id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.1 Rolnummer: P.22.0441.N Zaak: V. contra C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Insolventierecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-20 Raadplegingen: 960 - laatst gezien 2026-06-18 19:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Het feit dat een schadelijder zich in collectieve schuldenregeling bevindt en er daardoor overeenkomstig artikel 1675/7 Gerechtelijk Wetboek een samenloop van schuldeisers is ontstaan tot wier betaling zijn boedel strekt, heeft als dusdanig geen impact op de omvang van de door een misdrijf veroorzaakte schade waarop die schadelijder gerechtigd is, noch op het oorzakelijk verband tussen de fout en zijn schade; de boedel blijft ongeacht zijn doelgebondenheid immers behoren tot het vermogen van de schadelijder en de schuldbemiddelaar moet de boedel beheren ten bate van de betrokkene, onder meer opdat zijn levensonderhoud wordt verzekerd en zijn toekomstig vermogen of krediet wordt gevrijwaard van zijn bestaande schulden, dit alles in verhouding tot de beschikbare middelen; de vermindering van die middelen ingevolge het misdrijf, waardoor een doelstelling van de collectieve schuldenregeling niet of in mindere mate kan worden gerealiseerd dan wanneer het misdrijf niet had plaatsgevonden, vormt voor de betrokkene een eigen en persoonlijke schade die in een zeker causaal verband met het misdrijf staat en die derhalve voor vergoeding in aanmerking komt. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen COLLECTIEVE SCHULDENREGELING BURGERLIJKE RECHTSVORDERING MISDRIJF - ALLERLEI Fiches 5 - 6 Hoewel de rechter bij de raming van de schade het tijdstip van de uitspraak in aanmerking moet nemen, moet de omvang van de schade worden bepaald op het tijdstip van de fout en kan de omstandigheid dat er in de schade veranderingen zijn opgetreden die niet hun oorsprong vinden in de onrechtmatige daad, degene die de fout heeft begaan niet ontslaan van zijn verplichting tot algehele vergoeding van de schade
(1); hieruit volgt dat, bij de beoordeling van de schade geleden door een persoon ingevolge de verduistering van zijn beroeps of vervangingsinkomsten die ten tijde van de onrechtmatige daad toekwamen op de gemeenschappelijke rekening die in onverdeeldheid toebehoorde aan deze persoon en degene waarmee hij gezinsuitgaven deelde, de rechter ervan mag uitgaan dat de te vergoeden schade van die persoon de helft van de verduisterde inkomsten bedroeg, ook al is de onverdeeldheid op het moment van de uitspraak beëindigd zonder dat het resultaat van de vereffening en verdeling ervan is gekend.
(1)Cass. 28 maart 2017, AR P.16.0751.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.4, AC 2017, nr.
- Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Tekst van de beslissing Nr. P.22.0441.N D J N V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven, tegen
- H C, burgerlijke partij,
- H D, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 maart 2022, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 27 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiser misbruik van vertrouwen heeft gepleegd, onder meer doordat hij zich als schuldbemiddelaar bedrieglijk en ten nadele van een ander voorschotten op kosten en erelonen heeft toegekend, zonder in antwoord op eisers conclusie de voornaamste redenen te vermelden waarop het zich daarvoor steunt; minstens kan uit de redenen van het arrest over het bedrieglijk opzet niet wettig worden afgeleid dat er bij de eiser sprake was van dit bedrieglijk opzet voor wat betreft de vermelde voorschotten.
- Het arrest verklaart de eiser schuldig aan misbruik van vertrouwen met betrekking tot minstens 28.720,58 euro, 19.596,83 euro, 16.481,60 euro, 14.500,30 euro en 42.046,14 euro, dit zijn bedragen waarover de eiser het beheer had in zijn hoedanigheid van schuldbemiddelaar van de in de telastleggingen 1 tot 5 vermelde personen. Het arrest oordeelt dat de eiser die gelden bedrieglijk in het nadeel van deze personen heeft verduisterd of verspild door ze over te schrijven van de schuldbemiddelingsrekeningen naar zijn eigen rekeningen en naar andere schuldbemiddelingsrekeningen en ze van daaruit te gebruiken om zijn eigen schulden te betalen. Het arrest (p. 40-48) verwerpt daarbij eisers verweer dat die gelden terugbetalingen zouden zijn van met eigen gelden voorgeschoten kosten of leeflonen, dan wel betalingen zouden zijn van hem verschuldigde voorschotten op erelonen of kosten. Die beslissingen steunt het arrest (p. 32-48) op een omstandig geheel van met feiten gestaafde redenen, waaronder de volgende redenen: - de eiser was niet gemachtigd om zichzelf met de gelden van de schuldbemiddelingsrekeningen voorschotten op erelonen en kosten toe te kennen zonder goedkeuring of taxatie van de rechtbank; - de eiser wist als ervaren advocaat dat hij zich de hem toevertrouwde gelden, eigendom van personen in collectieve schuldenregeling, niet bedrieglijk mocht toe-eigenen als voorschot op zijn eigen erelonen als schuldbemiddelaar; - dat de overschrijvingen betrekking hadden op voorgeschoten kosten of leeflonen is ongeloofwaardig gelet op de hoeveelheid aan transacties en de grootte orde van bedragen, alsmede op de klachten van de personen in collectieve schuldenregeling over het niet betalen van hun schulden en over het gebrek aan overzicht van hun financiële situatie; - de verrichtingen die de eiser tussen de verschillende schuldbemiddelingsrekeningen heeft gedaan, werden genoodzaakt door het feit dat er op de schuldbemiddelingsrekeningen een gebrek aan fondsen was ingevolge zijn voorafgaande en bewuste verduistering van de gelden van die rekeningen; - er bestaat geen twijfel over het bedrieglijk opzet bij de eiser. Op grond van de specifieke redenen die het vermeldt, preciseert het arrest dat het hier niet gaat over een slordigheid, verzuim of nalatigheid, noch over het tijdelijk gebruiken van fondsen toegevend aan een dringende behoefte; - op het ogenblik dat de eiser de gelden overschreef naar eigen rekeningen had hij niet de intentie deze terug te betalen en op het ogenblik dat de eiser de gelden overschreef naar andere schuldbemiddelingsrekeningen had hij evenmin de intentie de vermogensvermenging en dus de verspilling nadien ongedaan te maken. Op het einde van zijn opdracht was er voor elke schuldbemiddelingsrekening een negatief saldo in die zin dat er meer gelden werden overgemaakt naar zijn rekeningen en andere schuldbemiddelingsrekeningen dan dat er gelden terugkwamen. Latere terugbetalingen maken het misdrijf niet ongedaan; - uit de houding van de opvolgende schuldbemiddelaars kan enkel worden afgeleid dat zij van oordeel waren dat er zich onregelmatigheden hadden voorgedaan bij de uitoefening door de eiser van zijn mandaat als schuldbemiddelaar; - de eiser heeft de overschrijvingen niet op transparante wijze gedaan en het lijkt erop dat hij dermate veel transacties heeft uitgevoerd en dermate veel eigen rekeningen heeft gebruikt om verwarring te zaaien.
- Op grond van het geheel van de redenen die het arrest aldus vermeldt en die in hun geheel moeten worden gelezen, kunnen de appelrechters wettig eisers verweer verwerpen dat de overgeschreven bedragen moeten worden toegerekend op aan hem verschuldigde voorschotten op kosten en erelonen en kunnen zij wettig oordelen dat de eiser voor het geheel van de overgeschreven bedragen heeft gehandeld met bedrieglijk opzet. Met die redenen vermelden de appelrechters in antwoord op het verweer van de eiser eveneens de voornaamste redenen voor hun beslissing en is die beslissing zodoende regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 870 en 1675/7 Gerechtelijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiser tot vergoeding van alle verduisterde activa van de verweerders ten belope van hun vermoed aandeel in de onverdeeldheid die tussen hen en hun partner of echtgenoot bestond, maar laat onzekerheid bestaan over de vraag of, indien de verduistering niet had plaatsgevonden, die activa of een deel ervan al dan niet aan de schuldeisers zouden zijn toebedeeld in het kader van de collectieve schuldenregeling; aldus miskent het arrest het principe dat enkel de werkelijk door het slachtoffer geleden schade waarvan het oorzakelijk verband met het misdrijf met zekerheid vaststaat moet worden vergoed en stelt het de verweerders vrij van hun verplichting om hun schade en de omvang ervan, alsook het oorzakelijk verband tussen die schade en het misdrijf te bewijzen.
- Het feit dat een schadelijder zich in collectieve schuldenregeling bevindt en er daardoor overeenkomstig artikel 1675/7 Gerechtelijk Wetboek een samenloop van schuldeisers is ontstaan tot wier betaling zijn boedel strekt, heeft als dusdanig geen impact op de omvang van de door een misdrijf veroorzaakte schade waarop die schadelijder gerechtigd is, noch op het oorzakelijk verband tussen de fout en zijn schade. De boedel blijft ongeacht zijn doelgebondenheid immers behoren tot het vermogen van de schadelijder en de schuldbemiddelaar moet de boedel beheren ten bate van de betrokkene, onder meer opdat zijn levensonderhoud wordt verzekerd en zijn toekomstig vermogen of krediet wordt gevrijwaard van zijn bestaande schulden, dit alles in verhouding tot de beschikbare middelen. De vermindering van die middelen ingevolge het misdrijf, waardoor een doelstelling van de collectieve schuldenregeling niet of in mindere mate kan worden gerealiseerd dan wanneer het misdrijf niet had plaatsgevonden, vormt voor de betrokkene een eigen en persoonlijke schade die in een zeker causaal verband met het misdrijf staat en die derhalve voor vergoeding in aanmerking komt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 51-52 en 55-56) oordeelt onder meer: - een burgerlijke schadevergoeding heeft tot doel om de benadeelde terug te plaatsen in de financiële toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien het misdrijf niet was gepleegd; - de schade die in oorzakelijk verband staat met het misdrijf is het bedrag van de verduisterde gelden, zijnde de gelden die toebehoorden aan het vermogen van de verweerders en die hieraan door de eiser werden onttrokken; - dat met deze gelden, bij niet-verduistering ervan door de eiser, schuldeisers van de verweerders zouden zijn vergoed, is niet dienend; - de te vergoeden schade ontstond toen de gelden door de eiser werden verduisterd of verspild, zodat om deze schade integraal te vergoeden, het verarmde vermogen moet worden weder samengesteld. Dit gegeven is zeker: de verweerders vorderen enkel bedragen die aan hun vermogen werden onttrokken; - het staat tegelijk niet vast dat de onbetaald gebleven schulden van schuldeisers zonder fout van de eiser allen zouden zijn betaald, gezien ook het recht van de verweerders om een menswaardig leven te leiden en de verplichting voor de schuldbemiddelaar om toe te zien op de prioritaire betaling van de schulden die het recht om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen; - het staat hierbij niet vast dat de onbetaald gebleven schulden behoorden tot deze categorie; - uit de latere integrale kwijtschelding van de schulden van de verweerders blijkt tevens hun toenmalig totaal onvermogen; - het is dan ook niet zeker dat zo de eiser geen gelden bedrieglijk zou hebben verduisterd of verspild, destijds hiermee schulden zouden zijn betaald die tot op heden onbetaald zijn gebleven: dit is volkomen speculatief; - daarbij bestond voor schuldeisers ook de mogelijkheid om toepassing te vorderen van artikel 1675/13bis, § 4, Gerechtelijk Wetboek, namelijk in geval van de terugkeer tot beter fortuin van hun schuldenaar, zodat schuldeisers er belang bij hadden om toe te zien op het vermogen van hun schuldenaar; - de eiser kan bezwaarlijk weigeren de door hem veroorzaakte verarming van het vermogen ongedaan te maken, verwijzend naar de vermogensrechtelijke aanspraken van derden die over eigen rechten beschikten om toe te zien op het verloop van eerst de minnelijke en gerechtelijke aanzuiveringsregeling en vervolgens de periode van vijf jaar nadien, volgend op de beslissing tot totale kwijtschelding van de schulden.
- Op grond van deze redenen, die de verweerders niet ontheffen van de op hen rustende bewijslast en die geen onzekerheid laten bestaan over de omvang van de werkelijk door hen geleden schade, kan het arrest, na verrekening, wettig de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders gegrond verklaren ten belope van het totaal van de bedragen die de eiser zich in hun nadeel heeft toegeëigend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 1675/19, § 1 en § 2, Gerechtelijk Wetboek: het arrest gaat bij het bepalen van de schade van de verweerders niet uit van het netto vermogen dat hen zou zijn toegekomen indien er geen verduistering had plaatsgevonden, maar van het bruto vermogen voorafgaandelijk aan het in mindering te brengen bedrag van ereloon, emolumenten en kosten dat krachtens de wet bij voorrang aan de schuldbemiddelaar toekomt; aldus kent het arrest aan de verweerders een vergoeding toe die hen in een betere toestand plaatst dan deze waarin zij zich zouden hebben bevonden indien het misdrijf waarop de vervolging slaat, niet was gepleegd.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser aan de appelrechters een door de bevoegde rechter goedgekeurde staat van onkosten en erelonen heeft overgelegd met het verzoek deze in mindering te brengen van de schadevergoedingen waarop de verweerders aanspraak maakten. In wezen heeft de eiser met zijn verweer enkel zijn eigen berekeningen inzake de wederzijdse schulden en schuldvorderingen in het kader van de schuldbemiddeling aangevoerd om zijn onschuld aan het hem verweten misdrijf aan te tonen en heeft hij aangevoerd dat de verweerders, gelet op de aanspraken van hun schuldeisers, geen wettig vereist belang hadden voor het instellen van hun rechtsvorderingen.
- De appelrechters die eisers vermelde aanvoeringen verwerpen en verder onder meer oordelen dat de verweerders wel degelijk belang en hoedanigheid hadden om hun rechtsvorderingen tegen de eiser in te stellen, dat de eiser niet gemachtigd was zichzelf erelonen toe te kennen, dat er zich in de schuldbemiddelingsdossiers geen ereloonstaten bevonden en dat de eiser ook niet betwist dat er nooit een goedkeuring of taxatie door de rechtbank is gebeurd, dienden op grond van dat verweer niet zelf eisers kosten en erelonen in mindering te brengen van de schade van de verweerders. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 577-2, 1399, 1467, 1478 en 1382 oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 8.4 en 8.9, § 1 en § 2, Burgerlijk Wetboek en artikel 1675/7 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het beschikkingsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging: het arrest bepaalt het aandeel van elke verweerder in de schadevergoeding op 50 procent van de totale schade, zonder bewijs van de vereffening en verdeling van de voormalige onverdeeldheid tussen de verweerders en hun respectieve partner of echtgenoot en van de daaruit voor hen volgende aanspraken; de beëindiging van een onverdeeldheid is een rechtshandeling die niet wordt vermoed, maar die tegenover derden moet worden bewezen met een geschrift, bij gebreke waaraan de eisende partij in het ongelijk moet worden gesteld.
- Het beschikkingsbeginsel en het recht van verdediging zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest maakt geen melding van een huwelijksgemeenschap. Het oordeelt evenmin dat de onverdeeldheden die voorafgaand aan de uitspraak hebben bestaan tussen de verweerders en hun respectieve partners, voortvloeien uit de beëindiging van hun respectieve relaties. Het oordeelt wel dat die onverdeeldheden reeds bestonden op het moment van de feiten. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Hoewel de rechter bij de raming van de schade het tijdstip van de uitspraak in aanmerking moet nemen, moet de omvang van de schade worden bepaald op het tijdstip van de fout en kan de omstandigheid dat er in de schade veranderingen zijn opgetreden die niet hun oorsprong vinden in de onrechtmatige daad, degene die de fout heeft begaan niet ontslaan van zijn verplichting tot algehele vergoeding van de schade.
- Hieruit volgt dat, bij de beoordeling van de schade geleden door een persoon ingevolge de verduistering van zijn beroeps- of vervangingsinkomsten die ten tijde van de onrechtmatige daad toekwamen op de gemeenschappelijke rekening die in onverdeeldheid toebehoorde aan deze persoon en degene waarmee hij gezinsuitgaven deelde, de rechter ervan mag uitgaan dat de te vergoeden schade van die persoon de helft van de verduisterde inkomsten bedroeg, ook al is de onverdeeldheid op het moment van de uitspraak beëindigd zonder dat het resultaat van de vereffening en verdeling ervan is gekend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 51-56) oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het tweede middel, eerste onderdeel, alsmede als volgt: - de verweerders hadden, naast een persoonlijk, actueel en rechtmatig belang, ook de hoedanigheid om hun eis te stellen en het is niet omdat de verweerders samen met hun partner of echtgenoot waren toegelaten tot de collectieve schuldenregeling dat er geen persoonlijk door de verweerders geleden schade zou zijn ingevolge de bewezen verklaarde feiten; - de verweerders vorderen integrale vergoeding van de schade die hen door de eiser is toegebracht in hun verdeeld aandeel van de toenmalig bestaande onverdeeldheid; - een burgerlijke schadevergoeding heeft tot doel de benadeelde terug te plaatsen in de financiële toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien het misdrijf niet was gepleegd. De schade die in oorzakelijk verband staat met het misdrijf is het bedrag van de verduisterde gelden, zijnde de gelden die toebehoorden aan het vermogen van de verweerders en die hieraan door de eiser werden onttrokken; - de te vergoeden schade ontstond toen de gelden door de eiser werden verduisterd of verspild, zodat om deze schade integraal te vergoeden het verarmde vermogen moet worden wedersamengesteld. De verweerders vorderen enkel bedragen die aan hun respectieve vermogens werden onttrokken, wars van de vraag of de gelden binnen de vermogens van de verweerders in onverdeeldheid werden aangehouden met hun toenmalige partner of echtgenoot; - de verweerder 1 was tot de collectieve schuldenregeling toegelaten samen met I.G. Ook al zou het tot een relatiebreuk zijn gekomen tussen de verweerder 1 en I.G. in 2004, blijft het feit dat de eiser de rekening niet heeft gesplitst en dat op de schuldbemiddelingsrekening ook de werkloosheidsuitkering van I.G. werd gestort, minstens tot in
- Ook I.G. heeft klacht tegen de eiser gedaan; - de verweerster 2 was tot de collectieve schuldenregeling toegelaten samen met J.F.; - bij ontstentenis van een overeenkomst of een bijzondere bepaling worden de onverdeelde aandelen van de verweerders en hun partner of echtgenoot in de toenmalig bestaande maar bij het einde van de relatie verdeelde onverdeeldheid vermoed gelijk te zijn, zodat de verweerders niet aantonen dat zij op meer gerechtigd zouden zijn dan de helft van de verduisterde bedragen; - het hof van beroep houdt desbetreffend zelf de verdere burgerlijke belangen aan, zodat ook de toenmalige deelgenoten van de respectieve verweerders hun vordering ten belope van de andere helft kunnen benaarstigen lastens de eiser; - de verweerster 2 heeft ook recht op de vergoeding van haar morele schade ter erkenning van de aantasting van het recht een menswaardig bestaan te leiden door de bedrieglijke handelingen van de eiser. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 249,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div