← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.27 Rolnummer: P.22.1573.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht - Overige Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 590 - laatst gezien 2026-06-15 06:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit artikel 12 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, dat bepaalt dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en die in hechtenis is genomen op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid kan worden gesteld, volgt niet dat op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over een verzoek tot invrijheidstelling overeenkomstig artikel 20, §§ 2 en 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel, de artikelen 20, § 6, laatste lid, 22, 24 en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet van toepassing zijn. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 12 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 20, §§ 2 en 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 24 en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 12 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 20, §§ 2 en 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 24 en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 12 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 20, §§ 2 en 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 24 en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 12 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 20, §§ 2 en 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22, 24 en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 5 - 7 Het staat aan de onderzoeksgerechten die moeten beslissen over een verzoek tot invrijheidstelling overeenkomstig artikel 20, §§ 2 en 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel, te oordelen in welke mate het gevaar voor onttrekking de hechtenis van de betrokkene verder noodzakelijk maakt maar uit de korte termijn waarbinnen de onderzoeksgerechten over een degelijk verzoek moeten beslissen, volgt dat zij een daarmee verband houdend verweer van de betrokkene niet tot in het detail moeten beantwoorden. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 20, §§ 2 en 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 20, §§ 2 en 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 20, §§ 2 en 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1573.N M M, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, verzoeker tot invrijheidstelling, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 20, § 6, laatste lid, 22, 24 en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest beantwoordt eisers verweer betreffende het onttrekkingsgevaar, waarbij hij heeft verwezen naar feitelijke gegevens eigen aan de zaak en aan zijn persoon, slechts met een algemene opmerking en zonder nauwkeurig en geïndividualiseerd onderzoek van het vluchtgevaar; aldus is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed.
  3. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over een verzoek tot invrijheidstelling overeenkomstig artikel 20, § 2, en § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  4. Uit artikel 12 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, dat bepaalt dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en die in hechtenis is genomen op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid kan worden gesteld, volgt niet dat op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over een verzoek tot invrijheidstelling overeenkomstig artikel 20, § 2, en § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel, de artikelen 20, § 6, laatste lid, 22, 24 en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet van toepassing zijn.
  5. Het staat aan de onderzoeksgerechten die moeten beslissen over een verzoek tot invrijheidstelling overeenkomstig artikel 20, § 2, en § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel, te oordelen in welke mate het gevaar voor onttrekking de hechtenis van de betrokkene verder noodzakelijk maakt.
  6. Uit de korte termijn waarbinnen de onderzoeksgerechten over een dergelijk verzoek moeten beslissen, volgt dat zij een daarmee verband houdend verweer van de betrokkene niet tot in het detail moeten beantwoorden.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Het arrest beoordeelt eisers verzoek om in vrijheid te worden gesteld mits naleving van bepaalde voorwaarden, ondergeschikt de hechtenis te ondergaan onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, als volgt: - de zaak met betrekking tot de vordering tot uitvoerbaarverklaring van het Europees aanhoudingsbevel staat voor behandeling door de kamer van inbeschuldigingstelling op de rechtszitting van 28 november 2022; - er bestaan nog steeds ernstige redenen te vrezen dat de eiser zich aan het optreden van het gerecht zal onttrekken in het bijzonder gelet op de strenge straffen waarin de wet van de uitvaardigende lidstaat voorziet voor de misdrijven waarvoor de overlevering wordt gevraagd; - noch een voorlopige invrijheidstelling mits het naleven van voorwaarden en het voorafgaandelijk storten van een borgsom, noch een hechtenis onder de modaliteit van een elektronisch toezicht bieden te dezen voldoende waarborgen tegen het patent vluchtgevaar, zodat enkel een handhaving van de hechtenis in de gevangenis kan garanderen dat de Belgische Staat ten dezen haar verplichtingen ten aanzien van de uitvaardigende staat kan vervullen. Met die redenen beantwoordt het arrest op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze het door het middel bedoelde verweer en omkleedt het de afwijzing van eisers verzoek tot invrijheidstelling regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 6 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.