id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 4
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 7, § 1, en 14 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen:
Art. 4
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 7, § 1, en 14 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 3 De betrokkenheid bij een criminele organisatie, zoals strafbaar gesteld bij artikel 324ter, § 1, Strafwetboek, maakt een autonoom misdrijf uit, te onderscheiden van de misdrijven die worden gepleegd in het raam van deze organisatie
(1); bijgevolg vereist dat misdrijf geen specifieke uitvoeringshandelingen met betrekking tot een misdrijf gepleegd in het raam van een criminele organisatie en moet de rechter die handelingen ook niet vaststellen, maar de rechter moet wel vaststellen dat de dader heeft gehandeld met kennis van zaken en met een positieve instelling om bij te dragen tot de doelstellingen van de organisatie.
(1)Zie Cass. 27 september 2022, AR P.22.0251.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.6, AC 2022, nr. 575. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen:
Art. 324ter, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.1102.N I-III E R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. II G B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. IV H E M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Katrien Van der Straeten, advocaat bij de balie Dendermonde. V M H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 juli
- De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers I, III en IV voeren geen middel aan. De eiser I-III doet afstand van zijn cassatieberoep I. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser II aan de telastleggingen B (diefstal met geweld of bedreiging met verzwarende omstandigheden), C (afpersing met verzwarende omstandigheden), E (wederrechtelijke gevangenneming waarbij de gevangen gehouden persoon met de dood bedreigd is geweest) en F.1 (betrokkenheid bij een criminele organisatie) enkel op het feit dat sommige beklaagden zich op een bepaald ogenblik onder de dekking van een bepaalde zendmast bevonden, dat sommige beklaagden elkaar kennen en dat de eiser II bepaalde telefoongesprekken heeft gevoerd; daarmee vermeldt het arrest niet de materiële en morele constitutieve bestanddelen van de vermelde telastleggingen, noch stelt het ondubbelzinnig vast dat die telastleggingen in al hun constitutieve bestanddelen bewezen zijn; daardoor miskent het arrest eveneens het begrip feitelijk vermoeden.
- Artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 van dat wetboek ook van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt dat ieder veroordelend vonnis de feiten vermeldt waaraan het een beklaagde schuldig verklaart. Op grond van die bepaling moet de strafrechter enkel vaststellen dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde misdrijf, maar moet hij niet aangeven waarom de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf bij de beklaagde verenigd zijn.
- De strafrechter voldoet aan zijn uit artikel 149 Grondwet volgende motiveringsverplichting wanneer hij het vervolgde misdrijf bewezen verklaart in al zijn wettelijke bestanddelen en die bestanddelen uit zijn beslissing blijken, wat het geval is wanneer hij het misdrijf bewezen verklaart in de bewoordingen van de strafwet. Bij afwezigheid van specifieke betwisting over bepaalde constitutieve bestanddelen van het misdrijf, is daarover geen nadere motivering vereist.
- Uit artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt voor de strafrechter de verplichting om de voornaamste redenen te vermelden voor zijn beslissing op de strafvordering, zelfs bij afwezigheid van een conclusie. Het is echter niet vereist dat de strafrechter voor elk constitutief bestanddeel van elk misdrijf aangeeft waarom het is aangetoond. Het volstaat dat de redenen van de beslissing de partijen en de samenleving in staat stellen de beslissing over de schuld te begrijpen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest verklaart de telastleggingen B, C, E en F.1 lastens de eiser II bewezen in de bewoordingen van de strafwet en het vermeldt de feitelijke elementen waarop het eisers schuldigverklaring steunt. Daarbij verwijst het arrest in het bijzonder naar de telefoniegegevens met zendmastbepaling van 12 en 13 december
- Aldus is het arrest regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel verder aanvoert dat het arrest het begrip feitelijk vermoeden miskent, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de enkele overname van de redenen van het beroepen vonnis beantwoordt het arrest niet de grieven tegen dat vonnis die de eiser II aan de appelrechters heeft voorgelegd.
- De appelrechters verklaren de eiser II schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten zowel met gedeeltelijk door hen aangepaste redenen van het beroepen vonnis als met eigen redenen. Het onderdeel preciseert niet welk verweer de eiser II voor de appelrechters heeft aangevoerd, met inbegrip van grieven tegen het beroepen vonnis, die zij met die redenen niet beantwoorden. Het onderdeel is onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser II geen afdoende elementen aanreikt om te besluiten dat de hem op te leggen bestraffing zijn toekomst op een overdreven wijze zou hypothekeren in verhouding tot de feiten; de eiser II heeft in zijn appelconclusie echter wel degelijk gegevens bijgebracht betreffende de strafmaat; aldus beantwoordt het arrest deze conclusie niet.
- Het arrest oordeelt niet dat de eiser II geen enkel element in verband met de hem op te leggen straf heeft aangereikt, maar wel dat hij daartoe geen afdoende elementen heeft aangereikt. Met zijn voormeld verweer betwistte de eiser II bovendien zijn schuld en niet de hem op te leggen straf, zodat dit verweer in het kader van de beoordeling van de strafmaat geen geëigend antwoord vereiste. Met de redenen die het arrest (p. 30-34) bevat, motiveert het dan ook de aan de eiser II opgelegde straf zonder zijn verweer in dat verband onbeantwoord te laten. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 324bis Strafwetboek: met de reden dat “De korte, sterk geïndividualiseerde incriminatieperiode (per feit) (…) aan het bestaan van een criminele organisatie geen afbreuk [doet]” geeft het arrest een onjuiste invulling van het constitutieve bestanddeel dat de criminele organisatie moet duren in de tijd; het arrest toont niet aan welke legale en illegale activiteiten de criminele organisatie zou verrichten; evenmin wordt bestendigheid aangetoond aangezien de enige verwijzing naar een crimineel feit één uithaling zou zijn geweest; uit het feit dat de criminele organisatie moet duren in de tijd volgt dat zij het voornemen moet hebben om meerdere misdrijven te plegen.
- Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het arrest dat de criminele organisatie waarbij de eiser II was betrokken, als illegale finaliteit het transport, de import en de export van cocaïne had en dat in het kader daarvan een container met daarin cocaïne verstopt vanuit Mexico via de haven van Antwerpen werd verscheept naar de haven te Born in Nederland, waar de eisers IV en V op 7 en 8 december 2017 de cocaïne in opdracht van de criminele organisatie uit de container zijn gaan halen (telastleggingen D en F.3). Het arrest oordeelt verder dat, toen de eisers IV en V in gebreke bleven de uitgehaalde drugs aan de opdrachtgevers te overhandigen, die eisers en hun gezin met geweld onder druk werden gezet, onder meer door middel van de feiten van de telastleggingen B, C, en E, die ten aanzien van de eiser IV werden gepleegd op 13 december 2017 en waaraan de eiser II als betrokkene bij de criminele organisatie heeft meegewerkt op 12 en 13 december 2017 (telastlegging F.1). Met die redenen vermeldt het arrest meerdere planmatig uitgevoerde misdrijven van de criminele organisatie en stelt het vast dat die organisatie gedurende een zekere tijd heeft bestaan. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 4 Strafwetboek, artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2, 10 en 10A van de Nederlandse Opiumwet.
- In zoverre het middel in geen van zijn onderdelen preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de verzwarende omstandigheid dat het misdrijf van invoer, uitvoer of vervoer van cocaïne een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging is, niet wordt vermeld in de artikelen 2, 10 en 10A van de Opiumwet, waarnaar de telastlegging D verwijst om te voldoen aan de dubbele strafbaarstelling vereist door artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; aldus staat niet vast dat op het plegen van die feiten een straf is gesteld in het land waar het is gepleegd, dit is Nederland, en konden de appelrechters hun bevoegdheid niet op deze artikelen baseren.
- De mogelijkheid tot vervolging van een in het buitenland gepleegd misdrijf in België houdt geen verband met de bevoegdheid van de strafrechter, maar wel met de ontvankelijkheid van de strafvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 4 Strafwetboek bepaalt: “Het misdrijf, buiten het grondgebied van het Rijk door Belgen of door vreemdelingen gepleegd, wordt in België niet gestraft dan in de gevallen bij de wet bepaald.” Artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Iedere Belg of persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een feit dat door de Belgische wet misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, kan in België vervolgd worden indien op het feit straf gesteld is door de wet van het land waar het is gepleegd.” Artikel 14 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: “In alle gevallen in dit hoofdstuk voorzien, wordt de verdachte vervolgd en gevonnist volgens de bepalingen van de Belgische wetten.”
- Overeenkomstig die bepalingen kan een door een Belg in het buitenland gepleegd strafbaar feit in België slechts worden vervolgd en overeenkomstig de Belgische wet worden bestraft indien dat feit zowel strafbaar is in België als in het buitenland. Bepalend daarbij is dat het feit, indien het zich had voorgedaan in het buitenland, eveneens een strafbaar feit zou hebben opgeleverd volgens het buitenlands recht. Het is daarbij niet bepalend dat dit feit in de beide landen mogelijks bestaat uit verschillende bestanddelen of kwalificaties, dan wel het voorwerp uitmaakt van verschillende misdrijven of verzwarende omstandigheden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 2bis, § 1, Drugwet bestraft de invoer, de uitvoer of het vervoer van cocaïne met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van duizend tot honderdduizend euro. Artikel 2bis, § 3, b en § 5, Drugwet verhoogt de straf op die feiten, indien ze daden zijn van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, tot opsluiting van tien tot vijftien jaar en eventueel een geldboete van duizend tot honderdduizend euro. De artikelen 2.A en 10.5 van de Opiumwet bestraffen de opzettelijke invoer of uitvoer van cocaïne met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie. De artikelen 2.B en 10.4 van de Opiumwet bestraffen het opzettelijke vervoer van cocaïne met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie. Artikel 11b.1 van de Opiumwet bepaalt dat deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10.4 of 10.5 van die wet wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
- Hieruit volgt dat de Opiumwet het onder de telastlegging D vervolgde feit van invoer, uitvoer of vervoer van cocaïne strafbaar stelt, evenals de deelneming aan een organisatie die het plegen van dergelijke feiten tot oogmerk heeft, zodat het arrest de strafvordering voor dat feit terecht ontvankelijk verklaart op grond van de vermeldingen opgenomen in de telastlegging D. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet vermeldt; bijgevolg houdt het arrest geen rekening met deze wetsbepaling.
- De strafrechter moet geen wetsbepaling betreffende de rechtspleging, zoals voormeld artikel 7, § 1, vermelden. Uit het onvermeld laten van die wetsbepaling blijkt niet dat de rechter met die wetsbepaling geen rekening heeft gehouden. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 3 Strafwetboek: de appelrechters verklaren zich bevoegd om kennis te nemen van de telastlegging F.3 (deelname aan een criminele organisatie) en verklaren de eiser V schuldig aan die telastlegging omdat hij in België op 7 december 2017 uitvoeringshandelingen heeft gesteld met betrekking tot de uithaling van cocaïne uit een container in Nederland; de appelrechters leiden dit laatste af uit telefonieonderzoek waaruit blijkt dat de eiser V op 7 december 2017 vanaf 22.45 uur op Nederlands grondgebied was met het oog op de vermelde uithaling en hij een drietal uur later al terug op Belgische bodem was; het wordt echter niet verduidelijkt welke uitvoeringshandelingen en constitutieve bestanddelen van de telastlegging F.3 er dan in België zouden zijn gepleegd vóór en na de feiten in Nederland op 7 december 2017, bestaande in de uithaling van de cocaïne uit de containers en de overdracht ervan aan de opdrachtgevers.
- De appelrechters stellen niet vast dat de eiser IV of de eiser V de uitgehaalde cocaïne in Nederland aan de opdrachtgevers heeft overhandigd. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Artikel 324ter, § 1, Strafwetboek bestraft degene die wetens en willens betrokken is bij een daar bedoelde criminele organisatie, ook al heeft hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de wijzen bedoeld in de artikelen 66 tot 69 van dat wetboek.
- De betrokkenheid bij een criminele organisatie maakt aldus een autonoom misdrijf uit, te onderscheiden van de misdrijven die worden gepleegd in het raam van deze organisatie. Bijgevolg vereist dat misdrijf geen specifieke uitvoeringshandelingen met betrekking tot een misdrijf gepleegd in het raam van een criminele organisatie en moet de rechter die handelingen ook niet vaststellen. Wel moet de rechter vaststellen dat de dader heeft gehandeld met kennis van zaken en met een positieve instelling om bij te dragen tot de doelstellingen van de organisatie.
- Het arrest (p. 14 en 26-27) oordeelt dat de eiser V met de vereiste kennis en ingesteldheid op 7 en 8 december 2017 betrokken was bij de criminele organisatie waarvan het oogmerk bestond in het transport, de import en de export van cocaïne, door in België voorbereidingen te treffen, in het arrest uitvoeringshandelingen genoemd, met het oog op de uitvoering in Nederland van de hem opgedragen taak van de uithaling van de cocaïne die via de Antwerpse importhaven naar Nederland was verscheept. Aldus is de beslissing dat de eiser V ook in België betrokken was bij de criminele organisatie, zodat de telastlegging F.3 in België moet geacht worden te zijn gepleegd, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte aan de eiser I-III van de afstand van zijn cassatieberoep I. Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 347,10 euro, waarvan de eisers I, II, IV en V elk 68,76 euro verschuldigd zijn en de eiser III 72,06 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div