id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.9 Rolnummer: P.22.0922.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 570 - laatst gezien 2026-06-15 06:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Noch uit artikel 3, tweede lid, Wet Civiele Veiligheid, noch uit enige andere wettelijke, grondwettelijke of verdragsrechtelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel kan worden afgeleid dat ministeriële besluiten die met betrekking tot epidemische noodsituaties vóór de inwerkingtreding van de Pandemiewet van 14 augustus 2021 rechtsgeldig werden genomen bij toepassing van artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, na de inwerkingtreding van de Pandemiewet van 14 augustus 2021 niet meer rechtsgeldig zijn; de omstandigheid dat de bepalingen betreffende de bestuurlijke politie van de Wet Civiele Veiligheid na de inwerkingtreding van de Pandemiewet van 14 augustus 2021 op 4 oktober 2021 niet meer van toepassing zijn op epidemische noodsituaties, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Over de Covid 19-noodmaatregelen en artikel 12 Pandemiewet van 14 augustus 2021 zie P. POPELIER, “Vijf na twaalf en prematuur. De Pandemiewet in het licht van het voorbije en toekomstige crisisbeheer”, RW 2021-22, 431-447 (p. 440). Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Art. 3, tweede lid - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0922.N A M S V D S W, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 3 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 14 Grondwet, de artikelen 12 en 16 van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie (hierna Pandemiewet van 14 augustus 2021) en artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid (hierna Wet Civiele Veiligheid): met het oordeel dat de aanpassing van artikel 3 Wet Civiele Veiligheid door de Pandemiewet van 14 augustus 2021 geen afbreuk doet aan de wettigheid van de vóór de inwerkingtreding van die laatste wet op grond van artikel 182 Wet Civiele Veiligheid uitgevaardigde ministeriële besluiten, verantwoorden de appelrechters de veroordeling van de eiser wegens inbreuken op artikel 5 van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 niet naar recht; sinds de inwerkingtreding van de Pandemiewet van 14 augustus 2021 op 4 oktober 2021 bieden de bepalingen van de Wet Civiele Veiligheid niet langer meer een wettelijke basis voor maatregelen ter bestrijding van het coronavirus, zodat voortaan de strafrechtelijke basis ontbreekt voor de bestraffing van inbreuken op het voormelde ministerieel besluit; de Pandemiewet van 14 augustus 2021 voorziet ook niet in een overgangsregeling en biedt zelf geen wettelijke grondslag voor inbreuken die dateren van vóór de inwerkingtreding van die wet.
- Artikel 3, tweede lid, Wet Civiele Veiligheid, zoals ingevoegd door artikel 12 Pandemiewet van 14 augustus 2021, bepaalt: “Zodra de bepalingen van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie in werking zijn getreden, zijn de bepalingen van deze wet betreffende de bestuurlijke politie niet van toepassing op epidemische noodsituaties.”
- Noch uit die bepaling, noch uit enige andere wettelijke, grondwettelijke of verdragsrechtelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel kan worden afgeleid dat ministeriële besluiten die met betrekking tot epidemische noodsituaties vóór de inwerkingtreding van de Pandemiewet van 14 augustus 2021 rechtsgeldig werden genomen bij toepassing van artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, na de inwerkingtreding van de Pandemiewet van 14 augustus 2021 niet meer rechtsgeldig zijn. De omstandigheid dat de bepalingen betreffende de bestuurlijke politie van de Wet Civiele Veiligheid na de inwerkingtreding van de Pandemiewet van 14 augustus 2021 op 4 oktober 2021 niet meer van toepassing zijn op epidemische noodsituaties, doet daaraan geen afbreuk. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1 en 3, vierde lid, Probatiewet: met het oordeel dat de opschorting van de uitspraak van de veroordeling een onvoldoende krachtig signaal zou overbrengen bij de eiser om de nodige bewustwording en gedragsverbetering te bewerkstelligen, verantwoorden de appelrechters niet naar recht waarom niet wordt ingegaan op de door de eiser in ondergeschikte orde verzochte opschorting van de uitspraak van de veroordeling; het enige criterium om de opschorting toe te kennen of te weigeren bestaat in een afweging van de nadelige gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling voor de veroordeelde; de appelrechters weigeren de opschorting louter op grond van het flagrante karakter van de inbreuken en het feit dat een opschorting een onvoldoende krachtig signaal zou zijn, zonder rekening te houden met de sociale en economische situatie van de eiser, die in zijn conclusie om een opschorting had verzocht omdat hij stage loopt in Frankrijk en geen financiële middelen heeft.
- Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien de rechter een verzoek om de opschorting van de uitspraak van veroordeling afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende redenen daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing. Die motivering mag echter beknopt zijn.
- Het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het toekennen van de opschorting van de uitspraak van veroordeling wenselijk is. Bij die beoordeling kan de rechter de aard en de ernst van de feiten betrekken, het gegeven dat de opschorting een onvoldoende krachtig signaal zou inhouden om de nodige bewustwording en gedragsverbetering bij de beklaagde te bewerkstelligen, alsook het gegeven dat niet blijkt dat een veroordeling de sociale reclassering van de beklaagde zal belemmeren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters wijzen eisers verzoek tot opschorting van de uitspraak van veroordeling af en veroordelen de eiser tot een geldboete van 60,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen tot 480,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van 15 dagen, waarvan 20,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen tot 160,00 euro met uitstel van tenuitvoerlegging voor een periode van drie jaar, en oordelen hierbij als volgt: - bij de straftoemeting dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de strafbare feiten zich situeren in het tijdvak helemaal in het begin van de COVID-19-crisis en dat de sanitaire noodsituatie zich als zeer dramatisch liet aanzien, redenen waarom de overheid ingrijpende maatregelen nam; - de eiser trok zich van dit alles weinig aan want er werden meerdere flagrante inbreuken op de covid-reglementering vastgesteld; - de opschorting zou een onvoldoende krachtig signaal overbrengen bij de eiser om de nodige bewustwording en gedragsverbetering te bewerkstelligen; - rekening houdend met alle concrete voorliggende omstandigheden is de op te leggen bestraffing niet van die aard dat de maatschappelijke re-integratie of de sociale reclassering van de eiser hierdoor op disproportionele wijze zou worden belemmerd. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing tot afwijzing van eisers verzoek tot opschorting van de uitspraak van veroordeling. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 november 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div