id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.8 Rolnummer: P.22.0645.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 844 - laatst gezien 2026-06-18 18:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, beoogt de bescherming van de bevolking wanneer deze wordt bedreigd door rampen of noodlottige situaties die de fysieke integriteit van personen, hun goederen of de leefomgeving in gevaar brengen of dreigen te brengen, en dit ongeacht de aard van de aldus bedoelde rampspoed; op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid kan de minister of zijn gemachtigde in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen; om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden; de weigering of het verzuim zich te gedragen naar die maatregelen is strafbaar op grond van artikel 187 van diezelfde wet
(1).
(1)Cass. 10 november 2021, AR P.21.0931.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3, AC 2021, nr. 718; Cass. 28 september 2021, AR P.21.1129.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16, AC 2021, nr. 594, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, RW 2021-22, 364, JLMB 2021, 1766, RDPC 2022, 59 noot M.-F. RIGAUX; GwH 22 september 2022, arrest 109/2022, B.8, www.const-court.be. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Thesaurus CAS: NATUURRAMP Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Fiche 3 De bevoegdheid van de minister om in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid te verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden, strekt niet louter tot uitvoering van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid; die bevoegdheid kan door de minister worden uitgeoefend wanneer het ingevolge een noodlottige gebeurtenis of situatie ter bescherming van de civiele veiligheid van de burgers noodzakelijk is om hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid dreigt te worden aangetast of om hen te verbieden zich te verplaatsen; een epidemische of pandemische noodsituatie met een potentieel levensbedreigend effect voor de hele bevolking, zoals de coronapandemie, diende vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021 te worden beschouwd als een ramp of noodlottige situatie in de zin van de Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, die in voorkomend geval kon leiden tot een voor personen bedreigende situatie waardoor het uitvaardigen van de in artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bedoelde maatregelen gewettigd kon zijn; de verplichting om de mond en de neus te bedekken met een mondmasker, omschreven in artikel 25 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, beoogde het besmettingsrisico te herleiden en hierdoor de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te verhinderen; die verplichting, die een minder verregaande maatregel inhoudt dan een verbod van elke verplaatsing of van elk verkeer en als zodanig moet worden beschouwd als een maatregel in de zin van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid, strekte er dan ook toe te vermijden dat op een risicovolle wijze gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021; die bepaling bood bijgevolg een rechtsgrond voor de voormelde maatregel
(1).
(1)Art. 25 MB 28 oktober 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet 14 augustus
- Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182, eerste lid, en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 28-10-2020 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 2020010455 Nota: Art. 25 MB 28 oktober 2020, zoals van toepassing van vóór de inwerkingtreding van de Wet 14 augustus
- Tekst van de beslissing Nr. P.22.0645.N V I C-V, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Danny Francet, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 6 april
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en de artikelen 182 en 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid (hierna Wet Civiele Veiligheid), alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat een analogische interpretatie van de strafwet niet toegelaten is: de veroordeling van de eiseres wegens een inbreuk op de verplichting om mond en neus te bedekken, zoals bepaald in artikel 25 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna MB 28 oktober 2020), is niet naar recht verantwoord; de Wet Civiele Veiligheid heeft geen betrekking op epidemische of pandemische noodsituaties en biedt derhalve niet de wettelijke grondslag voor de door het MB 28 oktober 2020 opgelegde verplichtingen, die verregaande beperkingen opleggen aan de burger; de Wet Civiele Veiligheid moet immers restrictief en niet op een analogische manier worden geïnterpreteerd, wat wordt bevestigd door de invoering van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie, die deze leemte in de Wet Civiele Veiligheid opvult; artikel 182 Wet Civiele Veiligheid houdt ook geen autonome bevoegdheid in maar enkel een middel om de opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid te kunnen uitvoeren.
- Volgens artikel 26 MB 28 oktober 2020 wordt een inbreuk op artikel 25 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, bestraft door artikel 187 Wet Civiele Veiligheid. Artikel 3, tweede lid, van die wet bepaalt dat, zodra de bepalingen van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie in werking zijn getreden, de bepalingen betreffende de bestuurlijke politie van de Wet Civiele Veiligheid niet van toepassing zijn op epidemische noodsituaties. Het MB 28 oktober 2020 werd uitgevaardigd vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet van 14 augustus
- De Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, beoogt de bescherming van de bevolking wanneer deze wordt bedreigd door rampen of noodlottige situaties die de fysieke integriteit van personen, hun goederen of de leefomgeving in gevaar brengen of dreigen te brengen, en dit ongeacht de aard van de aldus bedoelde rampspoed.
- Op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid kan de minister of zijn gemachtigde in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen. Om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden. De weigering of het verzuim zich te gedragen naar die maatregelen is strafbaar op grond van artikel 187 van diezelfde wet.
- De bevoegdheid van de minister om in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid te verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden, strekt niet louter tot uitvoering van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid. Die bevoegdheid kan door de minister worden uitgeoefend wanneer het ingevolge een noodlottige gebeurtenis of situatie ter bescherming van de civiele veiligheid van de burgers noodzakelijk is om hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid dreigt te worden aangetast of om hen te verbieden zich te verplaatsen.
- Een epidemische of pandemische noodsituatie met een potentieel levensbedreigend effect voor de hele bevolking, zoals de corona¬pandemie, diende vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021 te worden beschouwd als een ramp of noodlottige situatie in de zin van de Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus 2021, die in voorkomend geval kon leiden tot een voor personen bedreigende situatie waardoor het uitvaardigen van de in artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bedoelde maatregelen gewettigd kon zijn.
- De verplichting om de mond en de neus te bedekken met een mondmasker, omschreven in artikel 25 MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, beoogde het besmettingsrisico te herleiden en hierdoor de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te verhinderen. Die verplichting, die een minder verregaande maatregel inhoudt dan een verbod van elke verplaatsing of van elk verkeer en als zodanig moet worden beschouwd als een maatregel in de zin van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid, strekte er dan ook toe te vermijden dat op een risicovolle wijze gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 augustus
- Die bepaling bood bijgevolg een rechtsgrond voor de voormelde maatregel. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div