← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22 Rolnummer: P.21.0828.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-12-29 Raadplegingen: 935 - laatst gezien 2026-06-16 13:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vertaling in voorbereiding Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.22 Fiches 1 - 3 Uit het arrest van de preliminaire rechtszitting moet blijken dat de voorzitter van het hof van assisen die weigert een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen, heeft onderzocht of de in deze bepalingen vermelde voorwaarden zijn vervuld, maar daaruit volgt voor de voorzitter geen verdergaande motiveringsverplichting en ook artikel el 149 Grondwet verplicht de voorzitter van het hof van assisen niet om aan de hand van concrete gegevens te motiveren waarom hij weigert op de hier bedoelde lijst een getuige op te nemen die door een partij is voorgedragen overeenkomstig artikel 278, § 1, Wetboek van Strafvordering; de motiveringsplicht van de voorzitter van het hof van assisen in zijn arrest op grond van artikel 278 Wetboek van Strafvordering is niet los te zien van de omstandigheid dat de lijst van de getuigen op de preliminaire rechtszitting niet wordt vastgesteld door het hof van assisen maar door de voorzitter, die de lijst van de getuigen vaststelt en de volgorde waarin ze zullen worden gehoord na een summier debat, nadat hij de partijen en de procureur-generaal in hun opmerkingen heeft gehoord, zodat dit arrest slechts een beslissing alvorens recht te doen is die geen definitief oordeel inhoudt over de getuigen die tijdens het debat voor het hof van assisen zullen worden gehoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 8 Afgezien van de mogelijkheid dat de voorzitter tijdens het debat voor het hof van assisen beslist een niet op de lijst opgenomen getuige bij toepassing van het artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering te doen oproepen als getuige, kunnen de partijen tijdens het debat voor het hof van assisen een conclusie indienen waarbij zij verzoeken dat niet op de lijst van de preliminaire rechtszitting opgenomen getuigen alsnog door het hof van assisen zullen worden gehoord en het hof van assisen, samengesteld zoals bedoeld in artikel 216octies Wetboek van Strafvordering, dient hierop bij tussenarrest uitspraak te doen, zonder hierbij gebonden te zijn door het arrest van de preliminaire rechtszitting; hieruit volgt dat de voorzitter in het arrest van de preliminaire rechtszitting zijn weigering om een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen voldoende motiveert door te verwijzen naar een weigeringsgrond bepaald in artikel 278, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zonder dat hij bij die motivering concrete omstandigheden van de zaak of criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropstelt voor het niet-horen van getuigen à charge of à décharge in het licht van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, moet betrekken en daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat een partij motiveert waarom zij wil dat het hof van assisen een bepaalde getuige hoort aangezien die motivering door de voorzitter of het hof van assisen kan worden beantwoord indien het al dan niet horen van die getuige tijdens het debat voor het hof van assisen terug aan bod zou komen ingevolge de toepassing van artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 12 Noch artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch artikel 13 EVRM verplicht het hof van assisen om elke persoon die tijdens het strafonderzoek een verklaring heeft afgelegd in verband met bepaalde feiten of beschuldigden of die wordt vermeld in de motivering van de beslissing over de schuld als getuige te horen, wanneer die verklaring of vermelding geen impact heeft op de beslissing over de schuld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.3.d en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.3.d en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.3.d en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 13 - 15 Het hof van assisen bepaalt voor elke beschuldigde afzonderlijk welke impact de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft op de aan de betrokkene op te leggen straf en het moet die impact niet vergelijken tussen verschillende beschuldigden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 16 - 17 Het hof van assisen dat een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding en het is niet vereist dat het hof van assisen de strafvermindering motiveert aan de hand van de criteria voor het bepalen van de overschrijding van de redelijke termijn, namelijk de complexiteit van de zaak, de houding van de beschuldigde, de houding van de vervolgende overheid en het belang van de beschuldigde bij de procedure, wanneer die criteria niet het voorwerp van een betwisting uitmaken; binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader, alsmede met eventuele bijzonderheden van de zaak zoals de overschrijding van de redelijke termijn maar het Hof gaat wel na of uit de vaststellingen en redenen van de beslissing niet blijkt dat er aan de vervolgde persoon een onredelijk zware straf is opgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 18 Artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt in zijn eerste lid dat de onderzoeksrechter de verdachte kan vrijlaten tegen de betaling van een borgsom en in zijn vierde lid dat, niettegenstaande de in de artikelen 35, § 1, en 36 van die wet bepaalde termijnen, de borgsom wordt teruggegeven indien de verdachte bij alle proceshandelingen, alsook ter tenuitvoerlegging van het vonnis, is verschenen zodat de geldingsduur van de borgsom niet beperkt is tot de geldingsduur van de voorwaarden die eventueel ook aan de verdachte worden opgelegd; noch het feit dat er een ruime periode ligt tussen de vrijlating van de verdachte tegen de betaling van een borgsom en de proceshandelingen waarop hij onder garantie van die borgsom heeft toegezegd te zullen verschijnen, noch het feit dat in de loop van die periode de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, ontheft de verdachte van zijn verplichting om op de vermelde proceshandelingen te verschijnen, op gevaar dat zijn borgsom wordt toegewezen aan de Staat overeenkomstig artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 35, § 1, eerste en vierde lid, § 4, vijfde lid, en 36 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 19 - 20 De rechter die over de bestemming van de borgsom beslist, kan oordelen dat de voorlopig in vrijheid gestelde verdachte die niet te bereiken is op het aldus opgegeven of gewijzigde adres om hem zijn oproepingen ter kennis te brengen, niet verschoonbaar is voor zijn niet-verschijning op alle proceshandelingen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 29 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 29 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0828.N I-VI J-C L, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Filip De Reuse en mr. Bram Casier, advocaten bij de balie West-Vlaanderen, mr. Filip De Reuse met kantoor te 8800 Roeselare, Sint-Alfonusstraat 36, waar de eiser woonplaats kiest, VII-XII H V A, beschuldigde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8310 Brugge (Sint-Kruis), Maalse Steenweg 138, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. S S, burgerlijke partij,
  2. J M, burgerlijke partij,
  3. R M, burgerlijke partij,
  4. A M, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en VII zijn gericht tegen het arrest nr. 13/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering (hierna arrest I). De cassatieberoepen II en VIII zijn gericht tegen het arrest nr. 14/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering (hierna arrest II). De cassatieberoepen III en IX zijn gericht tegen het arrest nr. 12/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 5 maart 2021 over de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling van de verweerders op het verzet van de eisers (hierna arrest III). De cassatieberoepen IV en X zijn gericht tegen het arrest nr. 13/2021 van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 9 maart 2021, waarbij een deskundige werd aangesteld (hierna arrest IV). De cassatieberoepen V en XI zijn gericht tegen het arrest nr. 14/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 16 maart 2021 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (hierna arrest V). De cassatieberoepen VI en XII zijn gericht tegen het arrest nr. 15/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 17 maart 2021 dat de eisers tot straf veroordeelt (hierna arrest VI). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eisers doen zonder berusting afstand van hun respectieve cassatieberoepen in zoverre ze gericht zijn tegen de niet-definitieve beslissingen op burgerlijk gebied. Bij arrest van 21 september 2021 heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste aanleg gewezen tussenbeslissing waarbij de rechter een dergelijk verzoek afwijst?” En indien het antwoord op die vraag negatief is, “Schendt artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl diezelfde partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel een uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen dat uitspraak doet over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die de partijen overeenkomstig artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering voor de feitenrechter kunnen opwerpen?” Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 119/2021 van 29 september 2022 de eerste prejudiciële vraag beantwoord en geoordeeld dat er geen aanleiding was tot een onderzoek van de tweede prejudiciële vraag. Op 28 november 2022 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 december 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II en VIII
  5. Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn vermeld arrest nr. 119/2022 van 29 september 2022 de eerste prejudiciële vraag beantwoord als volgt: “Artikel 278, § 4, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1 en lid 3, d), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.”
  6. Hieruit volgt dat de cassatieberoepen II en VIII ontvankelijk zijn.
  7. De grieven van de eisers tegen de niet-ontvankelijkheid van die cassatieberoepen behoeven voor het overige geen antwoord meer. Eerste middel van de eiser en tweede middel van de eiseres
  8. De middelen voeren schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 278, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest II weigert negen personen die de eiser wenste te horen, op te nemen op de lijst van de getuigen bedoeld in artikel 278, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering (hierna de lijst van de getuigen); die beslissing is niet gemotiveerd, behoudens met een standaardmotivering die enkel de bewoordingen van de wet herneemt; aldus vermeldt het arrest II niet op een concrete en verifieerbare wijze waarom eisers verzoek tot het horen van de vermelde getuigen is afgewezen.
  9. De eiseres kan zich voor het Hof niet beklagen over de weigering van de voorzitter van het hof van assisen om een persoon op de lijst van de getuigen op te nemen die de eiseres zelf niet heeft voorgedragen. De eerbiediging van het recht van verdediging, waartoe het oproepen van getuigen strekt, maakt immers het voorwerp uit van een persoonlijk recht van elke partij afzonderlijk. De omstandigheid dat de eiseres gelijke belangen heeft met de eiser, die de getuige wel heeft voorgedragen, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre kan het middel van de eiseres niet worden aangenomen.
  10. Artikel 2 Zevende Procotol EVRM heeft betrekking op het recht op hoger beroep in strafzaken. Dat artikel is vreemd aan de aangevoerde grief.
  11. Artikel 278, § 1, eerste lid, § 2, eerste, derde en vierde lid, en § 3, eerste lid, eerste zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Uiterlijk tien dagen voor de preliminaire zitting legt de procureur-generaal ter griffie de lijst neer van de getuigen die hij wenst te horen. Uiterlijk vijf dagen voor de preliminaire zitting leggen de overige partijen de lijst neer van de bijkomende getuigen die zij wensen te horen. (…). Bij die lijsten wordt een motivering van de keuze van de getuigen gevoegd. Nadat de voorzitter de opmerkingen van de procureur-generaal en de partijen heeft gehoord, stelt hij de lijst van getuigen vast en bepaalt hij de volgorde waarin ze zullen worden gehoord. (…). De voorzitter streeft ernaar om de duur van de terechtzitting zo kort mogelijk te houden. De voorzitter kan de verzoeken van de partijen afwijzen wanneer vaststaat dat de voorgedragen getuigen kennelijk niet kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit, diens schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer. De lijst van getuigen die tijdens de terechtzitting zullen worden gehoord, wordt opgenomen in het arrest van de preliminaire zitting.”
  12. Uit het arrest van de preliminaire rechtszitting moet blijken dat de voorzitter van het hof van assisen die weigert een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen, heeft onderzocht of de in deze bepalingen vermelde voorwaarden zijn vervuld. Daaruit volgt voor de voorzitter geen verdergaande motiveringverplichting.
  13. Artikel 149 Grondwet verplicht de voorzitter evenmin om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens te motiveren waarom hij weigert om op de lijst van de getuigen een persoon op te nemen die door een partij is voorgedragen overeenkomstig artikel 278, § 1, van dat wetboek.
  14. De verplichting die voor de rechter voortvloeit uit artikel 6.1 EVRM en het in die bepaling vervatte recht op een eerlijk proces om, ook bij afwezigheid van conclusie, de voornaamste redenen voor zijn beslissing op de strafvordering te vermelden, vereist als dusdanig niet dat de voorzitter van het hof van assisen die weigert een door een partij voorgedragen persoon op te nemen op de lijst van de getuigen, deze weigering motiveert met opgave van specifieke of per getuige geïndividualiseerde gegevens. Het feit dat artikel 6.3.d EVRM, als bijzondere toepassing van het in artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, aan de vervolgde persoon het uitdrukkelijke recht verleent om getuigen te ondervragen of te doen ondervragen, doet daaraan geen afbreuk.
  15. De motiveringsplicht van de voorzitter van het hof van assisen in zijn arrest op grond van artikel 278 Wetboek van Strafvordering is bovendien niet los te zien van de omstandigheid dat de getuigenlijst op de preliminaire rechtszitting niet wordt vastgesteld door het hof van assisen maar door de voorzitter, die de lijst van de getuigen vaststelt en de volgorde waarin ze zullen worden gehoord na een summier debat, nadat hij de partijen en de procureur-generaal in hun opmerkingen heeft gehoord. Dit arrest houdt slechts een beslissing alvorens recht te doen in die geen definitief oordeel inhoudt over de getuigen die tijdens het debat voor het hof van assisen zullen worden gehoord. Afgezien van de mogelijkheid dat de voorzitter tijdens het debat voor het hof van assisen beslist een niet op de lijst opgenomen getuige bij toepassing van artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering te doen oproepen als getuige, kunnen de partijen tijdens het debat voor het hof van assisen een conclusie indienen waarbij zij verzoeken dat niet op de lijst van de preliminaire rechtszitting opgenomen getuigen alsnog door het hof van assisen zullen worden gehoord. Het hof van assisen, samengesteld zoals bedoeld in artikel 216octies Wetboek van Strafvordering, dient hierop bij tussenarrest uitspraak te doen, zonder hierbij gebonden te zijn door het arrest van de preliminaire rechtszitting.
  16. Hieruit volgt dat de voorzitter in het arrest van de preliminaire rechtszitting zijn weigering om een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen voldoende motiveert door te verwijzen naar een weigeringsgrond bepaald in artikel 278, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zonder dat hij bij die motivering concrete omstandigheden van de zaak of criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropstelt voor het niet-horen van getuigen à charge of à décharge in het licht van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, moet betrekken.
  17. In zoverre het middel van de eiser uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel van de eiser en derde middel van de eiseres
  18. De middelen voeren schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 278, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest V verklaart de eisers schuldig zonder dat zij doorslaggevende getuigen à charge konden of konden laten oproepen en ondervragen, hoewel de eiser daarom had verzocht; het betreft in het bijzonder P.J. en J.M., die de voorzitter heeft geweigerd op te nemen op de lijst van de getuigen en die bijgevolg afwezig waren op het proces terwijl daarvoor geen goede redenen bestonden of compensatoire maatregelen waren genomen.
  19. De eiseres kan zich voor het Hof niet erover beklagen dat het hof van assisen getuigen niet heeft gehoord waarom zij zelf niet heeft gevraagd, hoewel zij met kennis van zaken aan het proces heeft deelgenomen. In zoverre kan het middel van de eiseres niet worden aangenomen.
  20. Noch artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch artikel 13 EVRM verplicht het hof van assisen om elke persoon die tijdens het strafonderzoek een verklaring heeft afgelegd in verband met bepaalde feiten of beschuldigden of die wordt vermeld in de motivering van de beslissing over de schuld als getuige te horen, wanneer die verklaring of vermelding geen impact heeft op de beslissing over de schuld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. Voor het overige blijkt noch uit het arrest V noch uit enig stuk waarop het Hof vermag acht te slaan dat het voor de schuldigverklaring van de eiser van belang was dat P.J. of J.M. als getuigen werden gehoord. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser
  22. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 21ter, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 344, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het evenredigheidsbeginsel: het arrest VI neemt aan dat de redelijke termijn voor de berechting van de eiser is overschreden en veroordeelt hem dienvolgens tot opsluiting van dertig jaar in plaats van tot levenslange opsluiting, dit is de enige straf die de wet op de misdaad moord stelt indien, zoals hier, geen verzachtende omstandigheden worden aangenomen; het arrest VI verduidelijkt niet met redenen eigen aan de persoon van de eiser, noch aan de hand van duidelijke, concrete of verifieerbare elementen die relevant zijn in het licht van de criteria ter beoordeling van de gevolgen van een miskenning van de redelijke termijn, waarom de eiser wordt bestraft met opsluiting van dertig jaar; de eiseres, die zich nochtans in dezelfde omstandigheden als de eiser bevond, wordt veroordeeld tot een lagere straf; dat verschil wordt niet gemotiveerd; aldus staat het arrest VI niet op zichzelf en laat dat arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen; bovendien had de eiser bij conclusie verweer gevoerd over de miskenning van de redelijke termijn voor wat zijn persoon betreft; minstens is aan de eiser, gelet op het tijdsverloop sinds het aanvangen van de redelijke termijn, een onredelijk zware straf opgelegd.
  23. Artikel 149 Grondwet vereist niet dat een vonnis of arrest de voornaamste redenen voor de genomen beslissing vermeldt. Daarentegen bepaalt artikel 344, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dat ieder veroordelend arrest melding maakt van de redenen die hebben geleid tot de bepaling van de opgelegde straf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  24. Het hof van assisen bepaalt voor elke beschuldigde afzonderlijk welke impact de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft op de aan de betrokkene op te leggen straf. Het hof van assisen moet die impact dan ook niet vergelijken tussen verschillende beschuldigden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  25. Uit het arrest VI blijkt niet dat de aan de eiser opgelegde straf verband houdt met enige betwisting over de door hem aangevoerde criteria inzake de miskenning van het redelijketermijnvereiste ten aanzien van zijn persoon. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest VI en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  26. Het hof van assisen dat een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding. Niet vereist is dat het hof van assisen de strafvermindering motiveert aan de hand van de criteria voor het bepalen van de overschrijding van de redelijke termijn, namelijk de complexiteit van de zaak, de houding van de beschuldigde, de houding van de vervolgende overheid en het belang van de beschuldigde bij de procedure, wanneer die criteria niet het voorwerp van een betwisting uitmaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  27. Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader, alsmede met eventuele bijzonderheden van de zaak zoals de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof gaat wel na of uit de vaststellingen en redenen van de beslissing niet blijkt dat er aan de vervolgde persoon een onredelijk zware straf is opgelegd.
  28. Het arrest VI oordeelt onder meer als volgt: - de eisers werden over de feiten verhoord in juni
  29. Zij werden toen ook gearresteerd en gedurende een periode in voorlopige hechtenis genomen. Het gerechtelijk onderzoek werd afgesloten in het jaar
  30. Pas in december 2011 vond het proces plaats voor het hof van assisen, weliswaar bij verstek van de beschuldigden. In die periode heeft het onderzoek en de uiteindelijke behandeling voor het hof van assisen periodes van stilstand gekend die niet enkel aan de houding van de eisers te wijten zijn; - door het gebruik van valse identiteiten en de internationale sporen die de eisers door hun vele bewuste verplaatsingen veroorzaakten en het opzetten van diverse constructies die in het licht van de feiten moesten worden onderzocht, betreft het een complex onderzoeksdossier, wat mee in rekening moet worden gebracht bij de beoordeling van de redelijke termijn; - de tijd die is verstreken sinds de bewezen feiten en dit proces, is anderzijds ook in belangrijke mate te wijten aan de houding van elk van de eisers, die jarenlang niet te vatten of aan te treffen waren en die ook al tijdens het verdere gerechtelijk onderzoek gebruik maakten van valse identiteiten en steeds wisselende adressen, wat ook zijn invloed moet hebben op de mate van rechtsherstel die de voormelde overschrijding van de redelijke termijn vereist; - M.M. was voor de eisers een pion in de oplichtingen die zij pleegden om te voorzien in hun exorbitante levensstijl, maar op een bepaald moment werd hij voor hen een lastpost die hen in de weg stond; - de wijze waarop M.M. werd vermoord duidt op een regelrechte executie. Het slachtoffer moet een enorme doodsangst hebben doorstaan, waarvoor de eisers onverschillig bleven; - uit de behandeling op de rechtszitting en de gehoorde getuigenverklaringen is gebleken dat de eiser een asociale persoonlijkheid heeft en dat zijn levensloop een spoor van menselijke schade heeft achtergelaten. Zijn weerkerende neiging om te manipuleren is aangetoond. De bewezen feiten geven ook blijk van zijn concrete sociale gevaarlijkheid. De samenleving moet tegen dergelijke personen beveiligd worden. Uit niets volgt dat zijn jeugdjaren van ontworteling en het gebrek aan een gezonde en warme omgeving hem niet toelieten andere keuzes te maken.
  31. Op grond van deze redenen, die pertinent en geïndividualiseerd zijn, kan het arrest VI wettig oordelen dat, gelet op de ernst van het gepleegde feit en de persoonlijkheid van de eiser, het ook na de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn nog steeds verantwoord is hem de straf van opsluiting van dertig jaar op te leggen. Aldus is het Hof eveneens in staat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiseres II
  32. Het middel dat betrekking heeft op het cassatieberoep IX, waarvan de eiseres afstand heeft gedaan, behoeft geen antwoord. Vierde middel van de eiseres
  33. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 79, 80 en 394 Strafwetboek en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest VI neemt aan dat de redelijke termijn voor de berechting van de eiseres is overschreden en veroordeelt haar dienvolgens tot opsluiting van vierentwintig jaar in plaats van tot levenslange opsluiting, dit is de enige straf die de wet op de misdaad moord stelt indien, zoals hier, geen verzachtende omstandigheden worden aangenomen; om de opgelegde straf te bepalen, houdt het arrest VI rekening met een aantal persoonlijkheidskenmerken van de eiseres, namelijk haar opvoeding en opleiding, haar houding als gedetineerde, de liefdevolle band met haar dochter en haar fragiele gezondheidstoestand; dit zijn echter geen beoordelingscriteria die relevant zijn voor het bepalen van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn, maar wel gegevens die in aanmerking komen als verzachtende omstandigheden, wat het arrest VI ten onrechte weigert aan te nemen; door de combinatie van de strafvermindering ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn en deze ingevolge de aanwezigheid van verzachtende omstandigheden waartoe het arrest VI op grond van zijn eigen vaststellingen had moeten besluiten, moest aan de eiseres een lagere straf dan opsluiting van vierentwintig jaar zijn opgelegd.
  34. Op grond van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de rechter, indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. Op grond van de artikelen 79 en 80, eerste lid, Strafwetboek wordt, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, levenslange opsluiting vervangen door tijdelijke opsluiting of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar. In geen van die gevallen bepaalt de wet welke straf de rechter in de concrete zaak dient op te leggen. Dit is ook niet het geval wanneer, zoals het middel aanvoert, bij de vervolgde persoon de aanwezigheid van verzachtende omstandigheden samengaat met de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn.
  35. Hieruit volgt dat de eiseres, ook indien haar middel gegrond was, daaruit geen aanspraak verkrijgt op een lagere straf dan deze die het arrest VI haar oplegt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde middel van de eiseres
  36. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest VI verklaart de borgsom die de eiseres heeft betaald in het kader van haar voorlopige hechtenis vervallen aan de Staat; de afwezigheid van de eiseres op de rechtszittingen van het hof van assisen was wel degelijk verschoonbaar; geen enkele oproeping of dagvaarding is aan de persoon van de eiseres betekend of op haar verblijfsadres toegekomen terwijl het openbaar ministerie reeds in 2008 wist waar zij verbleef; het kan de eiseres ook niet worden verweten dat zij haar voorwaarden had geschonden, gezien die waren afgeschaft.
  37. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest VI artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  38. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
  39. Op grond van artikel 35, § 1, Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrechter de verdachte in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Die termijn is verlengbaar overeenkomstig artikel 36 Voorlopige Hechteniswet. Artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt in zijn eerste lid dat de onderzoeksrechter de verdachte kan vrijlaten tegen de betaling van een borgsom en in zijn vierde lid dat, niettegenstaande de in de artikelen 35, § 1, en 36 van die wet bepaalde termijnen, de borgsom wordt teruggegeven indien de verdachte bij alle proceshandelingen, alsook ter tenuitvoerlegging van het vonnis, is verschenen. Aldus is de geldingsduur van de borgsom niet beperkt tot de geldingsduur van de voorwaarden die eventueel ook aan de verdachte worden opgelegd.
  40. Noch het feit dat er een ruime periode ligt tussen de vrijlating van de verdachte tegen de betaling van een borgsom en de proceshandelingen waarop hij onder garantie van die borgsom heeft toegezegd te zullen verschijnen, noch het feit dat in de loop van die periode de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, ontheft de verdachte van zijn verplichting om op de vermelde proceshandelingen te verschijnen, op gevaar dat zijn borgsom wordt toegewezen aan de Staat overeenkomstig artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet.
  41. Artikel 29 Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “De voorlopig in vrijheid gestelde persoon moet aangeven op welk adres hem nadien de voor het onderzoek en het strafproces vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan. Tot op het ogenblik dat de betrokkene bij ter post aangetekende brief aan het openbaar ministerie een wijzigingsbericht doet geworden of indien hij is ingeschreven op een nieuw adres in het Rijksregister, worden de oproepingen en betekeningen geldig op die plaats gedaan.”
  42. De rechter die over de bestemming van de borgsom beslist, kan oordelen dat de voorlopig in vrijheid gestelde verdachte die niet te bereiken is op het aldus opgegeven of gewijzigde adres om hem zijn oproepingen ter kennis te brengen, niet verschoonbaar is voor zijn niet-verschijning op alle proceshandelingen.
  43. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  44. Het arrest VI oordeelt: “Bij haar hiervoor vermelde invrijheidsstelling heeft [de eiseres] er zich toe verbonden om bij alle proceshandelingen te verschijnen en te verschijnen bij de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest. Zij gaf toen het adres op waarop alle processtukken daartoe moesten betekend worden. De gerechtsdeurwaarder heeft zich op dit opgegeven adres begeven om er de akte van beschuldiging met dagvaarding om te verschijnen voor het hof van assisen te betekenen, doch heeft vastgesteld dat [de eiseres] er niet verbleef en er ook niet gekend was. Dit op zich volstond reeds om vast te stellen dat zij de voorwaarden niet naleefde en dat aldus de borgsom dient te worden toegewezen aan de Staat. Het openbaar ministerie heeft bijkomend deze processtukken laten betekenen op haar gekend adres in Zuid-Afrika en tenslotte aan de procureur des Konings wegens ongekende woon- of verblijfplaats in het Rijk of in het buitenland. [De eiseres] heeft naderhand nooit haar juiste adres laten kennen aan de gerechtelijke overheden, hoewel de haar opgelegde en door haar aanvaarde voorwaarden haar hiertoe verplichtten. De loutere omstandigheid dat [de eiseres] voorhoudt dat zij niet op de hoogte was van zittingen, en dus proceshandelingen, in haar zaak, houdt geen wettige reden van verschoning in. Dat het openbaar ministerie zou geweten hebben waar de [de eiseres] verbleef, doet aan deze vaststelling geen afbreuk.” Aldus verantwoordt dat arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  45. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen van de eisers. Verwerpt de cassatieberoepen van het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.517,47 euro, waarvan op de cassatieberoepen I, II, III, IV, V en VI 331,44 euro is verschuldigd en 427,31 euro door de eiser is betaald en op de cassatieberoepen VII, VIII, IX, X, XI en XII 331,41 euro is verschuldigd en 427,31 euro door de eiseres is betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.22 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210921.2N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.24 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.