id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 De rechter die een verzetdoende partij veroordeelt tot de kosten van het door haar aangetekende verzet, geeft door die enkele veroordeling niet noodzakelijk en impliciet te kennen dat het verzet ontvankelijk is. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.1609.N N F V, beklaagde, verzoekster tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiseres, met als raadslieden mr. Nicolas Cohen en mr. Caroline Heymans, advocaten bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 1 december
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 187 Wetboek van Strafvordering, artikel 23 Taalwet Gerechtszaken en artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet: met het oordeel dat de federale procureur hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 3 november 2022 en de eiseres tot staving van haar verzoek tot voorlopige invrijheidstelling bijgevolg ten onrechte verwijst naar dit vonnis, verantwoorden de appelrechters de beslissing dat de voorlopige invrijheidstelling van de eiseres moet worden afgewezen, niet naar recht; naar aanleiding van haar verzet tegen het haar veroordelende verstekvonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 11 februari 2015, waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiseres werd bevolen, heeft de eiseres verzocht dat de verwijzing zou worden bevolen naar een correctionele rechtbank waarvan de taal van de rechtspleging in het Frans geschiedt, waarop de correctionele rechtbank in het voormelde vonnis van 3 november 2022 is ingegaan door de zaak naar de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel te verwijzen; door die laatste beslissing werd het verzet van de eiseres impliciet ontvankelijk verklaard, zodat het verstekvonnis van 11 februari 2015 moet worden geacht nooit te hebben bestaan en ook de erin bevolen onmiddellijke aanhouding van de eiseres is vervallen en de eiseres onmiddellijk in vrijheid moest worden gesteld; de rechter die zich in een procedure op verzet uitspreekt over een verzoek tot verwijzing naar een rechtbank waarvan de rechtspleging in een andere taal geschiedt, dient noodzakelijk eerst de ontvankelijkheid van het verzet te beoordelen; bovendien werd de eiseres in het voormelde vonnis van 3 november 2022 ook veroordeeld tot de kosten van het verzet, wat ten overvloede aantoont dat haar verzet impliciet ontvankelijk werd verklaard.
- Wanneer in een procedure op verzet de verzetdoende partij bij toepassing van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken verzoekt om de zaak te verwijzen naar een rechtbank waarvan de rechtspleging in een andere taal geschiedt, kan de rechter uitspraak doen over dit verzoek zonder eerst de ontvankelijkheid van het verzet te beoordelen. De loutere omstandigheid dat de rechter uitspraak doet over een dergelijk verzoek tot taalwijziging, heeft dan ook niet tot gevolg dat het verzet hierdoor ontvankelijk wordt verklaard.
- De rechter die een verzetdoende partij veroordeelt tot de kosten van het door haar aangetekende verzet, geeft door die enkele veroordeling niet noodzakelijk en impliciet te kennen dat het verzet ontvankelijk is.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit het vonnis van 3 november 2022 blijkt dat de zaak, die blijkens het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 oktober 2022 in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld “wat betreft de gebeurlijke verwijzing van de zaak naar een Franstalige rechtbank”, bij toepassing van artikel 23, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken “in globo” werd verwezen naar de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel en dat de eiseres werd veroordeeld tot betaling van de kosten van het verzet, met uitzondering van de kosten van de betekening van het verstekvonnis, omdat het verstek aan de eiseres te wijten was. Uit dit vonnis blijkt evenwel niet dat daarin werd geoordeeld over de ontvankelijkheid van het verzet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div