← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.7 Rolnummer: P.22.0239.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 829 - laatst gezien 2026-06-18 19:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, beoogt de bescherming van de bevolking wanneer deze wordt bedreigd door rampen of noodlottige situaties die de fysieke integriteit van personen, hun goederen of de leefomgeving in gevaar brengen of dreigen te brengen, en dit ongeacht de aard van de aldus bedoelde rampspoed; op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid kan de minister of zijn gemachtigde in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen; om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden; de weigering of het verzuim zich te gedragen naar die maatregelen is strafbaar op grond van artikel 187 van diezelfde wet

(1).
(1)Cass. 10 november 2021, AR P.21.0931.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3, AC 2021, nr. 718; Cass. 28 september 2021, AR P.21.1129.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16, AC 2021, nr. 594, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, RW 2021-22, 364, JLMB 2021, 1766, RDPC 2022, 59 noot M.-F. RIGAUX; GwH 22 september 2022, arrest 109/2022, B.8, www.const-court.be. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Thesaurus CAS: NATUURRAMP Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Fiche 3 De bevoegdheid van de minister om in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid te verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden, strekt niet louter tot uitvoering van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid; die bevoegdheid kan door de minister worden uitgeoefend wanneer het ingevolge een noodlottige gebeurtenis of situatie ter bescherming van de civiele veiligheid van de burgers noodzakelijk is om hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid dreigt te worden aangetast of om hen te verbieden zich te verplaatsen; een epidemische of pandemische noodsituatie met een potentieel levensbedreigend effect voor de hele bevolking, zoals de coronapandemie, diende vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021 te worden beschouwd als een ramp of noodlottige situatie in de zin van de Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, die in voorkomend geval kon leiden tot een voor personen bedreigende situatie waardoor het uitvaardigen van de in artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bedoelde maatregelen gewettigd kon zijn; het verbod om zich, behalve in geval van essentiële, niet-uitstelbare verplaatsingen, op de openbare weg en in de openbare ruimte te bevinden tussen 0.00 uur en 05.00 uur ‘s morgens, omschreven in artikel 14 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, beoogde de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te verhinderen door het contact tussen de personen tot een minimum te beperken teneinde aldus het besmettingsrisico te herleiden; die bepaling, die een maatregel inhoudt in de zin van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid, strekte er dan ook toe te vermijden dat onnodig gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021; die bepaling bood bijgevolg een rechtsgrond voor de voormelde maatregel
(1).
(1)Artt. 14 en 26 MB van 28 oktober 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet van 14 augustus 2021. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 28-10-2020 - Artt. 14 en 26 - 01 ELI link Pub nr 2020010455 Fiches 4 - 5 Uit de aanhef van het MB van 28 oktober 2020 volgt dat de verplichting om ‘s nachts geen niet-essentiële verplaatsingen uit te voeren, in de periode voorafgaand aan de wet van 14 augustus 2021, geen disproportionele inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden inhoudt
(1)
(2).
(1)Over de toelaatbaarheid van de Covid 19-noodmaatregelen op basis van de Wet Civiele Veiligheid zie Cass. 10 november 2021, AR P.21.0931.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3, AC 2021, nr. 718; Cass. 28 september 2021, AR P.21.1129.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16, AC 2021, nr. 594, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, RW 2021-22, 364, JLMB 2021, 1766, RDPC 2022, 59 noot M.-F. RIGAUX; GwH 22 september 2022, arrest 109/2022, www.const-court.be.
(2)Artt. 14 en 26 MB van 28 oktober 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet van 14 augustus
  1. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Aaaaaart. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 28-10-2020 - Artt. 14 en 26 - 01 ELI link Pub nr 2020010455 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Aaaaaart. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 28-10-2020 - Artt. 14 en 26 - 01 ELI link Pub nr 2020010455 Nota: Artt. 14 en 26 MB van 28 oktober 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet van 14 augustus
  2. Tekst van de beslissing Nr. P.22.0239.N A M A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Freddy Mols, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 20 januari
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM en artikel 14 Grondwet: met het oordeel dat het kopen en afhalen van voedsel geen essentiële en niet-uitstelbare verplaatsing inhoudt en de eiser bijgevolg een inbreuk heeft gepleegd op artikel 14 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna MB 28 oktober 2020), verantwoorden de appelrechters de veroordeling van de eiser niet naar recht; het kopen en afhalen van voedsel dient steeds als een essentiële en niet-uitstelbare verplaatsing te worden beschouwd; minstens is artikel 14 MB 28 oktober 2020 onduidelijk, aangezien die bepaling slechts een beperkte en niet-limitatieve lijst van essentiële en niet-uitstelbare verplaatsingen bevat; de eiser was op 14 november 2020 om 00.24 uur in zijn voertuig op de parking aanwezig na en bij de aankoop van eten, waarbij hij zich geenszins in de openbare ruimte maar op een private parking bevond; de eiser kon dan ook niet worden veroordeeld, aangezien zijn gedraging niet strafbaar was.
  5. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser zich verplaatste voor het kopen en afhalen van voedsel en zich niet in de openbare ruimte bevond, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk.
  6. Het bestreden vonnis oordeelt dat uit de vaststellingen van de verbalisanten niet blijkt dat de eiser eten bij zich had of bezig was met het uitvoeren van een verplaatsing, maar dat hij zelf heeft verklaard dat hij in zijn voertuig, geparkeerd op een parking, een boek aan het lezen was. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat de eiser zich verplaatste voor het kopen en afhalen van voedsel, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  7. De voormelde, zelfstandige redenen dragen de beslissing dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op artikel 14 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing. In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat het kopen en afhalen van voedsel geen essentiële en niet-uitstelbare verplaatsing inhoudt in de zin van die bepaling, is het gericht tegen een overtollige reden en kan niet tot cassatie leiden, zodat het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is. Derde middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 14 Grondwet en artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid (hierna Wet Civiele Veiligheid): de bestraffing van de eiser op grond van een maatregel die werd genomen krachtens artikel 182 Wet Civiele Veiligheid is niet naar recht verantwoord; die bepaling kan niet worden aanzien als een wettelijke grondslag voor een avondklok, die geen verbod van verplaatsing of van elk verkeer inhoudt en dan ook geen betrekking kan hebben op de gedraging waarvoor de eiser werd vervolgd; de Grondwet laat ook niet toe dat de wetgevende bevoegdheid wordt gedelegeerd aan een minister.
  9. Volgens artikel 26 MB 28 oktober 2020 wordt een inbreuk op artikel 14 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, bestraft door artikel 187 Wet Civiele Veiligheid. Artikel 3, tweede lid, van die wet bepaalt dat, zodra de bepalingen van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie in werking zijn getreden, de bepalingen betreffende de bestuurlijke politie van de Wet Civiele Veiligheid niet van toepassing zijn op epidemische noodsituaties. Het MB 28 oktober 2020 werd uitgevaardigd vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie.
  10. De Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, beoogt de bescherming van de bevolking wanneer deze wordt bedreigd door rampen of noodlottige situaties die de fysieke integriteit van personen, hun goederen of de leefomgeving in gevaar brengen of dreigen te brengen, en dit ongeacht de aard van de aldus bedoelde rampspoed.
  11. Op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid kan de minister of zijn gemachtigde in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen. Om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden. De weigering of het verzuim zich te gedragen naar die maatregelen is strafbaar op grond van artikel 187 van diezelfde wet.
  12. De bevoegdheid van de minister om in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid te verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden, strekt niet louter tot uitvoering van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid. Die bevoegdheid kan door de minister worden uitgeoefend wanneer het ingevolge een noodlottige gebeurtenis of situatie ter bescherming van de civiele veiligheid van de burgers noodzakelijk is om hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid dreigt te worden aangetast of om hen te verbieden zich te verplaatsen.
  13. Een epidemische of pandemische noodsituatie met een potentieel levensbedreigend effect voor de hele bevolking, zoals de coronapandemie, diende vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021 te worden beschouwd als een ramp of noodlottige situatie in de zin van de Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, die in voorkomend geval kon leiden tot een voor personen bedreigende situatie waardoor het uitvaardigen van de in artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bedoelde maatregelen gewettigd kon zijn.
  14. Het verbod om zich, behalve in geval van essentiële, niet-uitstelbare verplaatsingen, op de openbare weg en in de openbare ruimte te bevinden tussen 0.00 uur en 05.00 uur ‘s morgens, omschreven in artikel 14 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, beoogde de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te verhinderen door het contact tussen de personen tot een minimum te beperken teneinde aldus het besmettingsrisico te herleiden. Die bepaling, die een maatregel inhoudt in de zin van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid, strekte er dan ook toe te vermijden dat onnodig gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus
  15. Die bepaling bood bijgevolg een rechtsgrond voor de voormelde maatregel. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 2 Vierde Aanvullend Protocol EVRM en artikel 12 Grondwet: met het oordeel dat de verbodsbepaling van artikel 14 MB 28 oktober 2020 geen onnodige en buitenproportionele beperking inhoudt van de fundamentele rechten en vrijheden, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht; hoewel het instellen van een avondklok door artikel 14 MB 28 oktober 2020 een ernstige beperking inhoudt van de grondrechten, heeft die maatregel geen wettelijke grondslag; een dergelijke maatregel kan niet worden opgelegd bij ministerieel besluit en kan ook niet worden gestoeld op de Wet Civiele Veiligheid, te meer omdat er op 28 oktober 2020 geen sprake meer was van een acute noodsituatie; artikel 14 MB 28 oktober 2020 voldoet ook niet aan de voorwaarden van toegankelijkheid en voorzienbaarheid, aangezien het slechts een zeer korte, niet-limitatieve lijst bevat van essentiële en niet-uitstelbare verplaatsingen; de eiser kon niet wettig worden veroordeeld wegens een inbreuk op de avondklok omdat die maatregel niet voldoet aan de vereiste van de proportionaliteit, met name vanuit het oogpunt van de pertinentie, de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de maatregel; de door artikel 14 MB 28 oktober 2020 ingestelde avondklok betreft immers geen pertinente maatregel, aangezien de risicovolle activiteiten zich hoe dan ook naar andere tijdstippen verplaatsen; de avondklok houdt verder ook geen noodzakelijke maatregel in, gelet op de mogelijkheid van het treffen van andere maatregelen die een minder ingrijpende inperking van de bewegingsvrijheid inhouden; ten slotte doorstaat de maatregel van artikel 14 MB 28 oktober 2020 evenmin de evenredigheidstoets, aangezien de ingrijpende beperking van de bewegingsvrijheid, die bovendien strafrechtelijk wordt gesanctioneerd, niet in verhouding staat met het beperkte aantal besmettingen tijdens de nacht.
  17. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de Wet Civiele Veiligheid, en met name artikel 182 van die wet, geen wettige rechtsgrond bood voor de maatregel, bepaald in artikel 14 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, moet het om de in het antwoord op het derde middel vermelde redenen worden verworpen.
  18. In de aanhef van het MB 28 oktober 2020 wordt onder meer rekening gehouden met de volgende gegevens en overwegingen: - de kwalificatie van het coronavirus COVID-19 als een pandemie door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op 11 maart 2020; - de WHO heeft op 16 maart 2020 het hoogste dreigingsniveau uitgeroepen aangaande het coronavirus COVID-19 dat de wereldeconomie destabiliseert en zich snel verspreidt over de wereld; - de inleidende toespraak van de directeur-generaal van de WHO van 12 oktober 2020 geeft aan dat het virus zich voornamelijk verspreidt tussen nauwe contacten en aanleiding geeft tot opflakkeringen van de epidemie die onder controle zouden kunnen worden gehouden door middel van gerichte maatregelen; - de verklaring van de directeur-generaal van de WHO Europa van 15 oktober 2020 geeft aan dat de situatie in Europa zeer onrustwekkend is en dat de overdracht en besmettingsbronnen plaatsvinden in de huizen, binnen in publieke plaatsen en bij de personen die de zelfbeschermingsmaatregelen niet correct naleven; - de verklaring van de directeur-generaal van de WHO van 26 oktober 2020 geeft aan dat het hoogste aantal gevallen van COVID-19 werd gemeld in de week van 19 oktober 2020 en dat alles in het werk moet worden gesteld om de medewerkers van de zorgsector te beschermen; dat scholen en bedrijven kunnen openblijven maar daarvoor compromissen moeten worden gesloten; de directeur-generaal bevestigt dat het virus kan worden onderdrukt door snel en bewust in te grijpen; - de WHO heeft vastgesteld dat tal van landen een grootschalige besmetting konden verhinderen dankzij bewezen preventie- en bestrijdingsmaatregelen en dat die maatregelen nog steeds het beste verdedigingsmiddel tegen COVID-19 zijn; - ons land zit sinds 13 oktober 2020 op nationaal niveau in alarmniveau 4 (zeer hoge alertheid); - het daggemiddelde van de nieuwe besmettingen met het coronavirus COVID-19 in België is over de voorbije zeven dagen gestegen tot 13.858 bevestigde positieve gevallen op 28 oktober 2020; - deze nieuwe exponentiële evolutie heeft tot gevolg dat de bezettingsgraad van de ziekenhuizen, in het bijzonder van de diensten van de intensieve zorg, opnieuw kritiek wordt; op 28 oktober 2020 werden in totaal 5.554 patiënten opgenomen in de Belgische ziekenhuizen; op diezelfde datum werden in totaal 911 patiënten opgenomen op de diensten van de intensieve zorg; de druk op de ziekenhuizen en op de continuïteit van de niet-COVID-19-zorg neemt toe en dit kan een aanzienlijk effect hebben op de volksgezondheid; sommige ziekenhuizen kampen met personeelsuitval wegens ziekte, wat kan leiden tot een tekort aan personeel in de zorgsector; de opvang van patiënten op het grondgebied komt meer en meer onder druk te staan; - het aantal besmettingsgevallen dat werd gedetecteerd en het aantal sterfgevallen dat zich heeft voorgedaan in België sinds 13 maart 2020; het aantal overlijdens in België bedraagt momenteel gemiddeld 59 per dag; één op vijf overlijdens in Europa wordt vandaag veroorzaakt door COVID-19; - ook andere lidstaten van de Europese Unie worden geconfronteerd met een verhoging van het aantal bevestigde besmettingen en nemen maatregelen om de verdere verspreiding van het virus te voorkomen door onderlinge contacten tussen personen te verminderen; - de epidemiologische situatie blijft verslechteren; een ongecontroleerde en exponentiële groei van de epidemie moet worden vermeden; er wordt dus besloten om sommige maatregelen te behouden, andere te verstrengen en nieuwe te nemen; - het gevaar strekt zich opnieuw uit over het gehele nationale grondgebied; het is van belang dat er een maximale coherentie bestaat bij het nemen van maatregelen voor de handhaving van de openbare orde teneinde de efficiëntie ervan te maximaliseren; de lokale overheden hebben evenwel de mogelijkheid om in geval van een toename van de epidemie op hun grondgebied strengere maatregelen te nemen; - de huidige epidemiologische situatie vereist nog steeds een drastische beperking van de sociale contacten en van de toegelaten activiteiten; - de urgentie en het risico voor de volksgezondheid die het coronavirus COVID-19 met zich meebrengt voor de Belgische bevolking; - het is noodzakelijk om bijzondere aandacht te besteden aan activiteiten die een aanzienlijk risico op verspreiding van het virus met zich meebrengen en om activiteiten te blijven verbieden die te nauwe contacten tussen individuen impliceren en of een groot aantal personen samenbrengen; - het dringt zich daartoe op om het gebruik van de openbare ruimte tussen middernacht en 5 uur ‘s morgens tijdelijk te beperken om de besmettingsgraad en de overdracht van het virus te beperken; - dergelijke beperking op de fundamentele vrijheden moet proportioneel en in de tijd beperkt zijn; ze is echter noodzakelijk om het fundamentele recht op leven en op gezondheid van de bevolking te vrijwaren; - een gerichte en tijdelijke beperking van het gebruik van de openbare ruimte tussen middernacht en 5 uur ‘s morgens moet bijdragen tot het verminderen van feestelijkheden, samenkomsten en alcoholgebruik in omstandigheden waarbij de maatregelen van social distancing of het dragen van een mondmasker niet toegepast worden en moeten aldus het aantal besmettingen en de overdracht van het virus beperken; - dergelijke beperking is niet van toepassing op essentiële niet-uitstelbare verplaatsingen; - in de provincies Antwerpen en Luxemburg is uit de feiten gebleken dat een beperking op het gebruik van de openbare ruimte gedurende de nacht aanzienlijk heeft bijgedragen tot een sterke daling van het aantal feesten en samenscholingen; om ongewenst verplaatsingsgedrag te vermijden is aldus een beperking op het gebruik van de openbare ruimte noodzakelijk, om het sociaal leven zo te reorganiseren dat het risico op besmetting tot een minimum wordt beperkt op een zo kort mogelijke termijn; de beperking van het gebruik van de openbare ruimte in de nachtelijke uren zorgt ervoor dat in het bijzonder jonge mensen geen feestjes of bijeenkomsten kunnen organiseren op een moment dat ze doorgaans vrij uitgelaten na het nuttigen van drank, de alertheid verliezen om de noodzakelijke fysieke afstand van minstens 1,5 meter in acht te nemen; - deze tijdelijke maatregel dringt zich op het hele grondgebied van het Rijk op, gelet op de meest recente epidemiologische gegevens, de zware druk op het zorgsysteem en om een verergering van de situatie in de thans minder zwaar getroffen provincies te voorkomen; een verbod op nationale schaal voor een beperkte duurtijd is eveneens gerechtvaardigd om de nefaste gevolgen te voorkomen die een kleinschaliger verbod zou kunnen genereren in termen van het verplaatsen van activiteiten of het omleiden van routes, tot op het ogenblik dat dit anderszins zou blijken.
  19. Het bestreden vonnis (p. 4-5) oordeelt als volgt: - het verbod om ’s nachts geen niet-essentiële verplaatsingen uit te voeren, diende te voorkomen dat mensen ‘s nachts zouden bijeenkomen en deelnemen aan activiteiten die een aanzienlijk risico op verspreiding van het virus inhielden; met het opleggen van dit verbod beoogde de minister de volksgezondheid te beschermen en talloze overlijdens te voorkomen; dit maakt dat een legitieme en voor het welzijn van de samenleving noodzakelijke doelstelling aan de genomen maatregel ten grondslag ligt; - het coronavirus Covid-19 verspreidt zich van persoon tot persoon; dit maakt dat het door de minister met voornoemd doel opgelegde verplaatsingsverbod een maatregel is waarvan ontegensprekelijk kan worden aangenomen dat deze, indien nageleefd door de bevolking, effectief verdere besmettingen kon voorkomen of minstens toch aanzienlijk in aantal kon beperken; - het is niet aangetoond dat met het nemen van minder verregaande maatregelen de minister eenzelfde groot aantal overlijdens onder de bevolking had kunnen voorkomen als diegene die door middel van de genomen maatregel daadwerkelijk voorkomen werden, of alleszins daadwerkelijk voorkomen hadden kunnen worden indien dit verbod door iedereen correct nageleefd was geweest; - aangezien aldus enerzijds vaststaat dat het door de minister op basis van artikel 182 Wet Civiele Veiligheid uitgevaardigde nachtelijk verplaatsingsverbod noodzakelijk was voor de volksgezondheid doordat er onmiskenbaar tal van mensenlevens op het spel stonden, en anderzijds onvoldoende blijkt dat andere, minder verdergaande maatregelen, op het aantal (te verwachten) overlijdens eenzelfde beoogd effect zouden hebben geressorteerd als de genomen maatregel, is de rechtbank van oordeel dat de fundamentele rechten van de eiser, zoals gewaarborgd in de Grondwet en het EVRM, door het opgelegde nachtelijk verplaatsingsverbod, dat slechts tijdelijk van kracht is geweest, niet onnodig en op buitenproportionele wijze beperkt zijn geweest. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht het oordeel dat artikel 14 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, geen onevenredige aantasting inhield van de fundamentele rechten en vrijheden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  20. Uit de loutere omstandigheid dat artikel 14 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, slechts een beperkte en niet-limitatieve lijst van essentiële en niet-uitstelbare verplaatsingen bevat waarop het verplaatsingsverbod niet van toepassing is, kan niet worden afgeleid dat die bepaling niet zou beantwoorden aan de vereisten van toegankelijkheid en voorzienbaarheid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 153 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis antwoordt niet op diverse pertinente verweermiddelen van eisers appelconclusie.
  22. Het middel specificeert niet op welke verweermiddelen van eisers appelconclusie de appelrechters niet hebben geantwoord en beperkt zich ertoe te verwijzen naar de in het derde middel ontwikkelde grief, waaruit evenmin blijkt welke verweermiddelen van eisers appelconclusie precies worden bedoeld. Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.