id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.2 Rolnummer: C.21.0469.N Zaak: BANK NAGELMACKERS contra ZAKENKANTOOR CARMANS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-12-22 Raadplegingen: 1077 - laatst gezien 2026-06-18 13:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.2 Fiches 1 - 2 De handelsagentuurovereenkomst vereist, anders dan een makelaarsovereenkomst, dat er sprake is van een permanente band tussen de partijen aan de overeenkomst
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.11, 1° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: MAKELAAR Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.11, 1° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 3 - 4 De handelsagent heeft recht op een uitwinningsvergoeding wanneer op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst naar redelijke verwachting, mag worden aangenomen, zonder dat is vereist dat dit daadwerkelijk zo is, dat de aanbreng van nieuwe klanten of de aanzienlijke uitbreiding van de zaken met bestaande klanten de principaal na de beëindiging van de overeenkomst nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, hetgeen een zekere bestendigheid van die aanbreng of uitbreiding impliceert
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 5 - 6 Indien de handelsagentuurovereenkomst een concurrentiebeding bevat ten gunste van de handelsagent bestaat een vermoeden dat de agentuur de principaal nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, behoudens het tegenbewijs te leveren door de principaal dat de agentuur hem geen aanzienlijke voordelen kon opleveren, hetgeen wordt beoordeeld op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst; het bewijs dat de principaal niet daadwerkelijk een aanzienlijk voordeel heeft genoten volstaat niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0469.N BANK NAGELMACKERS nv, met zetel te 1210 Brussel, Sterrenkundelaan 23, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.140.107, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen ZAKENKANTOOR CARMANS nv, met zetel te 3520 Zonhoven, Beringersteenweg 13C, bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0471.662.302, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 maart
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 3 november 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Indien de gegevens waarover de feitenrechter moet oordelen, de kwalificatie kunnen uitsluiten die de partijen aan de tussen hen gesloten overeenkomst hebben gegeven, kan hij deze door een andere kwalificatie vervangen.
- Artikel I.11, 1°, WER definieert de handelsagentuurovereenkomst als een overeenkomst waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal. De handelsagent deelt zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken in en beschikt zelfstandig over zijn tijd.
- De handelsagentuurovereenkomst vereist aldus, anders dan een makelaarsovereenkomst, dat er sprake is van een permanente band. Het vereiste dat er sprake is van een permanente band, is onverenigbaar met de kwalificatie van een overeenkomst als makelaarsovereenkomst. Hieruit volgt dat een rechter, om een makelaarsovereenkomst te kunnen herkwalificeren naar een agentuurovereenkomst, moet vaststellen dat er sprake is van een permanente band.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de partijen samenwerkten op basis van één geschreven overeenkomst, zijnde het agentschapscontract van 31 oktober 2003; - in deze overeenkomst een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de activiteiten van de verweerster als zelfstandig bankagent en haar activiteiten inzake kredietproducten en verzekeringsdossiers; - de overeenkomst omtrent de kredietproducten en verzekeringsdossiers bepaalt: “Voorwerp, §
- De tussenpersoon behoudt zich het recht voor om zich voor kredietdossiers en verzekeringsproducten (…) vrij te richten tot de instellingen van zijn keuze. Wanneer de tussenpersoon beslist om een aanvraag voor een krediet of voor een verzekeringsproduct bij de bank in te dienen, dan handelt hij, in dit kader, als kredietmakelaar of verzekeringstussenpersoon. Er geldt immers inzake kredieten en verzekeringen geen enkele exclusiviteit noch enig voorkeurrecht tussen de partijen, die slechts met elkaar een relatie aangaan wanneer de tussenpersoon meent, gelet op de specifieke eigenheid van dergelijk dossier, dat de producten van de bank het best beantwoorden aan de legitieme verwachtingen van de cliënt in een welbepaald geval. (…) De volledige vrijheid van de agent in het kader van de bemiddeling inzake kredieten en verzekeringen impliceert dat deze activiteit buiten het voorwerp van dit agentschapscontract valt en er dus ook niet aan onderworpen is.”; - er enerzijds sprake is van permanente en exclusieve bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en anderzijds van niet-exclusieve bemiddeling in kredieten en verzekeringen; - werd bedongen dat de bemiddelingsactiviteit van de verweerster inzake kredieten en verzekeringen buiten het voorwerp viel van het tussen partijen gesloten agentschapscontract en er dan ook niet aan onderworpen was; - dit niet eraan in de weg staat dat de partijen slechts één overeenkomst hebben gesloten en dat in dit agentschapscontract en zijn bijlagen werd bedongen op welke wijze de verweerster haar activiteiten als makelaar in kredieten en verzekeringen diende uit te oefenen en welke procedures zij moest naleven; - dit op zich reeds tegenspreekt dat deze bemiddelingsactiviteit niet was onderworpen aan deze overeenkomst tussen partijen die door de eiseres werd opgesteld; - hieruit, integendeel, blijkt dat deze activiteiten kaderden in dezelfde contractuele relatie als de zelfstandige bankactiviteit; - de verweerster ook voor haar bemiddeling als makelaar in kredieten en verzekeringen werd vergoed onder de vorm van commissies die werden toegekend volgens het “barema inzake commissielonen voor zelfstandige agenten” dat aan de agentschapsovereenkomst was gehecht en er integrerend deel van uitmaakte en waarin werd vermeld onder welke voorwaarden deze vergoeding werd toegekend en hoe deze werd berekend; - deze vergoedingen werden uitbetaald in het kader van de agentschapsovereenkomst; - de vergoedingen voor de krediet- en verzekeringsactiviteiten verder ook werden vermeld op dezelfde commissieborderellen en fiscale fiches als de commissie die geïntimeerde ontving als zelfstandig bankagent; - deze borderellen en fiches werden opgemaakt door de eiseres; - uit alle vorige vaststellingen en overwegingen volgt dat het de wil van de partijen is geweest om zowel de bankactiviteit als de krediet- en verzekeringsactiviteit onder te brengen onder hetzelfde agentschapscontract; - de aan de verweerster toekomende opzeggingsvergoeding van het agentschapscontract ook moet worden berekend op basis van de vergoedingen die zij ontving als krediet- en verzekeringsmakelaar; - de verweerster eveneens gerechtigd is aanspraak te maken op een uitwinningsvergoeding berekend rekening houdend met de commissies die zij ontving als krediet- en verzekeringsmakelaar.
- De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de bank-, de krediet- en de verzekeringsactiviteiten kaderen in dezelfde agentuurovereenkomst en dezelfde contractuele relatie, en aldus te kennen geeft dat ook voor wat betreft de krediet- en de verzekeringsactiviteiten een permanente band bestond tussen de partijen, waardoor de verweerster gerechtigd is aanspraak te maken op een opzeggings- en uitwinningsvergoeding die ook rekening houdt met de vergoedingen die zij ontving voor haar krediet- en verzekeringsactiviteiten, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Tweede middel Eerste onderdeel (…)
- Uit de tekst van de wet en uit de parlementaire voorbereiding volgt dat de handelsagent recht heeft op een uitwinningsvergoeding, wanneer naar redelijke verwachting mag worden aangenomen dat de aanbreng van nieuwe klanten of de aanzienlijke uitbreiding van de zaken met bestaande klanten, na de beëindiging van de overeenkomst, de principaal nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, hetgeen een zekere bestendigheid van de bedoelde aanbreng of uitbreiding impliceert. Het is evenwel niet vereist dat de aanbreng of de uitbreiding, na de beëindiging van de overeenkomst, daadwerkelijk nog aanzienlijke voordelen oplevert voor de principaal. De vervulling van de voorwaarde dient in de regel te worden beoordeeld op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst. Feiten die dateren van na de beëindiging van de overeenkomst en van aard zijn de verwezenlijking van de voorwaarde in de weg staan, mogen in geen geval in aanmerking worden genomen, wanneer zij aan de principaal zelf toe te schrijven zijn. Indien de handelsagentuurovereenkomst een concurrentiebeding bevat ten gunste van de handelsagent, bestaat een vermoeden dat de agentuur de principaal nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, behoudens tegenbewijs te leveren door de principaal. Daartoe dient de principaal aan te tonen dat de agentuur hem geen aanzienlijke voordelen kon opleveren, hetgeen in de regel te beoordelen is op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst. Het bewijs dat de principaal niet daadwerkelijk een aanzienlijk voordeel heeft genoten, volstaat niet.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het agentschapscontract een niet-concurrentiebeding bevatte, zodat moet worden vermoed dat de eiseres aanzienlijke voordelen heeft genoten; - dit vermoeden door de eiseres moet worden weerlegd; - de eiseres voorhoudt dat de verweerster bankagent is geworden van Record Bank te Zonhoven en dat er naar aanleiding hiervan een belangrijke afvloei van cliënteel heeft plaatsgevonden; - de stukken die de eiseres voorlegt omtrent de afvloei van cliënteel eenzijdig zijn en op zich geen bewijswaarde hebben; - de eiseres ook stukken voorlegt waaruit blijkt dat in deze periode veel klanten hun rekening afsloten en hun rekeningtegoed overschreven naar een nieuwe rekening bij Record Bank; - de afvloei van het cliënteel evengoed kan worden verklaard door de gewijzigde strategie van de eiseres om het aantal tussenpersonen te verminderen; - het ook mogelijk en zelfs aannemelijk is dat klanten hebben afgehaakt omdat de agentschapsovereenkomst werd beëindigd en zij werden doorgestuurd naar een verder gelegen kantoor, waar zij minder goed werden opgevangen en bediend: de eiseres liet zelf weten dat zij zich wilde specialiseren in het bijstaan van vermogende klanten; - dit omstandigheden zijn die enkel aan de eiseres kunnen worden toegerekend; - het niet bewezen is dat deze verzoeken tot afsluiting en overdracht, die uitgingen van de klanten zelf, zijn gebeurd op initiatief van de verweerster, die hen daartoe actief zou hebben aangezet; - de verweerster die overigens het niet-concurrentiebeding niet diende na te leven aangezien de eiseres de agentuur had opgezegd, niet kan worden verweten dat klanten hebben beslist om klant te worden van de bankinstelling die zou worden uitgebaat in dezelfde gemeente als waar zij vroeger klant waren en bijgevolg de verweerster te volgen; - dit ook geldt voor klanten die zouden hebben beslist om tegoeden over te schrijven zonder hun rekening af te sluiten of om geen gelden meer te beleggen bij de eiseres of die bepaalde producten op hun vervaldag niet zouden hebben herbelegd; wat deze laatste klanten betreft, staat zelfs niet vast dat zij gelden elders hebben belegd; - de eiseres niet aantoont dat op het ogenblik van de beëindiging van de agentuur vaststond of voldoende voorspelbaar was dat de verweerster de bedoeling had dat de voordelen van de aangebrachte klanten en de uitbreiding van de zaken met de bestaande klanten niet aan de eiseres zouden toekomen, zodat deze geen aanzienlijke voordelen kon verwerven; - de eerste rechter terecht heeft overwogen dat de eiseres geenszins aantoont dat de afvloei van het cliënteel toerekenbaar is aan de verweerster en dus niet onder meer te wijten kan zijn aan de reorganisatie door de eiseres van haar eigen kantorennet of andere strategische keuze in haar hoofde; - het feit dat de eiseres er niet in slaagde om het cliënteel te behouden, op zich geen afbreuk kan doen aan het recht van de verweerster op een uitwinningsvergoeding; - in hoofde van de eiseres evenmin sprake is van een situatie waarin de principaal zijn activiteit op het grondgebied van de agent heeft beëindigd; - gelet op de eigen aard van de betrokken producten, diensten en relaties, het cliënteel in de gegeven omstandigheden voor de eiseres de mogelijkheid bood om toekomstige orders te verkrijgen en dit op voortdurende en zeer regelmatige basis: de eiseres was het best geplaatst om nieuwe voorstellen te doen aan het cliënteel, wanneer de beleggingen op hun vervaldag kwamen.
- De appelrechter die aldus te kennen geeft dat de eiseres niet erin slaagt het vermoeden te weerleggen dat de eiseres aanzienlijke voordelen kon genieten na de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst en oordeelt dat de verweerster in de gegeven omstandigheden aanspraak kan maken op een uitwinningsvergoeding, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 562,81 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 9 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div