← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Krachtens artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, beveelt het Hof van Cassatie, wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt dat de vastgestelde schending het gevolg is van een procedurefout of -tekortkoming die dermate ernstig is dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft die slechts door een heropening kunnen worden hersteld

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 442q

uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 442q

uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 442q

uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 9 Het recht op bijstand van een advocaat, dat verbonden is met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, zijn rechten die gelden in personam en in beginsel bijgevolg slechts kunnen worden ingeroepen door degene ten aanzien van wie die rechten werden miskend; een beklaagde kan zich evenwel beroepen op de miskenning van die rechten als verweer tegen belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, hetzij wanneer die andere beklaagde, die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt, hetzij wanneer blijkt dat ingevolge de miskenning van die rechten er ongeoorloofde druk werd uitgeoefend op die andere beklaagde en zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1130.N T M T, geboren te Sofia (Bulgarije) op 4 november 1983, verzoeker tot heropening van de rechtspleging, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 19 augustus 2022, vraagt de verzoeker op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 26 november 2013 in de zaak P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.
  1. Op 28 november 2022 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 december 2022 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
  2. Bij arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 april 2012 werden de verzoeker en N.I. naar het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen verwezen op verdenking van moord op B.V., gepleegd op 13 september
  3. De verzoeker werd ervan beschuldigd de opdrachtgever te zijn geweest van de moord, die werd uitgevoerd door N.I.
  4. Na dit verwijzingsarrest: - werd op 25 mei 2012 door de procureur-generaal een akte van beschuldiging opgesteld; - wees de voorzitter van het hof van assisen bij toepassing van artikel 278 Wetboek van Strafvordering op 13 december 2012 het arrest van de preliminaire rechtszitting; - oordeelde de voorzitter van het hof van assisen bij bevelschrift van 14 januari 2013, na te hebben vastgesteld dat de raadsman van de verzoeker zich had teruggetrokken en de verzoeker geen raadsman meer had, dat de zaak niet in staat van wijzen was en naar een latere zitting moest worden verwezen; - werd door de voorzitter van het hof van assisen op 18 april 2013 een nieuw arrest van de preliminaire rechtszitting gewezen.
  5. Voor het hof van assisen betwistte de verzoeker de ontvankelijkheid van de strafvordering en de regelmatigheid van de tijdens het vooronderzoek verzamelde bewijsgegevens. In dit verband voerde de verzoeker onder meer aan dat hij bij de verhoren tijdens het vooronderzoek niet werd bijgestaan door een raadsman, terwijl ook de voor hem belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I. werden afgelegd zonder dat die laatste werd bijgestaan door een raadsman.
  6. Bij tussenarrest van 21 mei 2013 verwierp het hof van assisen de door de verzoeker opgeworpen verweermiddelen over de ontvankelijkheid van de strafvordering en de regelmatigheid van de bewijsgegevens.
  7. Bij arrest van 30 mei 2013 verklaarde het hof van assisen de verzoeker en de medebeschuldigde N.I. schuldig aan de moord op B.V. Bij een tweede arrest van diezelfde datum veroordeelde het hof van assisen de verzoeker hiervoor tot levenslange opsluiting.
  8. De verzoeker stelde cassatieberoepen in tegen het tussenarrest van 21 mei 2013 en tegen de arresten van 30 mei 2013 en voerde daarbij in een eerste middel schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, waarbij hij stelde dat, gelet op de door hem zonder de bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen, de strafvordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard (eerste onderdeel) en dat de strafvordering eveneens niet-ontvankelijk moest worden verklaard of minstens tot bewijsuitsluiting moest worden overgegaan met betrekking tot de belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I., die waren afgelegd zonder dat hij was bijgestaan door een raadsman (tweede onderdeel).
  9. Bij arrest P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4 van 26 november 2013 verwierp het Hof het cassatieberoep van de verzoeker. In antwoord op het voormelde eerste middel oordeelde het Hof dat: - de onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advocaat, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de strafvordering maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs (eerste onderdeel); - het recht op bijstand van een advocaat, de daarmee verbonden cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, rechten zijn die in personam gelden, zodat een beklaagde zich in beginsel niet kan beroepen op de miskenning van die rechten betreffende belastende verklaringen afgelegd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt, wat hier niet het geval is (tweede onderdeel).
  10. Op 26 mei 2014 legde de verzoeker bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) een verzoekschrift (nr. 41115/14) neer waarin om dezelfde redenen opnieuw schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werd aangevoerd.
  11. Bij arrest van 8 maart 2022 oordeelde het EHRM, derde afdeling, eenparig als volgt over het verzoekschrift nr. 41115/14: - de verzoeker werd tijdens het onderzoek meermaals ondervraagd zonder de bijstand van een advocaat, namelijk driemaal vóór zijn arrestatie (§ 42) en een tiental keer na zijn arrestatie (§ 44), en dit in strijd met de bescherming van artikel 6 EVRM waarop de verzoeker zich in dit verband kon beroepen (§ 46); ook de polygraaftest waaraan de verzoeker werd onderworpen en die als resultaat vermeldde dat de reacties van de verzoeker leugenachtig waren, werd afgenomen zonder de bijstand van een advocaat (§ 44, § 58 en § 62); de bijkomende rechten waarvan de verzoeker kon genieten, waaronder het vrije verkeer met zijn raadsman buiten de verhoren en de aanwezigheid van een advocaat tijdens het samenvattend verhoor (§ 45), volstaan niet om de eerlijkheid van de procedure te garanderen (§ 56); - de voormelde verklaringen van de verzoeker hebben het vervolg van de procedure op een doorslaggevende wijze beïnvloed (§ 57); - de Belgische rechtsinstanties hebben onvoldoende onderzocht welke weerslag de afwezigheid van een raadsman heeft gehad op de toelaatbaarheid van de verklaringen van de verzoeker (§ 63); - het hof van assisen heeft in zijn tussenarrest van 21 mei 2013 ook niet de argumenten van de verzoeker onderzocht met betrekking tot de weerslag van de afwezigheid van een raadsman bij de verhoren van de medebeschuldigde N.I. op de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van die laatste en de mogelijkheid dat die verklaringen onder druk werden afgelegd (§ 67); - bij de schuldigverklaring van de verzoeker als opdrachtgever van de moord heeft de jury verwezen naar elementen die slechts met elkaar in overeenstemming konden worden gebracht op basis van de gezamenlijke verklaringen van de verzoeker, van de medebeschuldigde N.I. en van personen die als getuige werden gehoord, waarbij in het verdict een doorslaggevend gewicht werd toegekend aan de voor de verzoeker belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I. (§ 67 en § 70), maar waarbij ook de door de verzoeker afgelegde verklaringen zonder de bijstand van een raadsman een belangrijke plaats innemen (§ 70); - de strafprocedure tegen de verzoeker is in zijn geheel beschouwd niet eerlijk verlopen; er is sprake van een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM (§ 71 en § 72). III. BESLISSING VAN HET HOF A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging
  12. Artikel 442bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wanneer bij een definitief arrest van het EHRM is vastgesteld dat het EVRM of de aanvullende protocollen zijn geschonden, de heropening kan worden gevraagd, enkel wat de strafvordering betreft, van de rechtspleging die heeft geleid tot de veroordeling van de verzoeker in de zaak voor het EHRM.
  13. Volgens artikel 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening van de rechtspleging te vragen aan de veroordeelde.
  14. Het verzoekschrift werd ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven en voldoet aan de in artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde vorm- en tijdsvoorwaarden.
  15. Uit het aangehaalde arrest van het EHRM van 8 maart 2022 volgt dat het Hof van Cassatie, bij de beoordeling van verzoekers grief volgens welke moest worden overgegaan tot bewijsuitsluiting van de door de medebeschuldigde N.I. tijdens het vooronderzoek zonder de bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen, zich niet kon beperken tot het oordeel dat: - het recht op bijstand van een advocaat, de daarmee verbonden cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, rechten zijn die in personam gelden; - een beklaagde zich in beginsel niet kan beroepen op de miskenning van die rechten betreffende belastende verklaringen afgelegd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt; - uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de medebeschuldigde N.I. niet de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en evenmin op die grond zijn verklaringen heeft ingetrokken, zodat het hof van assisen de desbetreffende verklaringen van de medebeschuldigde niet uit het debat diende te weren; maar diende na te gaan of het hof van assisen in het tussenarrest van 21 mei 2013 de weerslag heeft onderzocht van de afwezigheid van een raadsman bij de verhoren van de medebeschuldigde N.I. op de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van die laatste en op de mogelijkheid dat die verklaringen onder druk werden afgelegd.
  16. Hierdoor werd het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de toegang tot een raadsman in alle fasen van het strafproces miskend, zoals uitgelegd door het EHRM in het arrest van 8 maart 2022, rekening houdend met het oordeel van het EHRM dat in het verdict van de jury een doorslaggevend gewicht werd toegekend aan de voor de verzoeker belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I.
  17. De aldus vastgestelde schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM als gevolg van een procedurefout of -tekortkoming is dermate ernstig dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. Het Hof van Cassatie had immers anders kunnen oordelen dan het met het arrest van 26 november 2013 heeft gedaan.
  18. De verzoeker werd veroordeeld tot levenslange opsluiting. Bijgevolg blijft de verzoeker zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden van de bestreden rechtspleging, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld.
  19. De in de artikelen 442bis en 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde voorwaarden zijn verenigd. Er is grond tot heropening van de rechtspleging en intrekking van het arrest P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4 van 26 november
  20. Het Hof gaat bijgevolg over tot een herbeoordeling van de cassatieberoepen van de eiser zoals hierna bepaald. B. Cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van het hof van assisen van 21 mei 2013 Eerste middel Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat het feit dat de medebeschuldigde geen bijstand van een raadsman genoot bij zijn verhoren, geen probleem vormt; het stelt vast dat de medebeschuldigde verklaringen heeft afgelegd zonder dat hij zich kon laten bijstaan door een advocaat terwijl hij zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in voorhechtenis bevond; het laat evenwel na de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, minstens over te gaan tot bewijsuitsluiting van die onregelmatige verhoren waarbij tevens de eiser wordt beschuldigd.
  22. Het recht op bijstand van een advocaat, dat verbonden is met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, zijn rechten die gelden in personam en in beginsel bijgevolg slechts kunnen worden ingeroepen door degene ten aanzien van wie die rechten werden miskend. Een beklaagde kan zich evenwel beroepen op de miskenning van die rechten als verweer tegen belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, hetzij wanneer die andere beklaagde, die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt, hetzij wanneer blijkt dat ingevolge de miskenning van die rechten er ongeoorloofde druk werd uitgeoefend op die andere beklaagde en zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn.
  23. Wanneer een beklaagde aanvoert dat voor hem belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde zonder de bijstand van een raadsman hoewel hij op die bijstand gerechtigd was, uit het debat moeten worden geweerd, kan de rechter zich niet ertoe beperken na te gaan of die andere beklaagde de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en op die grond zijn verklaringen heeft ingetrokken. Hij dient ook na te gaan of de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat niet ertoe heeft geleid dat die andere beklaagde zijn belastende verklaringen heeft afgelegd onder ongeoorloofde druk waardoor de betrouwbaarheid ervan is aangetast.
  24. Het arrest van 21 mei 2013 (p. 10, nr. 10) weigert de voor de eiser belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I., die door deze laatste werden afgelegd tijdens het vooronderzoek zonder de bijstand van een raadsman, uit het debat te weren omdat de medebeschuldigde N.I. zich niet heeft beroepen op de miskenning van het recht op bijstand van een raadsman en zijn belastende verklaringen ten aanzien van de eiser ook niet heeft ingetrokken. Het onderzoekt evenwel niet of de miskenning van het recht van de medebeschuldigde N.I. op bijstand van een raadsman bij de door hem afgelegde verklaringen tijdens het vooronderzoek, niet ertoe heeft geleid dat de medebeschuldigde N.I. zijn voor de eiser belastende verklaringen heeft afgelegd onder ongeoorloofde druk waardoor de betrouwbaarheid van die verklaringen is aangetast. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  25. De grieven kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. Omvang van de cassatie
  26. De onwettigheid van het arrest van 21 mei 2013 met betrekking tot het verweer van de eiser tegen de door de medebeschuldigde N.I. tijdens het vooronderzoek zonder de bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen, leidt tot de vernietiging van dit tussenarrest, van het arrest van 30 mei 2013 over de schuld en het arrest van diezelfde datum over de straf. Gelet op het nauwe verband tussen die onwettigheid, de akte van beschuldiging en de arresten van de preliminaire rechtszitting van 13 december 2012 en van 18 april 2013, brengt de vernietiging van het arrest van 21 mei 2013 ook de vernietiging met zich mee van de akte van beschuldiging en van de volledige daarop volgende procedure, met inbegrip van de arresten van de preliminaire rechtszitting. Dictum Het Hof, Beveelt de heropening van de rechtspleging. Trekt het arrest P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4 in dat het Hof op 26 november 2013 heeft gewezen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ingetrokken arrest. Vernietigt: - de akte van beschuldiging van 25 mei 2012; - het arrest van de preliminaire rechtszitting van 13 december 2012; - het arrest van de preliminaire rechtszitting van 18 april 2013; - het tussenarrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 21 mei 2013; - het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 30 mei 2013 over de schuld; - het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 30 mei 2013 over de straf. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten. Laat de kosten van de rechtspleging tot heropening ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van assisen van de provincie Antwerpen. Bepaalt de kosten van de rechtspleging tot heropening op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Antoine Lievens, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Antoine Lievens, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221206.2N.19 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.