id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 195
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 195
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 195
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 4 - 5 Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die een verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling weigert, indien een dergelijke maatregel wettelijk mogelijk is, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, ook al mag die motivering beknopt zijn; het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het verlenen van een opschorting van de uitspraak van veroordeling wenselijk is; uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor deze maatregel volgt niet dat de rechter de maatregel moet uitspreken; een beklaagde kan immers geen recht laten gelden op een opschorting van de uitspraak van veroordeling
(1).
(1)Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0300.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.4, AC 2022, nr. 435; Cass. 26 oktober 2021, AR P.21.0958.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.11, AC 2021, nr. 676. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 6 - 7 De doelstellingen van de straftoemeting kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie van de dader, maar ook in de te verwachten preventieve werking die van een straf of van een maatregel kunnen uitgaan; geen enkele verdragsbepaling of wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter de algemene of specifieke preventieve werking van een straf en dus de impact ervan op toekomstig gedrag in aanmerking neemt en zijn straftoemetingsbeslissing erop afstemt
(1); bij de beoordeling van de wenselijkheid van een opschorting van de uitspraak van veroordeling kan de rechter ook betrekken: -de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten; -het gegeven dat niet blijkt dat een veroordeling de sociale reclassering van de beklaagde zal belemmeren; daardoor legt hij aan de beklaagde geen niet-toegelaten bewijslast op en -het gegeven dat volgens de regelgeving een veroordeling niet noodzakelijk leidt tot een uitsluiting van deelneming aan overheidsopdrachten.
(1)Cass. 13 december 2022, AR P.22.1193.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.3, AC 2022, Cass. 28 juni 2022, AR P.21.1449.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.12, AC 2022, nr. 460; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0300.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.4, AC 2022, nr. 435; Cass. 21 december 2021, AR P.21.0858.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.3, AC 2021, nr. 820; Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1123.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.2, AC 2021, nr. 188. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0514.N
- P P M-J O, beklaagde, eiser,
- K.T.I.-W.T.I., met zetel te 2240 Zandhoven, Vierselbaan 40 unit 1, beklaagde, eiseres, beiden met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 maart
- De eiser en de eiseres voeren in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, drie gelijkluidende middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 3 Probatiewet: de weigering opschorting van de uitspraak van veroordeling te verlenen, is niet naar recht verantwoord; het arrest neemt voor die beslissing andere feiten in aanmerking dan die welke het voorwerp uitmaken van de strafvervolging en zelfs feiten die dateren van na de met het arrest beoordeelde feiten.
- Noch artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering noch artikel 3 Probatiewet noch enig andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek om de uitspraak van veroordeling op te schorten rekening houdt met feitelijke gegevens die een licht kunnen werpen op de persoonlijkheid van de beklaagde en de omstandigheden waarin de vervolgde en bewezen verklaarde feiten werden gepleegd.
- Die feitelijke gegevens kunnen ook dateren van na de vervolgde en bewezen verklaarde feiten.
- Vereist is dat de beklaagde over die feitelijke gegevens tegenspraak heeft kunnen voeren.
- Indien die feitelijke gegevens onder een misdrijfomschrijving vallen en daarover niet werd geoordeeld bij definitieve gerechtelijke beslissing verzet het vermoeden van onschuld zich ertegen dat de rechter zich over de schuld van de beklaagde aan die feiten zou uitspreken.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest vermeldt bij de motivering van de straftoemetingsbeslissing onder de randnummers 22.v en 26.v een aantal feitelijke gegevens, waarvan blijkt dat de eisers daarover tegenspraak hebben kunnen voeren. Het blijkt niet dat het arrest aanneemt dat de eisers, voor zover deze feitelijke gegevens onder een misdrijfomschrijving zouden vallen, zich daardoor aan een misdrijf hebben schuldig gemaakt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede en derde middel
- Het tweede middel voert schending aan van artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 3 Probatiewet: de redenen die het arrest vermeldt voor de weigering de opschorting van de uitspraak van veroordeling te verlenen, kunnen die beslissing niet verantwoorden; het niet-aantonen dat een veroordeling de sociale reclassering zou belemmeren op een wijze die niet in verhouding staat met de ernst van de feiten is een niet in artikel 3 Probatiewet bepaalde toepassingsvoorwaarde; er valt niet in te zien hoe een opschorting van de uitspraak van een veroordeling een minder grote preventieve werking zou hebben dan een effectieve straf; uit de argumentatie betreffende het meedingen bij openbare aanbestedingen kan evenmin worden afgeleid dat de eiser niet in aanmerking komt voor een opschorting; daaruit kan hoogstens worden afgeleid dat een opschorting niet absoluut noodzakelijk is om mee te kunnen dingen bij openbare aanbestedingen. Het derde middel voert schending aan van artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest heeft bij de straftoemetingsbeslissing vooral preventie in aanmerking genomen en het voorgehouden gebrek aan preventieve werking was een doorslaggevende reden om niet in te gaan op eisers verzoek om de opschorting van de veroordeling, terwijl preventie als straftoemetingsdoelstelling hoogst omstreden is en minstens niet wettelijk is voorzien; aldus verantwoordt het arrest de weigeringsbeslissing om opschorting te verlenen niet naar recht.
- Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die een verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling weigert, indien een dergelijke maatregel wettelijk mogelijk is, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, ook al mag die motivering beknopt zijn.
- Het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het verlenen van een opschorting van de uitspraak van veroordeling wenselijk is. Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor deze maatregel volgt niet dat de rechter de maatregel moet uitspreken. Een beklaagde kan immers geen recht laten gelden op een opschorting van de uitspraak van veroordeling.
- De doelstellingen van de straftoemeting kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie van de dader, maar ook in de te verwachten preventieve werking die van een straf of van een maatregel kunnen uitgaan. Geen enkele verdragsbepaling of wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter de algemene of specifieke preventieve werking van een straf en dus de impact ervan op toekomstig gedrag in aanmerking neemt en zijn straftoemetingsbeslissing erop afstemt.
- Bij de beoordeling van de wenselijkheid van een opschorting van de uitspraak van veroordeling kan de rechter ook betrekken: - de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten; - het gegeven dat niet blijkt dat een veroordeling de sociale reclassering van de beklaagde zal belemmeren. Daardoor legt hij aan de beklaagde geen niet-toegelaten bewijslast op; - het gegeven dat volgens de regelgeving een veroordeling niet noodzakelijk leidt tot een uitsluiting van deelneming aan overheidsopdrachten.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Met de redenen die het arrest bevat onder de randnummers 22-23 en 26-27 motiveert het nauwkeurig de weigering om aan de eisers de opschorting van de uitspraak van veroordeling toe te staan en verantwoordt het die beslissing naar recht. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div