id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.3 Rolnummer: P.22.1193.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-12-20 Raadplegingen: 934 - laatst gezien 2026-06-18 21:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering volgt dat de saisine van het appelgerecht in de eerste plaats wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens, binnen de door die verklaring bepaalde grenzen, door de in het appelverzoekschrift of grievenformulier opgegeven grieven en het appelgerecht dat uitspraak doet over de aldus aangevoerde grieven, oordeelt binnen de grenzen van de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep
(1); de omstandigheid dat het appelgerecht oordeelt dat de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep beperkt is door de aangevoerde grieven, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van het appelgerecht om ambtshalve grieven op te werpen bij toepassing van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, met inbegrip van ambtshalve grieven over de schuld en de kwalificatie van de feiten, ook al werd hierover in het appelverzoekschrift of grievenformulier geen grief aangevoerd
(2).
(1)Cass. 8 maart 2022, AR P.21.0583.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.4, AC 2022, nr. 169; Cass. 11 mei 2021, AR P.21.0278.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.13, AC 2021, nr. 342.
(2)Zie GwH 20 november 2019, nr. 185/2019 en nr. 189/2019, www.const-court.be; Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0427.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.6, AC 2021, nr. 362. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, 204 en 210, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 De rechter bepaalt binnen de door de wet bepaalde grenzen onaantastbaar welke straffen en maatregelen en hun maat noodzakelijk zijn ter realisering van de doelstellingen die hij met de straftoemeting beoogt en die doelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader; de rechter mag bij die beoordeling wel degelijk de wijze betrekken waarop de door hem opgelegde straffen en maatregelen zullen worden uitgevoerd vermits die uitvoering mee bepaalt of de nagestreefde doelstellingen van de straftoemeting wel kunnen worden gerealiseerd; door dit te doen matigt de rechter zich geen bevoegdheden aan die hem niet toekomen en laat hij zich niet in met de uitvoering van de door hem uitgesproken straffen
(1).
(1)Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1123.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.2, AC 2022, nr.
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Tekst van de beslissing Nr. P.22.1193.N H B, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Kristof Lauwens, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 12 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 13 en 149 Grondwet en de artikelen 195 en 210 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene motiveringsverplichting: het oordeel dat, gelet op de devolutieve werking van de hogere beroepen van de eiser en van het openbaar ministerie, die slechts grieven hadden aangevoerd met betrekking tot de straf, het hof van beroep geen rechtsmacht heeft om opnieuw te oordelen over de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten noch over de kwalificatie van die feiten, is niet naar recht verantwoord; ingevolge het arrest nr. 189/2019 van het Grondwettelijk Hof van 20 november 2019 zijn de appelrechters wel degelijk in de mogelijkheid om de feiten te herkwalificeren en om te oordelen of ze al dan niet vaststaan.
- Het middel verduidelijkt niet waarom het arrest artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt en de algemene motiveringsverplichting miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Uit de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering volgt dat de saisine van het appelgerecht in de eerste plaats wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens, binnen de door die verklaring bepaalde grenzen, door de in het appelverzoekschrift of grievenformulier opgegeven grieven. Het appelgerecht dat uitspraak doet over de aldus aangevoerde grieven, oordeelt binnen de grenzen van de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep.
- De omstandigheid dat het appelgerecht oordeelt dat de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep beperkt is door de aangevoerde grieven, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van het appelgerecht om ambtshalve grieven op te werpen bij toepassing van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, met inbegrip van ambtshalve grieven over de schuld en de kwalificatie van de feiten, ook al werd hierover in het appelverzoekschrift of grievenformulier geen grief aangevoerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel aanvoert. Het oordeelt ook (p. 6, nr. 2) dat er geen grieven zijn zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering die het hof van beroep ambtshalve zou moeten opwerpen. De appelrechters oordelen in dit verband evenwel niet dat ze bij toepassing van die bepaling geen ambtshalve grief mogen opwerpen betreffende de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten en de kwalificatie van die feiten. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, 210 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene motiveringsverplichting: door eensdeels te oordelen dat het niet toekomt aan de feitenrechter om de straf te bepalen in functie van de volgens hem meest geschikte uitvoering ervan maar anderdeels te oordelen dat het allicht eisers bedoeling is om met zijn verzoek om hem een gevangenisstraf van niet meer dan zesendertig maanden op te leggen niet te vallen onder het stelsel van de uitvoering van vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar, terwijl de eiser hierbij uit het oog verliest dat ingevolge de veroordeling wegens de nieuwe feiten het probatieuitstel, gekoppeld aan een hem bij een eerder vonnis van 25 maart 2021 opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden van rechtswege wordt herroepen, baseren de appelrechters de straftoemeting op tegenstrijdige redenen; minstens houden de appelrechters bij het bepalen van de strafmaat aldus wel degelijk rekening met de gevolgen inzake de strafuitvoering.
- Het middel verduidelijkt niet waarom het arrest artikel 210 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing zijn tegenstrijdig indien ze elkaar tenietdoen of opheffen. Dat is niet het geval met de in het middel vermelde redenen van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 van dit wetboek ook van toepassing is op de hoven van beroep, legt aan de rechter bij de keuze van de straffen en de maatregelen en hun maat, die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, een bijzondere motiveringsverplichting op. Die bepaling houdt geen beperking in van de redenen die de rechter voor die keuze in aanmerking kan nemen.
- De rechter bepaalt binnen de door de wet bepaalde grenzen onaantastbaar welke straffen en maatregelen en hun maat noodzakelijk zijn ter realisering van de doelstellingen die hij met de straftoemeting beoogt. Die doelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader.
- De rechter mag bij die beoordeling wel degelijk de wijze betrekken waarop de door hem opgelegde straffen en maatregelen zullen worden uitgevoerd. Die uitvoering bepaalt immers mee of de nagestreefde doelstellingen van de straftoemeting wel kunnen worden gerealiseerd. Door dit te doen matigt de rechter zich geen bevoegdheden aan die hem niet toekomen en laat hij zich niet in met de uitvoering van de door hem uitgesproken straffen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.19 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div