienlijk effect hebben op de volksgezondheid; sommige ziekenhuizen kampen met personeelsuitval wegens ziekte, wat kan leiden tot een tekort aan personeel in de zorgsector; de opvang van patiënten op het grondgebied komt meer en meer onder druk te staan; - het aantal besmettingsgevallen dat werd gedetecteerd en het aantal sterfgevallen dat zich heeft voorgedaan in België sinds 13 maart 2020; het aantal overlijdens in België bedraagt momenteel gemiddeld 59 per dag; één op vijf overlijdens in Europa wordt vandaag veroorzaakt door COVID-19; - ook andere lidstaten van de Europese Unie worden geconfronteerd met een verhoging van het aantal bevestigde besmettingen en nemen maatregelen om de verdere verspreiding van het virus te voorkomen door onderlinge contacten tussen personen te verminderen; - de epidemiologische situatie blijft verslechteren; een ongecontroleerde en exponentiële groei van de epidemie moet worden vermeden; er wordt dus besloten om sommige maatregelen te behouden, andere te verstrengen en nieuwe te nemen; - het gevaar strekt zich opnieuw uit over het gehele nationale grondgebied; het is van belang dat er een maximale coherentie bestaat bij het nemen van maatregelen voor de handhaving van de openbare orde teneinde de efficiëntie ervan te maximaliseren; de lokale overheden hebben evenwel de mogelijkheid om in geval van een toename van de epidemie op hun grondgebied strengere maatregelen te nemen; - de huidige epidemiologische situatie vereist nog steeds een drastische beperking van de sociale contacten en van de toegelaten activiteiten; - de urgentie en het risico voor de volksgezondheid die het coronavirus COVID-19 met zich meebrengt voor de Belgische bevolking; - het is noodzakelijk om bijzondere aandacht te besteden aan activiteiten die een aanzienlijk risico op verspreiding van het virus met zich meebrengen en om activiteiten te blijven verbieden die te nauwe contacten tussen individuen impliceren en of een groot aantal personen samenbrengen; - bepaalde activiteiten kunnen het risico op besmetting verhogen, onder meer voor zover ze niet kunnen worden uitgeoefend met een masker op of voor zover ze eerder zullen leiden tot het aannemen van gedrag dat niet in overeenstemming is met de gouden regels, waaronder deze van de social distancing (eten in een restaurant, drinken in een bar, deelnemen aan familie-, studenten- of andere feesten, ...); dit is de reden waarom de meeste inrichtingen waar dit soort activiteiten plaatsvinden, gesloten moeten worden; - bovendien moet daartoe het aantal personen aanwezig in een winkel worden beperkt; contacten op bepaalde plaatsen, met name in de inrichtingen die behoren tot de culturele, feestelijke, sportieve, recreatieve en evenementensector moeten worden vermeden; de betrokken inrichtingen moeten bijgevolg worden gesloten; contacten tijdens sportwedstrijden en jeugdactiviteiten met personen die ouder zijn dan twaalf jaar en het aantal personen dat samenkomt bij bepaalde gelegenheden, zoals huwelijken of begrafenissen, moet worden beperkt; deze maatregelen zijn gezien de huidige epidemiologische situatie proportioneel; - gezien wat voorafgaat, vormen bepaalde bijeenkomsten in besloten of overdekte plaatsen, maar ook in open lucht, nog steeds een specifieke bedreiging voor de volksgezondheid; - een politiemaatregel houdende een beperking en omkadering van samenscholingen van meer dan vier personen is bijgevolg onontbeerlijk en proportioneel; - deze situatie maakt ook nog steeds een beperking noodzakelijk van het maximaal aantal personen dat mag deelnemen aan bepaalde toegelaten samenscholingen.
- Het verbod tot samenscholingen, omschreven in artikel 15 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, beoogde de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te verhinderen door het contact tussen de personen tot een minimum te beperken teneinde aldus het besmettingsrisico te herleiden. Die maatregel strekte er dan ook toe te vermijden dat onnodig gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus
- Die bepaling bood bijgevolg een rechtsgrond voor de voormelde maatregel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (p. 6-8) oordeelt als volgt over de legaliteit van het MB 28 oktober 2020: - het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, zoals gewaarborgd door artikel 12, tweede lid, en artikel 14 Grondwet, impliceert dat een strafrechtelijke vervolging enkel mogelijk is in de gevallen die de wet bepaalt en dat geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet. De wetgevende macht kan die bevoegdheid delegeren op voorwaarde dat die machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld; - de rechtbank is van oordeel dat het MB 28 oktober 2020 niet in strijd is met de Grondwet en dat de strafvordering ontvankelijk is; - het MB 28 oktober 2020 kwam tot stand om de COVID-19-pandemie te bestrijden die in België vanaf maart 2020 omwille van de besmettelijkheid en de mortaliteit een immense humanitaire crisis veroorzaakte. Deze pandemie leidde tot een grote overbelasting van het zorgsysteem en tot een diepe economische crisis. Bij de beoordeling van de legaliteit van het MB 28 oktober 2020 is de vaststelling van voormelde acute en ernstige problematiek die bestreden werd met de maatregelen genomen in het MB 28 oktober 2020 essentieel. Voormelde problematiek betrof een reëel gevaar én een dreigend gevaar voor nog groter onheil; - de coronamaatregel die overtreden werd door de eisers vond zijn neerslag in een ministerieel besluit, ondertekend door één minister, bevoegd voor Binnenlandse Zaken; - de specifieke grondslag wordt gevonden in de Wet Civiele Veiligheid. Artikel 182 Wet Civiele Veiligheid laat toe dat de minister, in geval van dreigende omstandigheden, de bevolking verplicht zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn of iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbiedt. Met toepassing van de procedurele rationaliteitstoets oordeelt de rechtbank dat voormelde rechtsgrond volstaat voor het invoeren van het samenscholingsverbod, gelet op het bestaan van dreigende omstandigheden op het tijdstip dat het ministerieel besluit tot stand kwam en op het tijdstip van de feiten. Toepassing makend van voormelde toets stelt de rechtbank vast dat de minister is uitgegaan van relevante feitelijke gegevens die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld en dat de minister op grond daarvan binnen de beperken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen wat betreft de thans in het geding zijnde bepalingen: - artikel 182 Wet Civiele Veiligheid bepaalt niets over de tijdelijkheid of de langdurigheid van de dreigende omstandigheden. Dreigende omstandigheden kunnen langdurig zijn; - de beoordeling van de wettigheid van de delegatie door de wetgever aan de minister valt buiten de bevoegdheid van deze rechtbank in die zin dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de delegatie onwettig is, vermits de rechtbank overeenkomstig artikel 159 Grondwet enkel de grondwettigheid van besluiten kan beoordelen; - delegatie door de wetgever aan de minister van Binnenlandse Zaken was immers toelaatbaar aangezien de delegatie betrekking had op de tenuitvoerlegging van de door de wetgever vastgestelde essentiële elementen en de machtiging voldoende nauwkeurig omschreven was. Artikel 187 Wet Civiele Veiligheid bepaalt bovendien op duidelijke wijze de strafbare gedragingen (weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikel 182 zijn bevolen) en de strafrechtelijke sancties; - verder vereist de legaliteit van een strafbepaling dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig in context met andere bepalingen gelezen, op voldoende wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorspelbaar is. Het gegeven dat de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is als dusdanig niet strijdig met die vereiste van redelijke voorspelbaarheid. Aan de vereiste van redelijke voorspelbaarheid is voldaan wanneer het voor de persoon op wie de strafbepaling toepasselijk is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. Daarbij dient onder meer rekening gehouden te worden met de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever, de wetsgeschiedenis en de door de rechtspraak gegeven interpretatie van de strafbepaling; - over de voorspelbaarheid van de strafbepaling kan geen betwisting bestaan. Het samenscholingsverbod was helder en duidelijk. De strafbepaling werd overigens ten overvloede ook via alle mogelijke media kenbaar gemaakt aan de bevolking zodat beklaagden niet kunnen voorhouden dat zij niet wisten of niet konden weten welke gedragingen verboden en strafbaar waren.
- Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het middel aangehaalde verweer van de eisers en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: de weigering tot het stellen van de door de eisers voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de bestaanbaarheid van de artikelen 182 en 187 Wet Civiele Veiligheid met de Grondwet en met betrekking tot de grondwetsconforme interpretatie van die bepalingen, is niet naar recht verantwoord; het antwoord op die vragen is onontbeerlijk voor de beoordeling op strafgebied.
- In zijn arrest nr. 109/2022 van 22 september 2022 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de artikelen 182, eerste lid, en 187, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet niet schenden, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12, eerste lid, 15, 16, 22 en 26 Grondwet, met de artikelen 5, 7, 8 en 11 EVRM, met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, met artikel 2 Vierde Protocol EVRM en met de artikelen 9, 12, 15, 17 en 21 IVBPR. Aldus beantwoordt het arrest nr. 109/2022 van 22 september 2022 de in het middel vermelde prejudiciële vragen. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 32, 36 en 41 Wetboek van Strafvordering en artikel 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet: het oordeel dat de huiszoeking bij heterdaad wettig is, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; een huiszoeking bij heterdaad vereist dat de politie-inspecteurs die overgaan tot een dergelijke huiszoeking vooraf de toestemming hiervoor hebben verkregen van de procureur des Konings; de appelrechters antwoorden niet op het verweer van de eisers dat er geen voorafgaande toestemming van de procureur des Konings is geweest om over te gaan tot de huiszoeking bij heterdaad.
- De rechtsgeldigheid van een huiszoeking bij een op heterdaad vastgesteld misdrijf door daartoe bevoegde politiediensten vereist niet dat de procureur des Konings vooraf zijn toestemming geeft tot de uitvoering van die huiszoeking. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Door de overname van de redenen van het beroepen vonnis (bestreden vonnis, p. 8) oordelen de appelrechters dat de handelingen van de verbalisanten die de huiszoeking voorafgingen en de uitvoering van de huiszoeking zelf niet onrechtmatig zijn en kaderen binnen een normaal en rechtmatig politieoptreden (beroepen vonnis p. 18). Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het middel bedoelde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, de artikelen 15 en 149 Grondwet en de artikelen 1, tweede lid, 3°, en 3 Huiszoekingswet. Het eerste onderdeel voert aan dat het oordeel dat de huiszoeking met toestemming geschiedde, niet naar recht verantwoord is, aangezien het bestreden vonnis niet vaststelt dat er sprake is van een schriftelijke, ondubbelzinnige en voorafgaande toestemming. Het tweede onderdeel voert aan dat de redenen van het bestreden vonnis over het ogenblik waarop de huiszoeking met toestemming een aanvang heeft genomen, dubbelzinnig zijn of minstens een miskenning inhouden van wat onder het begrip huiszoeking valt. Het derde onderdeel voert aan dat het oordeel dat de huiszoeking met toestemming geschiedde, niet regelmatig met redenen is omkleed omdat de appelrechters niet antwoorden op het verweer dat er voor wat betreft de beoordeling van de huiszoeking met toestemming ook geen sprake was van voorafgaande inlichtingen of gegevens die ernstige aanwijzingen bevatten van het bestaan van een strafbaar feit.
- Het middel is uitsluitend gericht tegen het oordeel van het bestreden vonnis met betrekking tot de huiszoeking met toestemming. Mede door de overname van de redenen van het beroepen vonnis, oordelen de appelrechters evenwel dat de huiszoeking hoe dan ook regelmatig is omdat ze werd uitgevoerd ingevolge een op heterdaad vastgesteld misdrijf. De drie onderdelen van het middel zijn niet tegen dat laatste oordeel gericht. Het middel kan aldus niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat, zelfs indien het politie-optreden onrechtmatig zou zijn geweest, het verkregen bewijs toelaatbaar moet worden geacht, is niet naar recht verantwoord.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat de huiszoeking bij heterdaad rechtmatig is. Het middel, dat is gericht tegen overtollige redenen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231212.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div