← België

D. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.5 Rolnummer: P.22.0784.N Zaak: D. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 636 - laatst gezien 2026-06-15 06:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Uit artikel 391bis, eerste lid, Strafwetboek volgt dat het misdrijf van familieverlating slechts een algemeen opzet vereist, met name dat bij de onderhoudsplichtige de wil bestaat de onderhoudsplicht niet na te komen, terwijl hij weet dat hij tot die verplichting is gehouden; een bijzondere beweegreden is niet vereist

(1).
(1)L. DUPONT, "Verlating van familie", APR 1975, nr. 150; F. TULKENS en M.VANDEKERCKHOVEN, "Introduction au droit pénal", Diegem, Kluwer, 1997, 308-311; F. DERUYCK en A. DE NAUW, "Inleiding tot het bijzonder strafrecht", Kluwer, 2019, 257-258; B. DE SMET, “Familieverlating”, Comm. Sr., 2019, al. 68-
  1. Thesaurus CAS: VERLATING VAN FAMILIE Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 391bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0784.N C J D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gerard Soete, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 8, bus 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M V, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 154 en 189 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak, alsook van het algemeen principe van de last van de bewijsvoering in strafzaken: het arrest miskent het vermoeden van onschuld door te oordelen dat de eiser geenszins aannemelijk maakt dat hij in de onmogelijkheid verkeerde om de uitkering tot levensonderhoud te betalen; het behoorde aan het openbaar ministerie of aan de verweerster aan te tonen dat de door hem ingeroepen oorzaak onjuist en totaal ongeloofwaardig was; het kan niet volstaan te stellen dat de door de eiser in conclusie ingeroepen omstandigheden geenszins de onmogelijkheid uitmaakten om de uitkering tot levensonderhoud te betalen; dit komt erop neer aan de eiser op te leggen zijn onschuld te bewijzen door aannemelijk te maken dat hij niet kon betalen en door stukken over te leggen.
  4. Er bestaat in strafzaken geen algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak te onderscheiden van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. In zoverre faalt het middel naar recht.
  5. Wanneer een beklaagde een omstandigheid aanvoert die het misdrijf uitsluit, hoeft hij het bestaan daarvan niet te bewijzen, maar dient hij enkel aan te tonen dat zijn aanvoering niet van alle geloofwaardigheid is ontbloot. De rechter die oordeelt dat een door een beklaagde aangevoerde omstandigheid niet geloofwaardig is, miskent hierdoor niet het vermoeden van onschuld noch het recht van verdediging en legt de bewijslast met betrekking tot de schuld hierdoor niet op de beklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. De appelrechters oordelen dat anders dan de eiser voorhoudt, hij geenszins door de omstandigheden met betrekking tot de vereffening en verdeling van het ontbonden huwelijksstelsel of het wegvallen van bepaalde huurinkomsten, in de onmogelijkheid was om de uitkering tot onderhoud te betalen aan de verweerster, met name zijn ex-echtgenote, dat hij zelfs niet aannemelijk maakt dat hij, onafhankelijk van zijn wil of onvrijwillig, in de onmogelijkheid verkeerde zijn onderhoudsplicht na te komen, en dat het louter stellen dat men geen geld meer heeft, zonder dit voldoende door stukken te staven, niet volstaat. Hierdoor geven de appelrechters te kennen dat de door de eiser aangevoerde omstandigheden niet geloofwaardig zijn. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 391bis Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat voor het misdrijf van familieverlating een algemeen opzet volstaat; een bijzonder opzet is vereist, dit is de bijzondere intentie om vrijwillig in gebreke te blijven.
  8. Artikel 391bis, eerste lid, Strafwetboek stelt onder meer strafbaar “hij die, na door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot (…), meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten”.
  9. Uit deze bepaling volgt dat het misdrijf van familieverlating slechts een algemeen opzet vereist, met name dat bij de onderhoudsplichtige de wil bestaat de onderhoudsplicht niet na te komen, terwijl hij weet dat hij tot die verplichting is gehouden. Een bijzondere beweegreden is niet vereist. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de motiveringsverplichting: het arrest beantwoordt niet eisers conclusie waarin tot de vrijspraak werd besloten gezien het gebrek aan belang en hoedanigheid van de verweerster, het rechtsmisbruik en het disproportioneel handelen inzake de recuperatie van de onderhoudsbijdragen; door de betekening van het vonnis van 10 juli 2015 had de verweerster zonder moeite betaling kunnen verkrijgen van de pensioendiensten; minstens hadden de aanspraken van de verweerster moeten worden afgewezen.
  11. Het arrest (p. 13, laatste alinea, p. 14, eerste alinea) oordeelt dat: de eiser zelfs niet aannemelijk maakt dat hij onafhankelijk van zijn wil of onvrijwillig in de onmogelijkheid verkeerde zijn onderhoudsplicht na te komen; het louter stellen dat men geen geld meer heeft, wat onvoldoende wordt gestaafd met stukken, uiteraard niet volstaat; hetzelfde geldt voor wat betreft de door de eiser beweerde houding van de verweerster bij de uitvoering van het vonnis van de familierechtbank, die hij als disproportioneel beschouwt en waaruit hij een gebrek aan belang en hoedanigheid en rechtsmisbruik afleidt; voor zover deze beweringen van de eiser jegens de verweerster al zouden kloppen, zij geen enkele afbreuk doen aan het strafbaar karakter van de bewezen feiten. Met deze redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.