← België

D. contra Politiezone van Sint-Niklaas

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.3 Rolnummer: P.22.1077.N Zaak: D. contra Politiezone van Sint-Niklaas Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 1190 - laatst gezien 2026-06-18 20:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling kan in hoger beroep het verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen afwijzen met de vaststelling dat de gevraagde onderzoeksmaatregelen niet noodzakelijk zijn om de waarheid aan de dag te brengen; in deze stand van de rechtspleging rust op de kamer van inbeschuldigingstelling geen verdergaande onderzoeks- of motiveringsverplichting

(1).
(1)Cass. 31 mei 2011, AR P.10.1931.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110531.16, AC 2011, nr. 366. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Uit de artikelen 3 en 5 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon op geloofwaardige wijze aanvoert dat hij door politieambtenaren op een wijze werd behandeld die een inbreuk uitmaakt op deze verdragsbepalingen, de Staat verplicht is om een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken
(1); het staat aan het onderzoeksgerecht om binnen de grenzen van zijn bevoegdheid bij de regeling van de rechtspleging na te gaan of het onderzoek volledig werd gevoerd dan wel of het desgevallend niet moet worden aangevuld, alsook om vervolgens te oordelen of het gerechtelijk onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om personen tegen wie de strafvordering werd ingesteld, te verwijzen naar het vonnisgerecht; aldus wordt voldaan aan de uit de voormelde verdragsbepalingen voortvloeiende procedurele verplichtingen
(2).
(1)Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1303.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10, AC 2022, nr. 156; Cass. 10 april 2018, AR P.17.1135.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2, AC 2018, nr. 219; Cass. 13 september 2016, AR P.16.0403.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.7, AC 2016, nr. 485; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3, AC 2015, nr. 217, RABG 2015, 987 noot V. VEREECKE, RW 2016-17, 735 noot S. DEWULF; EHRM 10 maart 2009, Turan Cakir t/Turkije; EHRM 28 juli 2009, Gök en Güler t/Turlijke; EHRM 4 november 2010, Darraj t/Frankrijk; EHRM 20 maart 2012, C.A.S en C.S. t/Roemenië; EHRM 3 mei 2012, Salikov t/Rusland; EHRM 17 september 2014, Mocanu t/Roemenië; EHRM 9 oktober 2012, Mikiashvilli t/Georgië, EHRM 28 september 2015, Bouyid t/België, §120, EHRM 7 maart 2019, Abdullayev t/Azerbeidzjan, www.echr.coe.int.
(2)Cass. 6 april 2022, AR P.21.1594.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220406.2F.4, AC 2022, nr. 252, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., JLMB 2022, 1191; Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1303.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10, AC 2022, nr. 156; Cass. 10 april 2018, AR P.17.1135.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2, AC 2018, nr. 219; Cass. 13 september 2016, AR P.16.0403.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.7, AC 2016, nr. 485; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3, AC 2015, nr. 217, RABG 2015, 987 noot V. VEREECKE, RW 2016-17, 735 noot S. DEWULF. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 3 en 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 3 en 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 3 en 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 8 De verplichting een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, is een middelen. – en geen resultaatsverbintenis; slechts die onderzoekshandelingen moeten worden gesteld die gelet op de concrete omstandigheden redelijkerwijze tot het verzamelen van bewijselementen, het aan het licht brengen van de waarheid en de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijkheden kunnen leiden
(1); indien evenwel ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging een burgerlijke partij om de uitvoering van een concreet omschreven bijkomende onderzoekshandeling verzoekt en daarbij vermeldt waarom die noodzakelijk is voor de waarheidsvinding, kan het onderzoeksgerecht ter afwijzing van dit verzoek niet volstaan met de loutere vaststelling dat er geen enkele noodzaak is om nog verdere onderzoekshandelingen te bevelen; het onderzoeksgerecht dient concreet aan te geven waarom de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen tot de waarheidsvinding.
(1)Cass. 10 april 2018, AR P.17.1135.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2, AC 2018, nr. 219; Cass. 13 september 2016, AR P.16.0403.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.7, AC 2016, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 3 en 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 3 en 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 3 en 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61quinquies en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1077.N I en II D J, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, tegen
  2. POLITIEZONE SINT-NIKLAAS, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Dalstraat 26, inverdenkinggestelde, verweerder, met als raadsman mr. Line Verstraeten, advocaat bij de balie Dendermonde,
  3. D D L, inverdenkinggestelde, verweerder,
  4. M V D S, inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 mei 2021 (arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 juni 2022 (arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 5, 6 en 13 EVRM: het arrest I dat op het hoger beroep van de eiser tegen de afwijzende beschikking van de onderzoeksrechter beslist dat de voeging van camerabeelden betreffende de avond die het voorwerp uitmaken van de processen-verbaal DE.53.L4.17016/2019 en DE.92.L4.01015/2016 en met betrekking tot de periode voor en na de aanhouding van de eiser, niet nodig is voor de waarheidsvinding, licht niet toe waarom die onderzoekshandeling die volgens de eiser de feiten van slagen en verwondingen en de onrechtmatigheid van zijn arrestatie zouden kunnen aantonen, niet noodzakelijk is; het stelt evenmin vast dat die beelden niet bestaan; het arrest II dat beslist tot de buitenvervolgingstelling van de verweerders en de onderzoeksrechter ontslaat van onderzoek naar eventueel onbekend gebleven verdachten, oordeelt dat er geen enkele noodzaak is om nog verdere onderzoeksdaden te bevelen, zonder enige toelichting te verstrekken bij de afwijzing van eisers verzoek tot voeging van de vermelde camerabeelden; deze weigering zonder redelijke verantwoording en de op grond daarvan bevolen buitenvervolgingstelling ontzegt de eiser een daadwerkelijk onderzoek naar de door hem aangevoerde feiten.
  6. Volgens artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. Volgens artikel 61quinquies, § 4, Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke partij tegen de beslissing van de onderzoeksrechter hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Volgens artikel 61quinquies, § 3, Wetboek van Strafvordering kan het verzoek worden afgewezen omdat de gevraagde onderzoeksmaatregelen niet noodzakelijk worden geacht om de waarheid aan de dag te brengen.
  7. De kamer van inbeschuldigingstelling kan in hoger beroep het verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen dan ook afwijzen met de vaststelling dat de gevraagde onderzoeksmaatregelen niet noodzakelijk zijn om de waarheid aan de dag te brengen. In deze stand van de rechtspleging rust op de kamer van inbeschuldigingstelling geen verdergaande onderzoeks- of motiveringsverplichting. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Met het oordeel dat de gevraagde onderzoeksverrichtingen niet meer nodig zijn voor de verdere waarheidsvinding in de zaak gelet op de zich reeds in het strafdossier bevindende informatie en dat kennelijk alle nuttige en nodige onderzoeksmaatregelen werden bevolen, verantwoordt het arrest I de beslissing tot ongegrondverklaring van eisers hoger beroep tegen de afwijzende beschikking van de onderzoeksrechter naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Het arrest II (p. 11-12, randnr. 7) oordeelt dat het manifest duidelijk is dat de verweten telastleggingen individuele handelingen zijn waaraan de verweerder 1 als rechtspersoon van publiekrechtelijke aard geen aandeel noch uitstaans mee heeft. Deze reden, die het middel niet bekritiseert, verantwoordt de beslissing tot buitenvervolgingstelling van de verweerder 1 en de veroordeling van de eiser tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerder
  10. In zoverre gericht tegen die beslissingen, is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  11. Uit de artikelen 3 en 5 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon op geloofwaardige wijze aanvoert dat hij door politieambtenaren op een wijze werd behandeld die een inbreuk uitmaakt op deze verdragsbepalingen, de Staat verplicht is om een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken.
  12. Het staat aan het onderzoeksgerecht om binnen de grenzen van zijn bevoegdheid bij de regeling van de rechtspleging na te gaan of het onderzoek volledig werd gevoerd dan wel of het desgevallend niet moet worden aangevuld, alsook om vervolgens te oordelen of het gerechtelijk onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om personen tegen wie de strafvordering werd ingesteld, te verwijzen naar het vonnisgerecht. Aldus wordt voldaan aan de uit de voormelde verdragsbepalingen voortvloeiende procedurele verplichtingen.
  13. De verplichting een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, is een middelen- en geen resultaatsverbintenis. Slechts die onderzoekshandelingen moeten worden gesteld die gelet op de concrete omstandigheden redelijkerwijze tot het verzamelen van bewijselementen, het aan het licht brengen van de waarheid en de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijkheden kunnen leiden.
  14. Het staat aan het onderzoeksgerecht om daarover onaantastbaar te oordelen.
  15. Indien evenwel ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging een burgerlijke partij om de uitvoering van een concreet omschreven bijkomende onderzoekshandeling verzoekt en daarbij vermeldt waarom die noodzakelijk is voor de waarheidsvinding, kan het onderzoeksgerecht ter afwijzing van dit verzoek niet volstaan met de loutere vaststelling dat er geen enkele noodzaak is om nog verdere onderzoekshandelingen te bevelen. Het onderzoeksgerecht dient concreet aan te geven waarom de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen tot de waarheidsvinding.
  16. De eiser heeft in zijn appelconclusie (p. 26, laatste alinea) de voeging gevraagd bij het strafdossier van de camerabeelden waaruit zou moeten blijken dat hij werd onderworpen aan een mensonterende behandeling tijdens zijn vrijheidsberoving. Met het enkele oordeel dat volgens de kamer van inbeschuldigingstelling het onderzoek volledig is, toelaat te oordelen en er geen enkele noodzaak is om nog verdere onderzoekshandelingen te bevelen, verantwoordt het arrest de afwijzing van het verzoek om de camerabeelden te voegen niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  17. De vernietiging van de afwijzende beslissing tot het voegen van de camerabeelden bij het strafdossier leidt tot de vernietiging van de buitenvervolgingstelling van de verweerders 2 en 3 voor de feiten van de telastleggingen B (wederrechtelijke vrijheidsberoving) en C (opzettelijke slagen of verwondingen), het verlenen van een ontslag van onderzoek aan de onderzoeksrechter naar eventueel onbekend gebleven verdachten voor wat betreft de feiten van de telastleggingen B en C, de veroordeling van de eiser tot de kosten en de veroordeling van de eiser om aan de verweerders 2 en 3 een rechtsplegingsvergoeding te betalen voor de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Het laat de overige beslissingen van het arrest II onaangetast. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest II in zoverre het: - oordeelt dat het voegen van de camerabeelden bij het strafdossier niet noodzakelijk is; - beslist tot de buitenvervolgingstelling van de verweerders 2 en 3 voor de feiten van de telastleggingen B (wederrechtelijke vrijheidsberoving) en C (opzettelijke slagen of verwondingen); - aan de onderzoeksrechter ontslag verleent naar eventueel onbekend gebleven verdachten voor wat betreft de feiten van de telastleggingen B en C; - de eiser veroordeelt tot de kosten; - de eiser veroordeelt om de verweerders 2 en 3 een rechtsplegingsvergoeding te betalen voor de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest II. Verwerpt voor het overige de cassatieberoepen I en II. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoepen. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 542,99 euro, waarvan op het cassatieberoep I 110,44 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep 108,24 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240625.2N.28 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110531.16 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220406.2F.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240102.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.