id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 278- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.
100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek
Art. 278
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek
Art. 278
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 10 Afgezien van de mogelijkheid dat de voorzitter tijdens het debat voor het hof van assisen beslist een niet op de lijst opgenomen getuige bij toepassing van het artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering te doen oproepen als getuige, kunnen de partijen tijdens het debat voor het hof van assisen een conclusie indienen waarbij zij verzoeken dat niet op de lijst van de preliminaire rechtszitting opgenomen getuigen alsnog door het hof van assisen zullen worden gehoord en het hof van assisen, samengesteld zoals bedoeld in artikel 216octies Wetboek van Strafvordering, dient hierop bij tussenarrest uitspraak te doen, zonder hierbij gebonden te zijn door het arrest van de preliminaire rechtszitting; hieruit volgt dat de voorzitter in het arrest van de preliminaire rechtszitting zijn weigering om een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen voldoende motiveert door te verwijzen naar een weigeringsgrond bepaald in artikel 278, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zonder dat hij bij die motivering concrete omstandigheden van de zaak of criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropstelt voor het niet-horen van getuigen à charge of à décharge in het licht van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, moet betrekken en daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat een partij motiveert waarom zij wil dat het hof van assisen een bepaalde getuige hoort aangezien die motivering door de voorzitter of het hof van assisen kan worden beantwoord indien het al dan niet horen van die getuige tijdens het debat voor het hof van assisen terug aan bod zou komen ingevolge de toepassing van artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 11 - 12 Op grond van artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek worden alle vonnissen en verrichtingen geschorst te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving aan de rechter van een verzoek tot wraking dat uitgaat van een partij of van het openbaar ministerie maar dat gevolg is niet verbonden aan een verzoek dat slechts de schijn heeft van een werkelijke wraking en waarvan de enige bedoeling kennelijk erin bestaat de rechtsgang te belemmeren, zodat gelet op het uitzonderlijke en dringende karakter van die situatie een rechtscollege, zetelend met de rechter die in het wrakingsverzoek is geviseerd, zelf kan oordelen of er op grond van de concrete gegevens die het vaststelt sprake is van een dergelijk rechtsmisbruik hetgeen het geval kan zijn wanneer het rechtscollege vaststelt dat tegen een van zijn leden een tweede wrakingsverzoek wordt neergelegd met nagenoeg dezelfde grieven als deze vermeld in een eerste wrakingsverzoek, ongeacht of de wrakingsrechter reeds uitspraak heeft gedaan over dat eerste wrakingsverzoek; het rechtscollege kan ook rekening houden met de uitspraak van de wrakingsrechter over het eerste wrakingsverzoek, indien het daarvan kennis heeft op het moment van zijn beslissing in verband met het tweede wrakingsverzoek en het Hof gaat na of de beslissing op grond van de erin vermelde vaststellingen kan worden verantwoord zodat door die controle en het risico op vernietiging door het Hof van de desbetreffende beslissing en alle erop volgende beslissingen in de zaak, het recht van verdediging van de wrakende partij gewaarborgd is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 13 Het enkele feit dat er op een proces-verbaal van de rechtszitting geen melding is gemaakt van een wrakingsverzoek tegen een van de leden van een rechtscollege, impliceert niet dat de leden van dat rechtscollege geen kennis kunnen hebben van de inhoud van dat wrakingsverzoek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 14 De beslissing van het hof van assisen over de burgerlijke rechtsvordering is geen maatregel van tenuitvoerlegging van de arresten van dat hof met betrekking tot de schuldigverklaring en de veroordeling tot straf van de beschuldigde; het hof van assisen kan oordelen over de burgerlijke rechtsvordering tijdens de behandeling van de cassatieberoepen tegen die arresten maar de vernietiging van het arrest over de schuldigverklaring kan leiden tot de vernietiging van de daaruit voortvloeiende beslissing over de burgerlijke rechtsvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 359- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.0815.N I-II A N, beschuldigde, aangehouden, eiseres, met als raadslieden mr. Joke Feytons en mr. Jürgen Millen, advocaten bij de balie Limburg, III-IV-V-VI-VII-VIII-IX E T, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, alle cassatieberoepen tegen
- R I,
- G R,
- M P,
- A R,
- L R,
- D R,
- R R,
- T R,
- R R,
- G S,
- V F,
- M H R, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I, III en VII zijn gericht tegen de arrest nr. 23/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 5 mei 2022 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (hierna arrest III). De cassatieberoepen II, V en VIII zijn gericht tegen de arrest nr. 24/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 5 mei 2022, dat de eisers tot straf veroordeelt (hierna arrest IV). Het cassatieberoep IV is gericht tegen het arrest nr. 22/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 4 mei 2022, dat beslist over de verderzetting van het debat na wraking (hierna arrest II). Het cassatieberoep VI is gericht tegen het arrest nr. 9/2022 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg van 14 maart 2022 (hierna arrest I). Het cassatieberoep IX is gericht tegen het arrest nr. 31/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 29 juni 2022, dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen (hierna arrest V). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, respectievelijk drie en vier middelen aan. Op 28 november 2022 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 december 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. De raadslieden van de eisers hebben op 16 december 2022 elk een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ter griffie van het Hof neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen VII en VIII
- Overeenkomstig artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan tegen de arresten III en IV niet voor een tweede maal cassatieberoep worden ingesteld. De cassatieberoepen VII en VIII zijn niet ontvankelijk. Middel van de eiseres
- Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: het arrest III leidt het feit dat de eiseres mededader is van de doodslag op L.R. af uit de volgende reden: “Door het mes dat zij naar eigen zeggen bij zich droeg ook zelf te hanteren en er verwondingen mee toe te brengen heeft [de eiseres] rechtstreeks meegewerkt en een noodzakelijke hulp verleend bij het doden van [L.R.]. Door het toebrengen van deze letsels was de weerbaarheid van [L.R.] minstens zwaar aangetast. Het staat derhalve boven elke redelijke twijfel vast dat ook [de eiseres] op 5 juni 2017 handelde met de intentie tot doden (keuze van het wapen en de plaats van het lichaam dat geviseerd werd) en dat deze doodslag zonder haar specifieke tussenkomst en inbreng zich niet had voorgedaan”; op basis van die reden staat de specificiteit van de wilsovereenstemming tussen de eiseres en de eiser om hetzelfde voorgenomen misdrijf te plegen echter niet vast; het toebrengen van slagen en verwondingen die de weerbaarheid aantasten van het slachtoffer van deze slagen en verwondingen betekent niet dat de eiseres wetens en willens haar medewerking zou hebben verleend tot het bereiken van hetzelfde gemeenschappelijk strafbaar doel en van eenzelfde voorgenomen misdrijf, met name het doden van L.R.
- Strafbare deelneming in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan een misdaad of wanbedrijf verleent, weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf verleent en het opzet heeft om aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. Een andere wilsovereenstemming tussen de dader en de mededader van het misdrijf is niet vereist.
- De vraag of een doodslag al dan niet met voorbedachtheid is gepleegd in de zin van de artikelen 393 en 394 Strafwetboek, houdt geen verband met het al dan niet bestaan van de bedoelde wilsovereenstemming tussen de dader en de mededader van de doodslag.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de voor mededaderschap vereiste constitutieve bestanddelen verenigd zijn. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest III oordeelt zoals aangehaald in het middel, alsook dat: - “[De eiseres] tijdens de debatten voor dit hof [verklaarde] dat zij op 5 juni 2017 gevraagd werd door [de eiser] om snel naar beneden te komen en een mes mee te brengen. Zij bevestigde dat zij het mes waarmee de verwondingen aan [L.R.] werden toegebracht meenam. [De eiseres] verklaarde dat zij tijdens de schermutseling met het mes heeft uitgehaald naar [L.R.]. Dit gebeurde bovenhands met het mes in haar hand. Zij verklaarde [L.R.] minstens één keer te hebben geraakt waarbij het mes in het lichaam van [L.R.] ging, mogelijk twee keer. [De eiseres] gaf aan dat zij uithaalde richting hals en borstkas maar stelde zich niet te herinneren op welke plaats zij [L.R.] juist raakte.” - het op grond van de vastgestelde feiten de eiser is die de dodelijke verwonding aan L.R. heeft toegebracht. Aldus oordeelt het arrest dat de eiseres de gelijklopende wil met de eiser had om L.R. te doden en dat zij, door de handelingen waarmee zij uitvoering gaf aan haar wil, onmisbare hulp heeft verleend en heeft willen verlenen aan de eiser voor het fysiek volbrengen van de doodslag op L.R.
- Op grond van die redenen kan het arrest III wettig oordelen dat de eiseres de constitutieve bestanddelen van het mededaderschap in haar persoon verenigde. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de beide memories van de eiser Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM en artikel 278 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest I weigert ten onrechte bepaalde door de eiser voorgedragen getuigen op te nemen op de lijst van de getuigen bedoeld in artikel 278, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering (hierna de lijst van de getuigen); tegen dat arrest kan op grond van artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering ten onrechte geen cassatieberoep worden ingesteld. Het onderdeel vraagt in ondergeschikte orde daarover twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 119/2021 van 29 september 2022 geoordeeld: “Artikel 278, § 4, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1 en lid 3, d), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.”
- Hieruit volgt dat het cassatieberoep VI ontvankelijk is.
- De grieven van de eiser tegen de niet-ontvankelijkheid van dat cassatieberoep behoeven voor het overige geen antwoord meer. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest I weigert verschillende getuigen waaronder M.L. op te nemen op de lijst van de getuigen; de eiser had M.L. voorgedragen met als motivering: “Deze getuige heeft de gebeurtenissen op straat kunnen waarnemen vanaf haar appartement en maakte hiervan melding bij de politiediensten”; de voorzitter van het hof van assisen heeft zijn beslissing enkel gemotiveerd met de reden dat deze getuige kennelijk niet kan bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de eiser ten laste gelegde feit, zijn schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer; uit het arrest III blijkt dat het hof van assisen de schuldigverklaring van de eiser aan de hem ten laste gelegde doodslag steunt op verklaringen van ooggetuigen; bijgevolg kon de verklaring van M.L., die de eiser wenste op te roepen als rechtstreekse ooggetuige van de feiten, wel degelijk bijdragen tot de waarheidsvinding; het arrest I past de criteria voor het eventueel niet-horen van getuigen à charge of à décharge niet toe en vermeldt niet de concrete gegevens waarop het de beslissing steunt.
- Artikel 278, § 1, eerste lid, § 2, eerste, derde en vierde lid, en § 3, eerste lid, eerste zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Uiterlijk tien dagen voor de preliminaire zitting legt de procureur-generaal ter griffie de lijst neer van de getuigen die hij wenst te horen. Uiterlijk vijf dagen voor de preliminaire zitting leggen de overige partijen de lijst neer van de bijkomende getuigen die zij wensen te horen. (…). Bij die lijsten wordt een motivering van de keuze van de getuigen gevoegd. Nadat de voorzitter de opmerkingen van de procureur-generaal en de partijen heeft gehoord, stelt hij de lijst van getuigen vast en bepaalt hij de volgorde waarin ze zullen worden gehoord. (…). De voorzitter streeft ernaar om de duur van de terechtzitting zo kort mogelijk te houden. De voorzitter kan de verzoeken van de partijen afwijzen wanneer vaststaat dat de voorgedragen getuigen kennelijk niet kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit, diens schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer. De lijst van getuigen die tijdens de terechtzitting zullen worden gehoord, wordt opgenomen in het arrest van de preliminaire zitting.”
- Uit het arrest van de preliminaire rechtszitting moet blijken dat de voorzitter van het hof van assisen die weigert een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen, heeft onderzocht of de in deze bepalingen vermelde voorwaarden zijn vervuld. Daaruit volgt voor de voorzitter geen verdergaande motiveringsverplichting.
- Artikel 149 Grondwet verplicht de voorzitter van het hof van assisen evenmin om aan de hand van concrete gegevens te motiveren waarom hij weigert op de hier bedoelde lijst een getuige op te nemen die door een partij is voorgedragen overeenkomstig artikel 278, § 1, Wetboek van Strafvordering.
- De motiveringsplicht van de voorzitter van het hof van assisen in zijn arrest op grond van artikel 278 Wetboek van Strafvordering is bovendien niet los te zien van de omstandigheid dat de lijst van de getuigen op de preliminaire rechtszitting niet wordt vastgesteld door het hof van assisen maar door de voorzitter, die de lijst van de getuigen vaststelt en de volgorde waarin ze zullen worden gehoord na een summier debat, nadat hij de partijen en de procureur-generaal in hun opmerkingen heeft gehoord. Dit arrest houdt slechts een beslissing alvorens recht te doen in die geen definitief oordeel inhoudt over de getuigen die tijdens het debat voor het hof van assisen zullen worden gehoord. Afgezien van de mogelijkheid dat de voorzitter tijdens het debat voor het hof van assisen beslist een niet op de lijst opgenomen getuige bij toepassing van het artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering te doen oproepen als getuige, kunnen de partijen tijdens het debat voor het hof van assisen een conclusie indienen waarbij zij verzoeken dat niet op de lijst van de preliminaire rechtszitting opgenomen getuigen alsnog door het hof van assisen zullen worden gehoord. Het hof van assisen, samengesteld zoals bedoeld in artikel 216octies Wetboek van Strafvordering, dient hierop bij tussenarrest uitspraak te doen, zonder hierbij gebonden te zijn door het arrest van de preliminaire rechtszitting.
- Hieruit volgt dat de voorzitter in het arrest van de preliminaire rechtszitting zijn weigering om een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen voldoende motiveert door te verwijzen naar een weigeringsgrond bepaald in artikel 278, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zonder dat hij bij die motivering concrete omstandigheden van de zaak of criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropstelt voor het niet-horen van getuigen à charge of à décharge in het licht van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, moet betrekken. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat een partij motiveert waarom zij wil dat het hof van assisen een bepaalde getuige hoort. Die motivering kan immers door de voorzitter of het hof van assisen worden beantwoord indien het al dan niet horen van die getuige tijdens het debat voor het hof van assisen terug aan bod zou komen ingevolge de toepassing van artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de voorzitter moest antwoorden op de motivering in eisers voordracht dat M.L. een ooggetuige van de feiten was, is het afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting en is het bijgevolg niet ontvankelijk. De door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot van de eiser
- De eiser vraagt in ondergeschikte orde dat het Hof de volgende prejudiciële vragen zou stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 278 § 2, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d EVRM, doordat in de redenering dat de beoordeling van het verzoek tot het horen van getuigen bij toepassing van artikel 278 van het Wetboek van Strafvordering niet dient te worden getoetst aan de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM, terwijl deze toetsing wel voorzien zou zijn in de procedure ten gronde waarbij bij toepassing van artikel 281 of 306 van het Wetboek van Strafvordering eenzelfde verzoek wordt gericht, doch in dit geval zulk verzoek aan een bijkomende ontvankelijkheidsvereiste dient te voldoen die dan weer niet voorzien is bij het verzoek overeenkomstig artikel 278 van het Wetboek van Strafvordering?” “Schendt artikel 278 § 2, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d EVRM, doordat in de redenering dat de beoordeling van het verzoek tot het horen van getuigen bij toepassing van artikel 278 van het Wetboek van Strafvordering niet dient te worden getoetst aan de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM, terwijl partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken wel een beoordeling vermogen te verkrijgen dewelke geënt is op de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM?”
- De eiser mag een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot niet verzoeken een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen wanneer hij, zoals hier, dit verzoek ook binnen de wettelijk bepaalde termijn in een memorie had kunnen formuleren. De prejudiciële vragen worden niet gesteld. Tweede middel van de beide memories van de eiser
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest II geen concrete gegevens vermeldt tot staving van het oordeel dat eisers tweede verzoek tot wraking van de voorzitter van het hof van assisen rechtsmisbruik inhield, zodat de procedure voor het hof van assisen niet moest worden geschorst naar aanleiding van dat tweede verzoek; de vaststelling dat in het tweede verzoek tot wraking de facto dezelfde grieven werden aangevoerd als in het eerste verzoek tot wraking, waarover bovendien op het moment van de neerlegging van het tweede verzoek nog niet was geoordeeld, volstaat daartoe niet; alleszins kan het rechtscollege waarvan de gewraakte rechter deel uitmaakt niet zelf het wrakingsverzoek beoordelen en minder nog kan de gewraakte rechter deelnemen aan die beoordeling.
- Op grond van artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek worden alle vonnissen en verrichtingen geschorst te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving aan de rechter van een verzoek tot wraking dat uitgaat van een partij of van het openbaar ministerie.
- Dat gevolg is niet verbonden aan een verzoek dat slechts de schijn heeft van een werkelijke wraking en waarvan de enige bedoeling kennelijk erin bestaat de rechtsgang te belemmeren.
- Gelet op het uitzonderlijke en dringende karakter van die situatie kan een rechtscollege, zetelend met de rechter die in het wrakingsverzoek is geviseerd, zelf oordelen of er op grond van de concrete gegevens die het vaststelt sprake is van een dergelijk rechtsmisbruik. Dat kan het geval zijn wanneer het rechtscollege vaststelt dat tegen een van zijn leden een tweede wrakingsverzoek wordt neergelegd met nagenoeg dezelfde grieven als deze vermeld in een eerste wrakingsverzoek, ongeacht of de wrakingsrechter reeds uitspraak heeft gedaan over dat eerste wrakingsverzoek. Het rechtscollege kan ook rekening houden met de uitspraak van de wrakingsrechter over het eerste wrakingsverzoek, indien het daarvan kennis heeft op het moment van zijn beslissing in verband met het tweede wrakingsverzoek.
- Het Hof gaat na of de beslissing van het hof van assisen op grond van de in zijn arrest vermelde vaststellingen kan worden verantwoord. Door die controle en het risico op vernietiging door het Hof van de desbetreffende beslissing en alle erop volgende beslissingen in de zaak, is het recht van verdediging van de wrakende partij gewaarborgd.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest II stelt vast dat de eiser, na op 28 april 2022 een eerste verzoek tot wraking van de voorzitter van het hof van assisen te hebben neergelegd dat is verworpen bij arrest van dit Hof van 3 mei 2022, tijdens de ochtend van 3 mei 2022 en dus nog vóór de uitspraak van het vermelde arrest van het Hof, opnieuw een verzoek tot wraking van de voorzitter heeft neergelegd wegens de gewettigde verdenking die zou voortvloeien uit bepaalde bewoordingen in de verklaring die de voorzitter heeft afgelegd naar aanleiding van het eerste wrakingsverzoek.
- Het arrest II oordeelt verder als volgt: - de wrakingsakte neergelegd op 3 mei 2022 bevat een nagenoeg integrale herneming van de argumentatie uit het eerdere door het Hof verworpen verzoekschrift van 28 april 2022, met als nieuwe gebeurtenis een bepaalde interpretatie van de verklaring van de voorzitter in het kader van het eerste wrakingsverzoek; - die verklaring van de voorzitter in het kader van artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de hierin vertolkte standpunten hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van het debat voor het Hof in de procedure die leidde tot het arrest van 3 mei 2022 en zijn dan ook integraal mee in overweging genomen bij de beoordeling van dat wrakingsverzoek; - het huidige verzoek tot wraking is derhalve de facto gesteund op grieven die reeds werden verworpen door het Hof in zijn arrest van 3 mei 2022 en voert dan ook enkel grieven aan die reeds door het Hof zijn beoordeeld; - het nieuwe verzoekschrift heeft, in geval van schorsing, een niet te verantwoorden verlamming van de rechtsgang tot gevolg, waarbij de rechten van alle partijen in het gedrang zijn. Dergelijk verzoek conflicteert bovendien met het redelijketermijnvereiste zoals vervat in artikel 6 EVRM. Een dergelijk verzoekschrift, dat een misbruik van de rechtspleging inhoudt, noopt niet tot het verrichten van de door de artikelen 836 tot 838 Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven vormvereisten. Dit nieuwe verzoek kan dan ook geen schorsende werking hebben ten aanzien van de huidige procedure; - eisers bij conclusie aangevoerde argumentatie doet daaraan geen afbreuk; - in deze omstandigheden zijn er thans geen redenen voorhanden om de verdere rechtspleging te schorsen. Deze verderzetting miskent, gelet op het voorgaande, het recht van verdediging van de eiser niet.
- Op grond van die redenen kan het arrest II wettig oordelen dat de eiser rechtsmisbruik heeft gepleegd, zodat de rechtspleging van het hof van assisen niet diende te worden geschorst wegens zijn tweede wrakingsverzoek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest II oordeelt dat het nieuwe wrakingsverzoek van de eiser steunt op grieven die reeds werden verworpen door het Hof in zijn arrest van 3 mei 2022; er was echter geen wrakingsakte neergelegd voor het hof van assisen en dat blijkt ook niet uit het proces-verbaal van de rechtszitting; bijgevolg kon het hof van assisen of konden minstens niet alle leden van dat hof kennis hebben gehad van de grieven vermeld in eisers nieuwe wrakingsverzoek; aldus is de vermelde beslissing van het hof van assisen niet rechtsgeldig genomen en kan het Hof zijn wettigheidstoezicht niet uitoefenen.
- Het enkele feit dat er op een proces-verbaal van de rechtszitting geen melding is gemaakt van een wrakingsverzoek tegen een van de leden van een rechtscollege, impliceert niet dat de leden van dat rechtscollege geen kennis kunnen hebben van de inhoud van dat wrakingsverzoek. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde middel van de beide memories van de eiser
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 392 en 393 Strafwetboek en artikel 334 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd doordat het, enerzijds, verwijst naar de ooggetuigen die enkel hebben verklaard dat de eiser een beweging naar de hals van L.R. heeft gemaakt en, anderzijds, te oordelen dat uit deze verklaringen blijkt dat de eiser L.R. een messteek in de borst heeft toegebracht die volgens de wetsdokter het overlijden van L.R. heeft veroorzaakt; verder stelt het arrest vast dat de eiseres met een mes heeft uitgehaald in de richting van de hals en de borststreek van L.R.
- Het arrest leidt de schuld van de eiser aan de doodslag op L.R. af uit meerdere elementen, namelijk: - volgens de wetsdokter heeft het dodelijke steekletsel dat gepaard ging met het aansnijden van de grote lichaamsslagader geleid tot het spoedig in elkaar zakken van L.R., vermoedelijk binnen de tien à twintig seconden; - de ooggetuigen hebben vanop korte afstand gezien dat de eiser verschillende stotende boksbewegingen maakte richting de hals van L.R., waarna L.R. plots in elkaar zakte en vrijwel onmiddellijk stuiptrekkingen vertoonde; - de vermelde boksbewegingen passen ook in het kader van steekbewegingen, hoewel de ooggetuigen geen mes hebben opgemerkt; - op het moment van de aanval van de eiser stond de eiseres niet meer bij L.R. en was de eiseres niet meer actief betrokken bij het gevecht met L.R.; - gelet op het korte tijdsverloop dat er volgens de wetsdokter is tussen het toebrengen van de dodelijke verwonding en het in elkaar zakken van L.R., staat vast dat het de eiser was die deze messteek toebracht.
- Het onderdeel dat formeel een tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest III aanvoert op de enkele grond dat het arrest III niet vaststelt dat de ooggetuigen de eiser hebben zien slaan of steken in de richting van de borstkas van L.R., maar wel dat de eiseres onder meer heeft uitgehaald richting de hals van L.R., komt in werkelijkheid op tegen het onaantastbare oordeel van het hof van assisen over de feiten, zoals gesteund op de voormelde redenen. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest III op grond van de feiten die het vaststelt, niet wettig de schuld van de eiser aan de doodslag van L.R. kan afleiden.
- Volgens artikel 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering formuleert het college bestaande uit de beroepsrechter en de juryleden de voornaamste redenen van de beslissing van de jury, zonder dat moet worden geantwoord op alle neergelegde conclusies. Daaruit volgt dat het college niet tot in het detail de constitutieve bestanddelen van het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit moet bespreken of de gegevens moet opsommen waaruit het zijn schuld afleidt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel kan het hof van assisen wel degelijk wettig en zonder miskenning van het vermoeden van onschuld afleiden dat de eiser schuldig is aan de doodslag op L.R. Aldus is de beslissing ook regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel van de tweede memorie van de eiser
- Het middel voert schending aan van artikel 359 Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: het hof van assisen kon niet overgaan tot de afhandeling van de burgerlijke belangen aangezien de eiser cassatieberoep had ingesteld tegen de arresten III en IV en het hof van assisen voor de beoordeling van de burgerlijke rechtsvorderingen steunt op de in deze arresten vastgestelde fout van de eiser; deze arresten zijn in afwachting van de uitspraak over eisers cassatieberoepen niet uitvoerbaar; aldus miskent het hof van assisen de schorsende werking van eisers cassatieberoepen.
- Artikel 359, vierde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De tenuitvoerlegging van het arrest van het hof is geschorst gedurende die vijftien dagen en, indien er een voorziening in cassatie is ingesteld, tot de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie.”
- De beslissing van het hof van assisen over de burgerlijke rechtsvordering is geen maatregel van tenuitvoerlegging van de arresten van dat hof met betrekking tot de schuldigverklaring en de veroordeling tot straf van de beschuldigde. Bijgevolg kan het hof van assisen oordelen over de burgerlijke rechtsvordering tijdens de behandeling van de cassatieberoepen tegen die arresten. Wel kan de vernietiging van het arrest over de schuldigverklaring leiden tot de vernietiging van de daaruit voortvloeiende beslissing over de burgerlijke rechtsvordering. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 550,59 euro, waarvan de eiseres I-II 106,94 euro is verschuldigd en de eiser III-IX 433,65 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.24 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240911.2F.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAC.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div