id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 405bis
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 422 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:
Art. 405bis
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 422 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Wettelijke bepalingen:
Art. 405bis
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 422 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1141.N J J J T, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joost Van Damme, advocaat bij de balie Gent, tegen J S, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijk van het cassatieberoep
- Het arrest bevestigt de veroordeling van de eiser om aan de verweerder een provisionele vergoeding te betalen, het aanhouden van de beslissing over de interesten en de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, alsook het onbepaald uitstellen van de zaak voor verdere afhandeling van deze burgerlijke rechtsvordering. Het arrest houdt de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en de kosten aan. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een beslissing als bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is het cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Ontvankelijk van het door de verweerder ingediende geschrift
- Uit artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat een verweerder in cassatie zijn antwoord slechts kan aanvoeren in een memorie die is ondertekend door een advocaat die houder is van het in artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering bedoelde getuigschrift.
- Het namens de verweerder ingediende geschrift, dat is ontvangen ter griffie van het Hof, is niet ondertekend door een raadsman houder van het getuigschrift. Dit geschrift is niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: het arrest beantwoordt niet het in het grievenschrift van de eiser ontwikkelde middel; uit de redenen van het arrest kan hij niet afleiden of de door hem ontwikkelde argumentatie in het beraad werd betrokken.
- De eiser heeft in zijn grievenschrift op algemene wijze met betrekking tot de schuld, de straf en/of maatregel en de burgerlijke rechtsvordering grieven aangevoerd, namelijk “geen schuld, geen afdoende objectief verifieerbaar vaststaande bewijzen lastens [de eiser]”, “hoofdorde: vrijspraak – subsidiair: strafmaat te hoog en niet in verhouding; geen noodzaak effectieve gevangenisstraf” en “vrijspraak betichting; niet bewezen die geen burgerlijk gevolg mogelijk – subsidiair vermindering provisie en geen noodzaak aanstelling deskundige”.
- Met de redenen die het vermeldt, beoordeelt, beantwoordt en verwerpt het arrest dit verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de door het beroepen vonnis opgelegde effectieve gevangenisstraf van achttien maanden een passende beteugeling is omwille van onder andere het strafrechtelijk verleden van de eiser, en neemt aldus feiten in aanmerking die niet het voorwerp van de telastlegging uitmaken en waarvoor de rechter niet gevat is.
- De rechter mag bij het bepalen van de straf en de strafmaat het strafrechtelijk verleden van de beklaagde in aanmerking nemen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 405bis Strafwetboek en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser schuldig aan het feit omschreven onder de telastlegging C, zonder melding te maken van artikel 405bis Strafwetboek, dat de strafmaat bepaalt.
- Artikel 422 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de uitgesproken straf dezelfde is als die welke is bepaald door de op het misdrijf toepasselijke wet, niemand de vernietiging kan vragen op grond van het enig middel dat bij de vermelding van de tekst van de wet een vergissing is begaan.
- Het arrest verwijst bij de vermelding van de verzwarende omstandigheid voor het feit van de telastlegging C bij vergissing naar artikel 405, derde lid, Strafwetboek, dat slechts één lid telt en geen uitstaans heeft met een dergelijk feit, in plaats van naar artikel 405bis, 3°, Strafwetboek dat de aangenomen verzwarende omstandigheid omschrijft en de toepasselijke straf bepaalt. Die vergissing kan niet tot cassatie leiden. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div