id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17 Rolnummer: P.22.1026.N Zaak: K. contra Belgische Staat Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 1162 - laatst gezien 2026-06-18 23:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Een beklaagde die in het kader van zijn verdediging wenst dat de rechter een bepaalde getuige à charge ter rechtszitting hoort, moet dat zelf en op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze aan de rechter vragen aangezien de uit artikel 6.1 en 6.3.d EVRM voortvloeiende rechten van persoonlijke aard zijn voor elke beklaagde afzonderlijk; een beklaagde kan zich niet erover beklagen dat de rechter geen getuigenverhoor heeft bevolen dat die beklaagde, met nochtans de nodige kennis van zaken, zelf niet heeft gevraagd en het speelt daarbij geen rol of een medebeklaagde dit getuigenverhoor in het kader van zijn eigen verdediging wel heeft gevraagd, ongeacht of die medebeklaagde voor dezelfde feiten wordt vervolgd, dan wel een soortgelijk verweer voert
(1).
(1)Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 434; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen waarbij het wezenlijk is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt
(1).
(1)Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 434; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 12 Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden;(ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald;(iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen dien kunnen bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen
(1).
(1)Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 434; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 13 - 16 In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde waarbij de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria kan versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen en het aldus niet volstaat om te wijzen op het niet of niet geheel voldaan zijn aan een bepaald criterium, wanneer een ander criterium voldoende relevantie heeft om dit te compenseren, zodat het aan de rechter staat om rekening houdend met de voormelde criteria, gelezen in hun onderling verband en steunend op concrete omstandigheden, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend
(1).
(1)Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 434; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 17 - 18 Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen en daarvoor dient de rechter de gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten; het enkele feit dat de rechter het bedrag van de wederrechtelijke vermogensvoordelen die hij lastens een beklaagde verbeurdverklaart, ex aequo et bono bepaalt op een hoger bedrag dan de sommen waarvan hij op grond van verklaringen in het strafdossier vaststelt dat zij met zekerheid door slachtoffers zijn betaald, door ook rekening te houden met sommen waarvan hij op grond van dezelfde gegevens oordeelt dat zij ongetwijfeld ook door slachtoffers moeten zijn betaald zonder dat dit als dusdanig blijkt uit verklaringen in het strafdossier, impliceert niet dat hij de beklaagde schuldig verklaart aan of straft voor niet-vervolgde of niet-bewezen feiten aangezien de rechter daarmee enkel een feitelijk vermoeden gebruikt om de zwaarte van de hier bedoelde straf te bepalen
(1). 1) Cass. 24 maart 2020, AR P.19.0571.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1, AC 2020, nr. 211 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET; Cass. 11 september 2013, AR P.13.0505.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130911.3, AC 2013, nr. 438; Cass. 2 maart 2010, AR P.09.1726.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2, NC 2010/2, 130 en noot J. ROZIE, “De schriftelijke ontnemingsvordering: een maat voor niets”; Cass. 14 december 1994, AR P.94.1033.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941214.15, AC 1994, nr. 555. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°, en 43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°, en 43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1026.N I M K, beklaagde, eiser, tegen 1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de fod Sociale Zaken en Volksgezondheid en Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, burgerlijke partij, 2. S G, burgerlijke partij, 3. G G, burgerlijke partij, 4. FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE MIGRATIESTROMEN, DE BESCHERMING VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN DE MENSENHANDEL, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40, bus 40, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Jan Vanheule, advocaat bij de balie Brussel, verweerders. II E K, beklaagde, eiser, tegen 1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de fod Sociale Zaken en Volksgezondheid en Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, burgerlijke partij, 2. G G, burgerlijke partij, 3. FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE MIGRATIESTROMEN, DE BESCHERMING VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN DE MENSENHANDEL, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40, bus 40, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Jan Vanheule, advocaat bij de balie Brussel, verweerders. III B Y, beklaagde, eiseres, alle eisers vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen 4. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de fod Sociale Zaken en Volksgezondheid en Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, burgerlijke partij, 5. FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE MIGRATIESTROMEN, DE BESCHERMING VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE VREEMDELINGEN EN DE STRIJD TEGEN DE MENSENHANDEL, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40, bus 40, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Jan Vanheule, advocaat bij de balie Brussel, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 juni 2022. De eisers voeren in een gezamenlijke memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II 1. Het arrest spreekt de eiser I vrij van de telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, B.1, B.2, B.3, B.4, B.5, B.6, B.7 vereenzelvigd met B.8 behoudens voor één slachtoffer, B.10, B.11, B.12, B.13 en B.15. Het spreekt de eiser II vrij van de telastleggingen A.4, B.7 vereenzelvigd met B.8 behoudens voor één slachtoffer, B.10, B.11, B.12, B.13 en B.15. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen I en II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: de appelrechters steunen de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastleggingen B.7 en B.9 inzake mensensmokkel (eerste onderdeel) en I inzake passieve corruptie (tweede onderdeel) op doorslaggevende wijze op de verklaringen van getuigen à charge, waarvan de eiser I heeft gevraagd ze ter rechtszitting te mogen ondervragen; de appelrechters hebben het verzoek van de eiser I, waarbij ook de eisers II en III belang hebben, verworpen omdat er voor elk van de getuigen ernstige redenen zijn om hen niet te horen en omdat de belastende verklaringen van de getuigen niet het enige of het doorslaggevende element zijn waarop de schuldigverklaring steunt; uit de eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen blijkt echter dat die verklaringen voor de appelrechters wel degelijk doorslaggevend waren in die zin dat het minstens aannemelijk is dat de verklaringen, gelet op hun belang in het geheel van de motivering betreffende de schuldigverklaring van de eisers, het resultaat van de zaak hebben bepaald; uit de redenen van het arrest blijkt niet dat zonder deze getuigenverklaringen de overige bewijselementen tot een schuldigverklaring zouden hebben geleid; aldus leiden de appelrechters uit hun vaststellingen gevolgen af die daarmee onverenigbaar zijn. 3. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt. 4. Een beklaagde die in het kader van zijn verdediging wenst dat de rechter een bepaalde getuige à charge ter rechtszitting hoort, moet dat zelf en op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze aan de rechter vragen. De voormelde, uit artikel 6.1 en 6.3.d EVRM voortvloeiende rechten zijn immers van persoonlijke aard voor elke beklaagde afzonderlijk. Bijgevolg kan een beklaagde zich niet erover beklagen dat de rechter geen getuigenverhoor heeft bevolen dat de beklaagde, met nochtans de nodige kennis van zaken, zelf niet heeft gevraagd. Het speelt daarbij geen rol of een medebeklaagde dit getuigenverhoor in het kader van zijn eigen verdediging wel heeft gevraagd, ongeacht of die medebeklaagde voor dezelfde feiten wordt vervolgd, dan wel een soortgelijk verweer voert. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 6. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen. Het volstaat aldus niet om te wijzen op het niet of niet geheel voldaan zijn aan een bepaald criterium, wanneer een ander criterium voldoende relevantie heeft om dit te compenseren. 7. Het staat aan de rechter om rekening houdend met de voormelde criteria, gelezen in hun onderling verband, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 8. Het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen de vermelde criteria juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing. 9. Het arrest (p. 47-51) oordeelt voor wat betreft de in het middel vermelde getuigen, met opgave van specifieke gegevens, in het bijzonder dat: - er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van die getuigen omdat zij onder zware druk zijn gezet, dan wel zijn bedreigd door de Assyrische gemeenschap waaraan zij sterk zijn verbonden, om geen belastende verklaringen lastens de eiser I af te leggen; - de verklaringen van die getuigen niet het enige of doorslaggevende bewijs lastens de eiser I uitmaken, gelet op onder meer het bestaan van telefoniegegevens voor wat betreft de getuigen Y.A., L.K., J.S., L.J., C.A. en E.N., de verklaring van een derde voor wat betreft de getuigen J.S., L.J., C.A. en het feit dat getuige G.G. nooit zelf contact heeft gehad met de beklaagden in hoger beroep; - de eiser I ruimschoots de gelegenheid heeft gehad over die getuigenissen tegenspraak te voeren, wat hij ook heeft gedaan. Op grond van deze redenen, die het arrest nergens tegenspreekt maar integendeel regelmatig herneemt, kunnen de appelrechters wettig oordelen dat zij artikel 6.1 en 6.3.d EVRM niet schenden door de verklaringen van de vermelde getuigen, naast een omstandig geheel van andere door hen opgesomde en als doorslaggevend beschouwde bewijselementen (arrest, p. 57-79 en 86-88, met inbegrip van de redenen overgenomen van het beroepen vonnis), te betrekken bij het oordeel over de schuld van de eiser I aan de hem ten laste gelegde feiten van de telastleggingen B.7, B.9 en I. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: de appelrechters verklaren lastens de eisers een hoger bedrag aan vermogensvoordelen verbeurd, namelijk 522.500,00 euro bestaande uit 490.000,00 euro lastens de eiser I, 7.500,00 euro lastens de eiser II en 25.000,00 euro lastens de eiseres III, dan datgene waarvan de appelrechters zelf onaantastbaar hebben vastgesteld dat deze met zekerheid zijn verworven, namelijk het bedrag van 437.000,00 euro; dat verschil blijkt niet uit het arrest; aldus is het Hof niet in staat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen; minstens is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd. 11. De appelrechters verwijzen voor de berekening van de vermogensvoordelen die zij lastens elk van de eisers verbeurdverklaren niet naar de bedragen die zij zelf berekenen als hetgeen zeker is betaald door de in het arrest nader aangeduide personen, maar wel naar de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie, dat een bedrag van 522.500,00 euro vermeldt als geheel van de door de eisers uit hun misdrijven verkregen vermogensvoordelen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: uit hun vaststellingen, namelijk dat er met zekerheid een bedrag van 437.000,00 euro werd betaald door de in het arrest opgesomde personen, vermochten de appelrechters alleszins niet af te leiden dat het uit de bewezen verklaarde misdrijven verkregen vermogensvoordeel 522.500,00 euro bedraagt; dat laatste bedrag is immers in de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie gesteund op veronderstellingen; uit de beslissing van de appelrechters blijkt dat het verschil tussen het verbeurdverklaarde bedrag van 522.500,00 euro en het met zekerheid ontvangen bedrag van 437.000,00 euro zou worden gevormd door het bedrag dat werd betaald door slachtoffers waarvan de appelrechters oordelen dat “die niet konden worden verhoord maar waarvan vaststaat dat zij hebben betaald”; hiermee ramen de appelrechters geen vermogensvoordeel waarvan zij oordelen dat het daadwerkelijk is verkregen, maar besluiten zij op grond van loutere veronderstellingen die geen steun vinden in de telastleggingen tot het bestaan van betalingen en dus van strafbare feiten. 13. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Daarvoor dient de rechter de gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten. 14. Het enkele feit dat de rechter het bedrag van de wederrechtelijke vermogensvoordelen die hij lastens een beklaagde verbeurdverklaart, ex aequo et bono bepaalt op een hoger bedrag dan de sommen waarvan hij op grond van verklaringen in het strafdossier vaststelt dat zij met zekerheid door slachtoffers zijn betaald, door ook rekening te houden met sommen waarvan hij op grond van dezelfde gegevens oordeelt dat zij ongetwijfeld ook door slachtoffers moeten zijn betaald zonder dat dit als dusdanig blijkt uit verklaringen in het strafdossier, impliceert niet dat hij de beklaagde schuldig verklaart aan of straft voor niet-vervolgde of niet-bewezen feiten. Daarmee gebruikt de rechter immers enkel een feitelijk vermoeden om de zwaarte van de hier bedoelde straf te bepalen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 15. De appelrechters oordelen dat de raming van de door de eisers verkregen vermogensvoordelen door het openbaar ministerie eerder minimalistisch voorkomt en dus dient te worden bevestigd, gelet op hun eigen toetsing van die raming aan de hand van de in het strafdossier opgenomen verhoren die zij vermelden en van hun onaantastbare vaststelling dat er veel slachtoffers zijn die hebben betaald maar die niet zijn verhoord. Op grond van die vaststellingen kunnen de appelrechters wettig het bedrag van de lastens de eisers verbeurdverklaarde vermogensvoordelen ex aequo et bono bepalen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 210,69 euro, waarvan voor elk cassatieberoep 70,23 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 6 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941214.15 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130911.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240123.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div