← België

V. contra ING BELGIUM nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221205.3N.2 Rolnummer: C.22.0016.N Zaak: V. contra ING BELGIUM nv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-01-16 Raadplegingen: 987 - laatst gezien 2026-06-18 21:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche De beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Gerechtelijk Wetboek, kennisneemt van de vorderingen betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, beoordeelt de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging; hij dient, gelet op de door de partijen aangevoerde elementen, te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt, niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval deze niet meer actueel is en de tenuitvoerlegging, mogelijk ten dele, onrechtmatig zou zijn; hij dient de becijfering te onderzoeken van de schuldvordering waarvan de tenuitvoerlegging wordt nagestreefd en de ter zake gerezen betwistingen te beslechten, desgevallend na interpretatie van de titel, waartoe hij krachtens artikel 793, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bevoegd is; beantwoordt de uitvoerbare titel aldus slechts ten dele aan de voorwaarde van artikel 1494, dan beperkt de beslagrechter de tenuitvoerlegging tot dat gedeelte

(1).
(1)Zie Cass. 14 juni 2019, AR C.18.0517.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190614.6, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Vrije woorden: Uitvoerbare titel - Vaststaande en zekere zaken - Titel die gedeeltelijk hieraan voldoet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 793, tweede lid, 1395, eerste lid, en 1498 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0016.N
  2. L.V.W.,
  3. O.I., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen ING BELGIË nv, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.200.393, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 september
  4. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 15 september 2022 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  5. Krachtens artikel 1494 Gerechtelijk Wetboek mag geen uitvoerend beslag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken. De beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Gerechtelijk Wetboek, kennisneemt van de vorderingen betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, beoordeelt de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging. Hij dient bijgevolg, gelet op de door de partijen aangevoerde elementen, te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt, niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval deze niet meer actueel is en de tenuitvoerlegging, mogelijk ten dele, onrechtmatig zou zijn. De beslagrechter dient bijgevolg de becijfering te onderzoeken van de schuldvordering waarvan de tenuitvoerlegging wordt nagestreefd en de ter zake gerezen betwistingen te beslechten, desgevallend na interpretatie van de titel, waartoe hij krachtens artikel 793, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bevoegd is. Beantwoordt de uitvoerbare titel aldus slechts ten dele aan de voorwaarde van artikel 1494, dan beperkt de beslagrechter de tenuitvoerlegging tot dat gedeelte.
  6. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de verweerster bij exploot van 28 januari 2020 aan de eisers een bevel tot betalen voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed liet betekenen tot betaling van een openstaand saldo van 279.704 euro.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers voor de appelrechters hebben aangevoerd dat: - de afrekening in het exploot niet correct is; - bij de afrekening geen rekening werd gehouden met volgende betalingen verricht door de eisers: de betaling van 13 mei 2019 voor een bedrag van 7.500 euro; de betaling van 24 juli 2019 voor een bedrag van 1.000 euro; de betaling van 4 november 2019 voor een bedrag van 3.000 euro; de betaling van 6 november 2019 voor een bedrag van 2.000 euro; de betaling van 7 november 2019 voor een bedrag van 1.000 euro; de betaling van 12 november 2019 voor een bedrag van 650 euro en de betaling van 31 augustus 2020 voor een bedrag van 8.337,96 euro; - nergens in de afrekening een verrekening terug te vinden is met het bedrag van 10.403,60 euro op de geblokkeerde zichtrekening.
  8. De appelrechters die het verzet van de eisers tegen het bevel tot betalen van 28 januari 2020 ongegrond verklaren, zonder te onderzoeken of de door de eisers aangevoerde betalingen in mindering zijn gebracht van het in het betalingsbevel gevorderde bedrag van 279.704 euro, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué en raadsheer Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 5 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221205.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190614.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.