id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221219.3N.3 Rolnummer: C.22.0104.N Zaak: G. contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-01-30 Raadplegingen: 867 - laatst gezien 2026-06-15 14:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De familierechter, die wordt aangesproken tot herziening van de financiële regeling die echtgenoten met het oog op echtscheiding door onderlinge toestemming in een familierechtelijke overeenkomst ten behoeve van een gemeenschappelijk kind hebben getroffen, in het belang van dit kind, moet nagaan niet alleen of nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen voorliggen, maar in voorkomend geval ook of deze omstandigheden de toestand van de partijen of die van hun kind ingrijpend wijzigen. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD Vrije woorden: Familierechter - Kinderalimentatie - Ouders - Familierechtelijke overeenkomst - Nieuwe omstandigheden - Herziening - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1288, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 De rechterlijke verplichting, vervat in artikel 1321, § 1, eerst lid, en § 2, 1° Gerechtelijk Wetboek, geldt niet ingeval een vordering tot herziening van de financiële regeling die echtgenoten met het oog op echtscheiding door onderlinge toestemming in een familierechtelijke overeenkomst ten behoeve van een gemeenschappelijk kind hebben getroffen, wordt afgewezen bij gebrek aan nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen die de toestand van de partijen of die van hun kind ingrijpend wijzigen. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD Vrije woorden: Familierechter - Kinderalimentatie - Overeenkomst tussen ouders - Vordering tot herziening - Afwijzing - Vermelding van de elementen tot vaststelling van de alimentatie Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1321, § 1, eerste lid, en § 2, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0104.N J.G., eiser, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 17 februari 2022 (nr. G.21.0200.N), vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen T.D., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 juli
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 11 oktober 2022 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1288, eerste lid, 2° en 3°, Gerechtelijk Wetboek zijn echtgenoten met het oog op echtscheiding door onderlinge toestemming ertoe gehouden in een familierechtelijke overeenkomst ten behoeve van hun kinderen ten laste een regeling te treffen over het gezag over de persoon, het beheer van de goederen, het verblijf en de kosten. Krachtens artikel 1288, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is deze regeling na de echtscheiding vatbaar voor herziening door de familierechter “wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen”. Uit voormelde bepalingen volgt dat de familierechter, die wordt aangesproken tot herziening van de financiële regeling die echtgenoten met het oog op echtscheiding door onderlinge toestemming in een familierechtelijke overeenkomst ten behoeve van een gemeenschappelijk kind hebben getroffen, in het belang van dit kind, moet nagaan niet alleen of nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen voorliggen, maar in voorkomend geval ook of deze omstandigheden de toestand van de partijen of die van hun kind ingrijpend wijzigen.
- Mede met verwijzing naar de redenen van de eerste rechter stelt de appelrechter vast en oordeelt hij dat: - de partijen met het oog op hun echtscheiding door onderlinge toestemming middels een familierechtelijke overeenkomst van 1 mei 1999 een regeling hebben getroffen ten behoeve van hun kind B. in die zin dat de verweerster op exclusieve wijze het ouderlijk gezag zou uitoefenen, het kind hoofdzakelijk bij de verweerster zou verblijven en de eiser zou bijdragen in de kosten; - de eiser bij verzoekschrift van 16 december 2019 een geding inleidt met het oog op retroactieve herziening van de financiële regeling vanaf 1 december 2013 voornamelijk omdat B. sedert 7 december 2013 hoofdzakelijk bij de eiser zou verblijven, terwijl de verweerster zou hebben geweigerd met de verblijfswissel in te stemmen; - B. echter meerderjarig is geworden op 4 april 2013 en, onafhankelijk van de verweerster, zijn hoofdverblijf kon aanpassen; - de partijen betwisting voeren over de datum waarop B. bij de eiser is ingetrokken, terwijl de eiser niet aantoont dat B. vóór 23 januari 2018 voltijds bij hem verbleef; - het adres van B. pas vanaf 23 januari 2018 werd gewijzigd naar dat van de eiser, waardoor onder meer een herziening volgde van zijn sociale tegemoetkoming als gehandicapte; - B. na zijn studies sedert 1 oktober 2019 aan het werk is en niet langer ten laste van zijn ouders; - de partijen tot zolang in een klaarblijkelijk onderling ontwikkelde modus vivendi van dag tot dag alles hebben gegeven waaraan B. nood had om zodoende allebei op hun manier bij te dragen in de kosten van hun kind, ongeacht waar B. na zijn meerderjarigheid concreet verbleef; - geen enkele aanwijzing voorligt dat de verweerster na de meerderjarigheid niet meer zou hebben bijgedragen in de kosten van B. hetzij in natura hetzij geldelijk; - gelet op de voorliggende stukken en elementen kan worden aangenomen dat de verweerster is blijven bijdragen in de kosten van B. zoals overeengekomen in de EOT-akte; - de eiser pas nagenoeg twee jaar na de adreswijziging van B. en enkele maanden na de beëindiging van de ouderlijke onderhoudsverplichting een vordering tot herziening van de bedoelde financiële regeling instelt, terwijl hij eerder op geen enkel ogenblik ten aanzien van de verweerster van een herziening gewag maakte; - de eiser pas initiatief tot herziening van de bedoelde financiële regeling nam, na een executiemaatregel te zijnen laste ingevolge openstaande alimentatie.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechter zich beperkt tot de vaststelling dat de verweerster, ondanks de adreswijziging van B., minstens vanaf 23 januari 2018, is blijven bijdragen in de kosten van B. zoals overeengekomen in de EOT-akte, zonder aan te geven dat de adreswijziging geen kostenverschuiving of geen wijziging van de vorm van de bijdrageverplichting van de ouders heeft meegebracht, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Voorts kon de appelrechter met voormelde redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, wettig oordelen dat: - het concrete verblijf van B. sinds zijn meerderjarigheid op 4 april 2013 dan wel zijn adreswijziging vanaf 23 januari 2018, voor zover het gaat om nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen, de toestand van de partijen of die van hun kind niet ingrijpend wijzigen; - de partijen immers, ongeacht de verblijfssituatie van B. dan wel zijn adreswijziging, in een klaarblijkelijk onderling ontwikkelde modus vivendi van dag tot dag alles hebben gegeven waaraan B. nood had om zodoende allebei op hun manier bij te dragen in de kosten van hun kind; - ook de verweerster is blijven bijdragen in de kosten van B. hetzij in natura hetzij geldelijk om zodoende gelet op de verblijfssituatie van B. dan wel zijn adreswijziging in lijn te blijven met de EOT-akte. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. (…) Derde onderdeel
- Krachtens artikel 1321, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek moet elke rechterlijke beslissing tot vaststelling van kinderalimentatie in de zin van artikel 203, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek de nader bepaalde elementen vermelden. Krachtens artikel 1321, § 2, 1°, Gerechtelijk Wetboek verduidelijkt de familierechtbank hoe de in § 1, eerste lid, bepaalde elementen in acht werden genomen. Deze rechterlijke verplichting geldt niet ingeval een vordering tot herziening van de financiële regeling die echtgenoten met het oog op echtscheiding door onderlinge toestemming in een familierechtelijke overeenkomst ten behoeve van een gemeenschappelijk kind hebben getroffen, wordt afgewezen bij gebrek aan nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen die de toestand van de partijen of die van hun kind ingrijpend wijzigen. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser in debet op 443,49 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 19 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221219.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221216.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div