id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.23 Rolnummer: P.22.1096.N Zaak: H. contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-29 Raadplegingen: 813 - laatst gezien 2026-06-15 07:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.23 Fiches 1 - 2 De vragen die de voorzitter van het hof van assisen overeenkomstig de artikelen 322 tot 329quater en 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dient te stellen aan de jury en die het college van de jury en de beroepsrechters gemotiveerd dient te beantwoorden, moeten de telastleggingen die het voorwerp uitmaken van het verwijzingsarrest uitputten en aldus moeten alle vragen worden beantwoord met betrekking tot alle hoofdfeiten en verzwarende omstandigheden die volgen uit de kwalificatie waaronder de kamer van inbeschuldigingstelling de feiten naar het hof van assisen heeft verwezen; indien blijkt dat het verwijzingsarrest telastleggingen bevat die in werkelijkheid slechts meerdere mogelijke kwalificaties zijn van hetzelfde naar het hof van assisen verwezen feit, dan heeft het bevestigend antwoord op de vragen met betrekking tot de hoofdkwalificatie tot gevolg dat de vragen met betrekking tot de ondergeschikte kwalificatie niet meer te beantwoorden zijn en de kamer van inbeschuldigingstelling moet niet uitdrukkelijk vermelden dat zij een feit eveneens onder een subsidiaire kwalificatie naar het hof van assisen verwijst aangezien die verwijzing kan worden afgeleid uit alle omstandigheden van de zaak, die redelijkerwijze voor geen andere uitlegging vatbaar zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 322 tot 329quater en 334, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 322 tot 329quater en 334, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Eender welke al dan niet voorgenomen, gewilde of te voorziene omstandigheid die met de aanhouding, gevangenhouding of ontvoering van de gijzelaar te maken heeft, kan als oorzaak gelden voor de gevolgen die artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek als een verzwarende omstandigheid van de misdaad gijzeling bepaalt en daarin kan begrepen zijn het doden van de gijzelaar naar aanleiding van diens vluchtpoging of van diens verweer tegen zijn aanhouding, gevangenhouding of ontvoering; niet vereist is dat de verzwarende omstandigheid heeft gediend als middel om enig aspect van de gijzeling te kunnen realiseren zodat het niet uitmaakt of de dood van de gijzelaar volgt uit een opwelling van de gijzelnemer of resulteert in het niet kunnen verkrijgen van het beoogde losgeld en de rechter beoordeelt onaantastbaar de feiten waaruit hij afleidt of er al dan niet een causaal verband bestaat tussen een gijzeling en de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 347bis, § 4, 1°
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GIJZELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 347bis, § 4, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 347bis, § 4, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1096.N I-VIII S H, beschuldigde, aangehouden, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, alsook met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. IX-XII M T, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jonathan Bogaerts, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- S L,
- E A,
- M A,
- P A,
- L A,
- A A,
- A R A,
- A S A,
- R-F G,
- A A,
- D S,
- C B, burgerlijke partijen, verweerders, XIII-XIV N P, beschuldigde, aangehouden, eiser. XV-XVII D H, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. 21/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 3 mei 2022 tot het aanstellen van plaatsvervangende juryleden (hierna het arrest III). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. 14/2022 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg van 31 maart 2022 (hierna het arrest I). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest nr. 20/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 3 mei 2022 over de vrijstellingen (hierna het arrest II). Het cassatieberoep IV is gericht tegen het arrest nr. 25/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 9 mei 2022 tot vervanging van een jurylid (hierna arrest IV). De cassatieberoepen V, IX en XVI zijn gericht tegen het arrest nr. 26/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 1 juni 2022 tot het stellen van bijkomende vragen aan de jury (hierna arrest V). De cassatieberoepen VI, X, XIII en XV zijn gericht tegen het arrest nr. 27/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 1 juni 2022 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (hierna het arrest VI). De cassatieberoepen VII en XI zijn gericht tegen het arrest nr. 28/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 2 juni 2022 dat oordeelt over de aangevoerde miskenning van het recht van verdediging (hierna het arrest VII). De cassatieberoepen VIII, XII, XIV en XVII zijn gericht tegen het arrest nr. 29/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 3 juni 2022, dat de eisers tot straf veroordeelt (hierna het arrest VIII). De eiser I-VIII voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser IX-XII voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers XIII-XIV en XV-XVII voeren geen middel aan. Op 28 november 2022 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 december 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. De raadsman van de eiser IX-XII heeft op 9 december 2022 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. De raadsman van de eiser I-VIII heeft op 16 december 2022 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Overeenkomstig artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering wordt de verklaring van cassatieberoep in de regel gedaan door een advocaat die houder moet zijn van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures.
- De cassatieberoepen, die de eiser XIII-XIV zelf heeft ingesteld vanuit de gevangenis, zijn niet ontvankelijk.
- De cassatieberoepen IX, X, XI en XII zijn niet gericht tegen beslissingen over de burgerlijke rechtsvorderingen en zijn bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre zij gericht zijn tegen de verweerders. Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 323, 329bis, eerste lid, 329quater, tweede lid, en 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest VI laat de vragen met betrekking tot de telastlegging D onbeantwoord zonder daarvoor een reden op te geven; die vragen vereisen nochtans een principale hoofdvraag en zij moesten dus gemotiveerd worden beantwoord; mede gelet op het nauwe verband tussen de telastleggingen C en D, die beide betrekking hebben op de gijzeling van S.A. met zijn dood tot gevolg, is het Hof daardoor niet in staat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen op de beoordeling van die telastleggingen en van de daaruit voortspruitende veroordeling van de eiser I-VIII tot levenslange opsluiting bij het arrest VIII; evenmin is de eiser I-VIII daardoor in staat die beoordeling en die beslissing te begrijpen.
- Het arrest VIII veroordeelt de eiser I-VIII tot levenslange opsluiting wegens zijn schuldigverklaring bij het arrest VI aan de telastleggingen A (poging gijzeling S.A. op 6 augustus 2015), B (gijzeling S.L. op 27 augustus 2015) en C (gijzeling S.A. met zijn dood tot gevolg op 27 augustus 2015). Het arrest VI beantwoordt de vragen over de telastlegging D (moord op S.A. op 27 augustus 2015) niet. Die telastlegging komt verder ook niet meer ter sprake.
- De vragen die de voorzitter van het hof van assisen overeenkomstig de artikelen 322 tot 329quater en 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dient te stellen aan de jury en die het college van de jury en de beroepsrechters gemotiveerd dient te beantwoorden, moeten de telastleggingen die het voorwerp uitmaken van het verwijzingsarrest uitputten. Aldus moeten alle vragen worden beantwoord met betrekking tot alle hoofdfeiten en verzwarende omstandigheden die volgen uit de kwalificatie waaronder de kamer van inbeschuldigingstelling de feiten naar het hof van assisen heeft verwezen. Indien echter blijkt dat het verwijzingsarrest telastleggingen bevat die in werkelijkheid slechts meerdere mogelijke kwalificaties zijn van hetzelfde naar het hof van assisen verwezen feit, dan heeft het bevestigend antwoord op de vragen met betrekking tot de hoofdkwalificatie tot gevolg dat de vragen met betrekking tot de ondergeschikte kwalificatie niet meer te beantwoorden zijn.
- De kamer van inbeschuldigingstelling moet niet uitdrukkelijk vermelden dat zij een feit eveneens onder een subsidiaire kwalificatie naar het hof van assisen verwijst. Die verwijzing kan immers worden afgeleid uit alle omstandigheden van de zaak, die redelijkerwijze voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 393 Strafwetboek bestraft doodslag, dit is doden met het oogmerk om te doden, met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. Artikel 394 Strafwetboek bestraft moord, dit is doodslag met de verzwarende omstandigheid van voorbedachtheid, met levenslange opsluiting. Artikel 347bis, § 1 en § 2, Strafwetboek bestraft gijzeling, dit is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of een voorwaarde, met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. Gijzeling wordt bestraft met levenslange opsluiting indien voldaan is aan de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 347bis, § 4, Strafwetboek, onder meer (1°) indien de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van de gijzelaar diens dood tot gevolg heeft. Die laatste verzwarende omstandigheid betreft een louter objectief gevolg van de gijzeling, dat de dader zich niet moet hebben voorgenomen, noch moet hebben gewild of zelfs maar hebben kunnen voorzien. Zij vereist aldus niet, maar sluit evenmin uit, dat de gijzelnemer de gijzelaar heeft gedood met het oogmerk om hem te doden of met voorbedachten rade.
- Uit het feit dat het verwijzingsarrest de misdaad gijzeling met de dood tot gevolg heeft verwezen vóór de misdaad moord, zodat de vragen over de eerst vermelde kwalificatie eerst moesten worden beantwoord, alsook uit het feit dat de beide misdaden strafbaar zijn met dezelfde straffen ongeacht hun onderscheiden constitutieve bestanddelen voor wat betreft de dood van het slachtoffer, blijkt dat de telastlegging D enkel een subsidiaire kwalificatie is van de verzwarende omstandigheid van de telastlegging C, namelijk de dood van S.A. Bijgevolg waren ingevolge het bevestigend antwoord op de vragen met betrekking tot de telastlegging C, de vragen met betrekking tot de telastlegging D niet meer te beantwoorden.
- Het arrest VI motiveert de schuld van de eiser I-VIII aan de telastlegging C ingevolge het bevestigende antwoord op de vragen volgend uit die telastlegging met onder meer de volgende redenen: - het staat vast dat het de bedoeling was om S.A. op 27 augustus 2015 te ontvoeren en om vervolgens een losgeld te eisen van zijn naaste familieleden; - na het klemrijden van het voertuig van S.A. werd hij onmiddellijk vastgegrepen door de eiser I-VIII en S.H., waarbij het de bedoeling was om hem te knevelen en hem in het voertuig Jaguar te plaatsen; - de eisers I-VIII en XIII-XIV en D.H. hebben allen bijgedragen tot het numerieke overwicht ten opzichte van de slachtoffers, waardoor onder meer S.A., zij het kortstondig, kon worden aangehouden en van zijn vrijheid beroofd; - het feit dat S.A. zich even later kon losrukken van zijn belagers en hij de vlucht kon nemen tot hij ongeveer 400 meter verder opnieuw werd vastgegrepen door zijn belagers, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de aanhouding van S.A. zich heeft voltrokken; - de vermelde omstandigheden tonen boven elke redelijke twijfel aan dat de daders S.A. van zijn vrijheid hebben beroofd teneinde hem borg te doen staan voor de overhandiging van een losgeld door zijn familie; - de daders wisten dat er hoogstwaarschijnlijk zwaar geweld zou moeten worden gebruikt om de gevangenneming en gijzeling van S.A. te kunnen realiseren, reden waarom zij pistolen meebrachten waarvan zij wisten dat die mogelijks moesten worden gebruikt en waarom zij zich voordeden als politiemannen; - “[S.A.] werd tijdens deze gijzeling op 27 augustus 2015 gedood door kogels afkomstig uit de 2 pistolen die de daders op 27 augustus bij zich hadden. Ter zitting van 9 mei 2022 bekende [de eiser I-VIII] dat hij meermaals vanop korte afstand naar [S.A.] heeft geschoten, zelfs toen deze reeds op de grond was gevallen […]. Het feit dat de gijzeling van [S.A.] op 27 augustus 2015 diens dood ten gevolge had, betreft een objectieve vaststelling, ook al was dit gevolg op voorhand niet gepland of gewild. Deze vaststelling is mede gesteund op de medico-legale besluiten van de wetsgeneesheren en de ballistisch deskundigen, zoals door hen bevestigd ter zitting.”
- Met die redenen, waaruit blijkt dat de dood van S.A. een gevolg van diens gijzeling uitmaakte zelfs al resulteerde die dood uit eisers oogmerk om te doden, is het Hof in staat zijn wettigheidstoezicht op de beslissingen over eisers schuldigverklaring en bestraffing uit te oefenen, is de eiser I-VIII in staat de redenen voor deze beslissingen te begrijpen en zijn deze beslissingen regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I-VIII
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest V beantwoordt niet het nauwkeurige en omstandige verweer van de eiser I-VIII, aangevoerd in zijn conclusie neergelegd op 31 mei 2022 en bijgetreden door de eiser IX-XII in zijn op dezelfde dag neergelegde conclusie, dat de vragen over de telastlegging D moesten worden beantwoord op gevaar van miskenning van eisers’ recht op een eerlijk proces dan wel hun recht van verdediging (beide onderdelen).
- In zijn voormelde conclusie, waarin hij het hof van assisen vroeg de door hem voorgestelde bijkomende vragen te stellen, heeft de eiser I-VIII het volgende aangevoerd: “Tijdens zijn requisitoor over de schuld stelde de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie tevens dat de gezworenen niet zouden mogen antwoorden op de schuldvraag die betrekking heeft op de doodslag, al dan niet met voorbedachte rade, van zodra zij één van de beschuldigden schuldig zouden bevinden aan het misdrijf gijzeling met de dood tot gevolg. [De eiser I-VIII] wenst te benadrukken dat deze stelling volgens hem niet correct is en elke wettelijke grondslag mist, en dan ook door Uw hof dient te worden weerlegd op het moment dat de gezworenen conform artikel 326 par. 4 van het Wetboek van strafvordering de vragenlijst overhandigd zullen krijgen en uitleg zullen krijgen over de manier waarop zij behoren tewerk te gaan. Het standpunt van de vervolgende partij, indien dit niet weerlegd wordt en dus minstens impliciet door Uw Hof bevestigd wordt, zou namelijk de mogelijkheden van de jury op het moment van het beslissen over de schuld van [de eiser I-VIII] inperken op een manier die zijn recht op een eerlijk proces zou schenden, in strijd met art. 6 EVRM.” Ook de eiser IX-XII vroeg in zijn conclusie, waarin hij het hof van assisen verzocht soortgelijke bijkomende vragen te stellen, om alleszins eerst de vragen met betrekking tot de telastlegging D ten aanzien van de eiser I-VIII te beantwoorden.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers I-VIII en IX-XII na het arrest V nog een soortgelijk verweer hebben gevoerd.
- Het arrest V stelt op vraag van onder meer de eisers I-VIII en IX-XII de bijkomende vragen 31 tot 102 over de kwalificatie van de feiten van de beschuldigingen als (poging) diefstallen met verzwarende omstandigheden, zonder dat het daarvoor uitspraak moet doen over het al dan niet beantwoorden van de vragen 21 tot 30 in verband met de telastlegging D. Aldus kunnen de eisers I-VIII en IX-XII niet gegriefd zijn door het feit dat het arrest V hun op dat moment doelloze verweer niet beantwoordt. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Het arrest VI vermeldt dat vraag 21 tot en met vraag 102 niet zijn beantwoord en het motiveert de schuldigverklaring van de eiser I-VIII aan de telastlegging C met de redenen vermeld in het antwoord op zijn eerste middel. Uit die vermelding en redenen blijkt dat het hof van assisen de vordering van het openbaar ministerie bijtreedt dat de telastlegging D een subsidiaire kwalificatie is van de verzwarende omstandigheid van de telastlegging C, die gelet op het bevestigende antwoord op de vragen met betrekking tot de telastlegging C niet meer te beantwoorden was. Aldus verwerpt en beantwoordt het hof van assisen de vermelde aanvoeringen van de eisers I-VIII en IX-XII met inbegrip van hun tot staving daarvan aangebrachte argumenten over hun recht op een eerlijk proces en recht van verdediging, zonder dat het in de gegeven omstandigheden verder op die aanvoeringen moest ingaan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I-VIII
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek: met de redenen die het bevat, stelt het arrest VI niet vast dat de dood van S.A. is voortgevloeid uit of zelfs op enige wijze het gevolg was van zijn aanhouding, gevangenhouding of ontvoering; S.A. werd neergeschoten nadat hij eisers zoon had doodgeschoten met het wapen dat hij van deze laatste had kunnen bemachtigen; uit het debat en de bestreden arresten blijkt dat op dat moment, in strijd met het aanvankelijke plan, bij de eiser I-VIII het plotse opzet is ontstaan om S.A. te doden; het bewust neerschieten van het slachtoffer kan dan ook onmogelijk als middel hebben gediend om de gevangenneming en de gijzeling ervan te kunnen realiseren, noch om de betaling van een losgeld te kunnen verkrijgen; het gaat dan ook duidelijk om twee verschillende fases zonder enig oorzakelijk verband.
- Eender welke al dan niet voorgenomen, gewilde of te voorziene omstandigheid die met de aanhouding, gevangenhouding of ontvoering van de gijzelaar te maken heeft, kan als oorzaak gelden voor de gevolgen die artikel 347bis, § 4,1°, Strafwetboek als een verzwarende omstandigheid van de misdaad gijzeling bepaalt. Daarin kan zodoende begrepen zijn het doden van de gijzelaar naar aanleiding van diens vluchtpoging of van diens verweer tegen zijn aanhouding, gevangenhouding of ontvoering. Niet vereist is dat de verzwarende omstandigheid heeft gediend als middel om enig aspect van de gijzeling te kunnen realiseren. Het maakt aldus niet uit of de dood van de gijzelaar volgt uit een opwelling van de gijzelnemer of resulteert in het niet kunnen verkrijgen van het beoogde losgeld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter beoordeelt onaantastbaar de feiten waaruit hij afleidt of er al dan niet een causaal verband bestaat tussen een gijzeling en de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht zijn beslissing heeft kunnen afleiden.
- Op grond van de vaststellingen vermeld in het antwoord op eisers eerste middel kan het hof van assisen, ongeacht de in het middel vermelde omstandigheden, wettig oordelen dat de dood van S.A. in oorzakelijk verband staat met zijn aanhouding, gevangenhouding of ontvoering en dus de verzwarende omstandigheid van artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek oplevert. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I-VIII
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek: het arrest VI verklaart de eiser I-VIII enerzijds schuldig aan gijzeling met de dood tot gevolg, terwijl anderzijds uit de bewoordingen van onder andere het arrest VIII blijkt dat het hof van assisen de eiser verwijt dat hij S.A. neerschoot met het oogmerk om te doden; het opzet om te doden is echter onverenigbaar met de objectieve verzwarende omstandigheid dat de gijzeling de dood van de gijzelaar tot gevolg heeft, aangezien dit laatste geen oogmerk om te doden veronderstelt; aldus is de beslissing van het arrest VI niet naar recht verantwoord en is dat arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- Uit het antwoord op het eerste middel van de eiser I-VIII blijkt dat de verzwarende omstandigheid van artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek het oogmerk om de gijzelaar te doden niet vereist noch uitsluit. Aldus is de schuldigverklaring van de eiser I-VIII aan de telastlegging C zonder enige tegenstrijdigheid naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser IX-XII
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest VIII oordeelt ten onrechte dat er voor wat betreft de eiser IX-XII geen overschrijding van de redelijke termijn is vast te stellen en veroordeelt hem tot opsluiting van 28 jaar wegens de telastleggingen A en C; de eiser IX-XII is aangehouden op 26 januari 2016; er zijn tijdens de procedure aanzienlijke periodes van stilstand geweest die niet aan de eiser IX-XII te wijten zijn; ook moet de redelijke termijn extra streng worden geïnterpreteerd gelet op het bijzondere hechtenisregime dat de eiser IX-XII heeft ondergaan.
- Het middel dat opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van het arrest VIII dat de redelijke termijn voor wat betreft de eiser IX-XII niet is overschreden of dat verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser IX-XII
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 323 Wetboek van Strafvordering: door de jury de vragen in verband met de doodslag op S.A. niet meer te laten beantwoorden, miskent het arrest VI het recht van verdediging van de eiser IX-XII; indien immers op die vraag met betrekking tot de eiser I-VIII bevestigend was geantwoord, was er sprake van een bijzonder opzet bij die eiser, waardoor de dood als verzwarende omstandigheid bij de gijzeling niet langer aan de eiser IX-XII kon worden toegerekend; de eiser I-VIII heeft op de rechtszitting expliciet schuldig gepleit aan doodslag op S.A., zodat het hof van assisen niet wettig kon beslissen dat er niet meer diende te worden geantwoord op de vragen over de telastlegging D. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste, derde en vierde middel van de eiser I-VIII en is om dezelfde redenen verwerpen. Derde middel van de eiser IX-XII
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest V schendt deze bepalingen door wel bijkomende vragen te stellen aan de jury, maar zich niet uit te spreken over de volgorde van deze vragen ondanks eisers hiertoe bij conclusie geformuleerde verzoek.
- Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser I-VIII en kan om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 1017,02 euro, waarvan op de cassatieberoepen I – VIII 601,33 euro is verschuldigd, op de cassatieberoepen IX – XII 290,51 euro is verschuldigd en op de cassatieberoepen XIII en XIV 125,18 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div