id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 203
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 203bis
, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1288, eerste lid, 3°, en tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 Aan een herziening met terugwerkende kracht doet niet af het enkele gegeven dat de onderhoudsgerechtigde ouder de vordering tot herziening van de onderhoudsbijdrage niet onmiddellijk na het ontstaan van de voormelde nieuwe omstandigheden heeft ingesteld, dan wel de daartoe ingestelde vordering niet heeft benaarstigd. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD Vrije woorden: Familierechter - Kinderalimentatie - Ouders - Nieuwe omstandigheden - Herziening - Terugwerkende kracht - Tijdstip vordering Wettelijke bepalingen: oud
Art. 203
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 203bis
, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1288, eerste lid, 3°, en tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Annotaties Publicaties: BJS-Bulletin juridique social - 2023, n° 708, p.
- - GHEUR, Elise; Note'Rétroactivité en matière alimentaire: la Cour de cassation persiste et signe' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2023, nr. 12/13, p. 1034-
- - GOVAERTS, Marcel; Noot'Wat kan een onderhoudsplichtige ouder nog inbrengen tegen een retroactieve onderhoudsvordering?' NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2024, nr. 499, p. 278-
- - VASSEUR, Roeland; Noot'Retroactiviteit van de herziening van de kinderalimentatie na EOT' Tekst van de beslissing Nr. C.20.0530.N C.S., , eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen W.V.D.B., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, van 25 februari
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 oktober 2022 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 203, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen en, indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. Krachtens artikel 203bis, § 2, Oud Burgerlijk Wetboek kan elk van de ouders, onverminderd de rechten van het kind, van de andere ouder diens bijdrage vorderen in de kosten voortvloeiende uit artikel 203, §
- Krachtens artikel 1288, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek zijn de echtgenoten met het oog op echtscheiding door onderlinge toestemming ertoe gehouden in een familierechtelijke overeenkomst de bijdrage van elk van beide echtgenoten vast te leggen in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van de minderjarige ongehuwde en niet-ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, de kinderen die zij hebben geadopteerd en de kinderen van een van hen die de andere heeft geadopteerd, onverminderd de rechten hen door Hoofdstuk V van Titel V van Boek I Oud Burgerlijk Wetboek toegekend. Krachtens het tweede lid van deze wetsbepaling kan deze bijdrage van elk van beide echtgenoten na de echtscheiding worden herzien door de bevoegde rechter, wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen.
- Uit het geheel van deze wetsbepalingen volgt dat elk van de ouders van de andere ouder diens bijdrage in de bij artikel 203, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde verplichting kan vorderen met, in de regel, terugwerkende kracht tot het ogenblik waarop nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen. De bevoegde rechter kan de vastgestelde bijdrage in de regel met dezelfde terugwerkende kracht herzien. Aan een herziening met terugwerkende kracht doet niet af het enkele gegeven dat de onderhoudsgerechtigde ouder de vordering tot herziening van de onderhoudsbijdrage niet onmiddellijk na het ontstaan van de voormelde nieuwe omstandigheden heeft ingesteld, dan wel de daartoe ingestelde vordering niet heeft benaarstigd.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de partijen de onderhoudsregeling voor de kinderen zijn overeengekomen bij familierechtelijke overeenkomst van 14 maart 2005, voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming; - de eiseres bij verzoekschrift van 20 december 2006 voor de jeugdrechtbank een vordering heeft ingesteld tot wijziging van de verblijfs- en onderhoudsregeling; - de jeugdrechtbank op 4 maart 2008 de verblijfsregeling voor M. ingrijpend heeft gewijzigd door de overeenkomst van 2005 volledig te herzien en de contacten tussen de verweerder en M. op te schorten; - na hoger beroep van de verweerder, het hof van beroep op 2 juni 2008 opnieuw een zeer beperkt secundair verblijf van M. bij de verweerder heeft bepaald en op het punt van het onderhoudsgeld de zaak naar de jeugdrechtbank verwees; - de eiseres bij verzoekschrift van 17 december 2013 voor de vrederechter een vordering heeft ingesteld tot wijziging van de onderhoudsregeling van de kinderen vanaf 1 september 2013; - de vrederechter in een vonnis van 17 juni 2014 de zaak wegens aanhangigheid naar de jeugdrechtbank verzond; - de eiseres bij verzoekschrift neergelegd op 28 augustus 2015 de zaak, aangevat in 2006, voor de jeugdrechtbank heeft geactiveerd; - de jeugdrechtbank in het beroepen vonnis van 27 juni 2017 de zaak, aangevat in 2006, heeft samen gevoegd met deze uit 2013, en de verweerder heeft veroordeeld om aan de eiseres vanaf 1 maart 2008 een verhoogde onderhoudsbijdrage voor M. te betalen; - de eiseres gedurende jaren, meer bepaald van 2 juni 2008 (datum arrest) tot 17 december 2013 (neerleggen verzoekschrift voor de vrederechter) heeft stilgezeten; - wanneer een ouder jarenlang niets heeft ondernomen om een hogere onderhoudsbijdrage van de andere ouder te verkrijgen, het onbillijk kan zijn om de onderhoudsplichtige ‘plots’ te confronteren met torenhoge schulden uit zogenaamd achterstallige onderhoudsgelden; - het vragen, zelfs informeel, van een hogere onderhoudsbijdrage elementair is voor de toekenning ervan; - in het andere geval, de met rust gelaten schuldenaar, die in deze zaak kon vermoeden dat de akte EOT op dit punt verder diende te worden nageleefd, effectief het gevaar loopt als gevolg van een al te ruime retroactiviteit in ernstige financiële problemen te komen doordat hij zijn leven op een redelijke en aanvaardbare wijze heeft georganiseerd zonder nog met een potentiële hogere onderhoudsaanspraak rekening te houden; - de verschuldigde onderhoudsbijdrage voor M. te verhogen is omdat zijn verblijfsregeling sinds 2005 ingrijpend is gewijzigd, waardoor de verweerder niet langer een bijdrage in natura levert, terwijl in de overeenkomst van 2005 nog voor 35 pct. een bijdrage in natura in rekening werd genomen.
- De appelrechter die, hoewel hij de nieuwe omstandigheden die een verhoging van de onderhoudsbijdrage rechtvaardigen in 2008 situeert, niettemin oordeelt dat de onderhoudsregeling van beide kinderen in deze zaak ten vroegste kan worden gewijzigd met ingang van 1 september 2013, louter omdat de eiseres heeft nagelaten haar vordering te benaarstigen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare terechtzitting van 19 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221219.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div