← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.25 Rolnummer: P.22.1136.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2022-12-29 Raadplegingen: 870 - laatst gezien 2026-06-18 18:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.25 Fiches 1 - 2 Krachtens de artikelen 442bis, eerste lid en 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering kan de veroordeelde wanneer bij een definitief arrest van het EHRM is vastgesteld dat het EVRM of de aanvullende protocollen zijn geschonden, de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot de veroordeling van de verzoeker in de zaak voor het EHRM, enkel wat de strafvordering betreft

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Krachtens artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, beveelt het Hof van Cassatie, wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt dat de vastgestelde schending het gevolg is van een procedurefout of -tekortkoming die dermate ernstig is dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een heropening kunnen worden hersteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442quinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442quinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 De situatie van een verzoeker tot heropening van de rechtspleging, ten aanzien van wie na het definitief worden van de strafprocedure ingevolge een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van het EVRM wordt vastgesteld, valt niet te vergelijken met de situatie van een partij in een lopende strafprocedure ten aanzien van wie een schending van het EVRM wordt vastgesteld, hetzij bij de beoordeling ten gronde, hetzij bij de beoordeling van een cassatieberoep. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF PREJUDICIEEL GESCHIL HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Fiches 8 - 10 Uit de loutere omstandigheid dat een opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd bevolen kan niet worden afgeleid dat een verzoeker tot heropening van de rechtspleging zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden zoals bedoeld in artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering; het komt de verzoeker toe aan te tonen dat hij door de bewezenverklaring van de telastlegging die aan de basis ligt van de opschorting of door de aan de opschorting gekoppelde proefperiode, zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts kunnen worden hersteld door een heropening van de rechtspleging die tot de opschorting heeft geleid en de loutere aanvoering dat de bewezenverklaring van een misdrijf steeds ernstige nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene, volstaat daartoe niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Tekst van de beslissing Nr. P.22.1136.N C M-T J E S, verzoekster tot heropening van de rechtspleging, met als raadslieden mr. Patrick Hofströssler en mr. Tom Bauwens, advocaten bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de verzoekster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 19 augustus 2022, vraagt de verzoekster op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 13 maart 2012 in de zaak P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.
  1. Op 28 november 2022 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 december 2022 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. De raadsman van de verzoekster heeft op 16 december 2022 ter griffie van het Hof een antwoordnoot neergelegd. II. RELEVANTE GEGEVENS
  2. In het kader van de financiële crisis van 2008 werd door de aandeelhouders van de Fortis-bank een procedure opgestart voor de voorzitter van de toenmalige rechtbank van koophandel te Brussel. De verzoekster maakte als magistraat deel uit van de zetel van de achttiende kamer van het hof van beroep te Brussel die hierover in hoger beroep diende te oordelen en in dit verband op 12 december 2008 een arrest wees.
  3. De verzoekster werd ervan verdacht tijdens het beraad dat heeft geleid tot het voormelde arrest, haar beroepsgeheim te hebben geschonden. Tijdens het naar aanleiding hiervan gevoerde strafonderzoek werd zij meermaals verhoord zonder de bijstand van een raadsman, onder meer door de raadsheer-onderzoeksrechter op 23 maart
  4. Op 16 juni 2009 legde de verzoekster bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) een verzoekschrift (nr. 33075/09) neer waarin schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werd aangevoerd omdat de verzoekster zonder de bijstand van een raadsman werd ondervraagd.
  5. Na afloop van het onderzoek werd de verzoekster bij toepassing van de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering vervolgd voor het hof van beroep te Gent op verdenking van schending van haar beroepsgeheim tijdens het voormelde beraad, namelijk door het overmaken van een e-mailbericht, haar toegestuurd door de kamervoorzitter van de achttiende kamer, aan de genaamde N.D. op 7 december 2008 (hierna de telastlegging 1), door het overmaken van een ontwerp-arrest aan N.D. op 9 december 2008 (hierna de telastlegging 2) en door diverse werkstukken van het beraad te hebben overgemaakt aan haar echtgenoot in de periode van 24 november 2008 tot 12 december 2008 (hierna de telastlegging 3).
  6. Bij arrest van 14 september 2011 oordeelde het hof van beroep te Gent dat de verzoekster diende te worden ontslagen van rechtsvervolging met betrekking tot de telastleggingen 1 en
  7. Het hof van beroep verklaarde de telastlegging 2 wél bewezen en gelastte hiervoor ten aanzien van de verzoekster de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van twee jaar.
  8. De verzoekster stelde tegen dit arrest van 14 september 2011 cassatieberoep in en voerde daarbij in een tweede middel schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Volgens de verzoekster had het hof van beroep de beslissing over de schuld aan de telastlegging 2 gesteund op verklaringen die zij had afgelegd zonder dat zij bij de aanvang van die verhoren op haar zwijgrecht werd gewezen en zonder dat zij bij die verhoren de bijstand had van een raadsman.
  9. Bij arrest P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1 van 13 maart 2012 verwierp het Hof het cassatieberoep van de verzoekster. In antwoord op het voormelde middel oordeelde het Hof dat uit het bestreden arrest bleek dat er gedurende de verhoren op de verzoekster geen enkele druk werd uitgeoefend, dat zij niet van haar vrijheid was beroofd en dus een feitelijk recht op consultatie van een advocaat had.
  10. Bij arrest van 22 februari 2022 oordeelde het EHRM, derde afdeling, zetelend als comité, eenparig als volgt over het voormelde verzoekschrift nr. 33075/09: - de verzoekster werd verhoord zonder de fysieke aanwezigheid van een advocaat, onder meer op 23 maart 2009 (§ 4, § 5 en § 8); - van de verzoekster, die nooit van haar vrijheid werd beroofd, mag worden aangenomen dat zij, magistraat zijnde, het juridisch kader kende waarin de tegen haar ingestelde procedure zich afspeelde, zodat zij zich niet in een bijzonder kwetsbare situatie bevond (§ 15); - het hof van beroep heeft zich voor de bewezenverklaring van de telastlegging 2 uitdrukkelijk beroepen op de verklaringen die de verzoekster op 23 maart 2009 zonder de bijstand van een raadsman heeft afgelegd, met name wat het moreel element van het misdrijf betreft, zodat de betwiste verklaringen van de verzoekster een doorslaggevend belang hadden in de motivering van het arrest van het hof van beroep (§ 5, § 8 en § 16); - de controle van het Hof van Cassatie had geen betrekking op de gevolgen van de afwezigheid van de bijstand van een advocaat bij de verhoren voor het recht van verdediging van de verzoekster (§ 9 en § 17); - de strafprocedure tegen de verzoekster is in zijn geheel beschouwd niet eerlijk verlopen; er is sprake van een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM (§ 18 en § 19); - aangezien geen oorzakelijk verband bewezen is tussen de vastgestelde schending en de materiële schade waarvan de verzoekster de vergoeding vraagt, dient de vordering wegens materiële schadevergoeding te worden verworpen (§ 22); - aan de verzoekster wordt een morele schadevergoeding van 3.000,00 euro toegekend voor de morele schade die zij heeft geleden (§ 23). III. BESLISSING VAN HET HOF
  11. Artikel 442bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wanneer bij een definitief arrest van het EHRM is vastgesteld dat het EVRM of de aanvullende protocollen zijn geschonden, de heropening kan worden gevraagd, enkel wat de strafvordering betreft, van de rechtspleging die heeft geleid tot de veroordeling van de verzoeker in de zaak voor het EHRM. De opschorting van de uitspraak van de veroordeling, waarbij de telastlegging, voorwerp van de strafvordering, bewezen wordt verklaard, moet worden gelijkgesteld met een veroordeling in de zin van die bepaling.
  12. Volgens artikel 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening van de rechtspleging te vragen aan de veroordeelde.
  13. Het verzoekschrift werd ondertekend door advocaten die meer dan tien jaar bij de balie zijn ingeschreven en voldoet aan de in artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde vorm- en tijdsvoorwaarden.
  14. Uit het aangehaalde arrest van het EHRM van 22 februari 2022 volgt dat, ingevolge de door de verzoekster afgelegde verklaringen zonder de bijstand van een raadsman, de tegen haar gevoerde strafprocedure in zijn geheel beschouwd niet eerlijk is verlopen en artikel 6.1 en 6.3.c EVRM schendt.
  15. Artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wanneer uit het onderzoek van de aanvraag tot heropening blijkt, hetzij dat de bestreden beslissing ten gronde strijdig is met het EVRM, hetzij dat de vastgestelde schending het gevolg is van procedurefouten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, het Hof de heropening van de rechtspleging beveelt voor zover de veroordeelde partij of de rechthebbenden voorzien in artikel 442ter, 2°, zeer ernstige nadelige gevolgen blijven ondervinden die slechts door een heropening kunnen worden hersteld.
  16. De verzoekster stelt in haar antwoordnoot dat aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen moeten worden gesteld met betrekking tot artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, met name met betrekking tot het in die bepaling gestelde vereiste dat bij een vastgestelde schending van het EVRM de heropening slechts kan worden bevolen voor zover de betrokkene zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. Volgens de verzoekster is dit, mede gelet op artikel 6 EVRM, discriminatoir, aangezien deze vereiste niet wordt gesteld wanneer een rechter ten gronde bij de beoordeling van de strafvordering een schending van het EVRM vaststelt (eerste prejudiciële vraag), noch wanneer het Hof bij de beoordeling van een cassatieberoep een dergelijke schending vaststelt (tweede prejudiciële vraag).
  17. De situatie van een verzoeker tot heropening van de rechtspleging, ten aanzien van wie na het definitief worden van de strafprocedure ingevolge een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van het EVRM wordt vastgesteld, valt niet te vergelijken met de situatie van een partij in een lopende strafprocedure ten aanzien van wie een schending van het EVRM wordt vastgesteld, hetzij bij de beoordeling ten gronde, hetzij bij de beoordeling van een cassatieberoep. Het in de voorgestelde prejudiciële vragen aangevoerde verschil in behandeling heeft betrekking op niet-vergelijkbare rechtstoestanden, zodat de prejudiciële vragen niet worden gesteld.
  18. De verzoekster stelt dat zij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden van het arrest van 14 september 2011 die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. Hierbij beroept de verzoekster zich op de volgende omstandigheden: - een strafrechtelijke schuldigverklaring houdt altijd een ernstig nadelig gevolg in voor de betrokkene, zowel op persoonlijk, professioneel als sociaal vlak, te meer omdat de verzoekster een magistraat is en werd voorgesteld als een corrupte magistraat die de scheiding der machten heeft miskend; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat ten aanzien van de verzoekster de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd bevolen, aangezien ook een opschorting blijvende gevolgen genereert, wat overigens ook maakt dat een opschorting in aanmerking komt voor een herstel in eer en rechten teneinde de gevolgen ervan te doen ophouden voor de toekomst; - de veroordeling is desastreus voor de verzoekster, die in de periode van 2008 tot 2011 onophoudelijk werd voorgesteld als een onbetrouwbare magistrate, waarbij zij werd geschorst en disciplinair werd vervolgd, waardoor zij door de rechtszoekenden werd gewantrouwd en de voortzetting van haar rechtsprekende functie onmogelijk werd; over de schuldigverklaring van de verzoekster werd in de nationale pers bericht, waardoor van haar onberispelijke juridische reputatie niets meer overbleef en zij werd geweerd uit redacties van meerdere juridische tijdschriften waarvan zij voorheen lid was; de verzoekster lijdt tot op vandaag bijzonder onder het verlies van haar ambt, haar carrière en haar reputatie; - de heropening van de rechtspleging is de belangrijkste en de meest passende wijze om het arrest van het EHRM van 22 februari 2022 uit te voeren en de vastgestelde schending van artikel 6 EVRM voor de verzoekster te herstellen.
  19. Uit de loutere omstandigheid dat een opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd bevolen kan niet worden afgeleid dat een verzoeker tot heropening van de rechtspleging zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden zoals bedoeld in artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Het komt de verzoeker in dat geval toe aan te tonen dat hij door de bewezenverklaring van de telastlegging die aan de basis ligt van de opschorting of door de aan de opschorting gekoppelde proefperiode, zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts kunnen worden hersteld door een heropening van de rechtspleging die tot de opschorting heeft geleid. De loutere aanvoering dat de bewezenverklaring van een misdrijf steeds ernstige nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene, volstaat daartoe niet.
  20. Het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 september 2011 verklaart de telastlegging 2 wegens schending van het beroepsgeheim bewezen ten aanzien van de verzoekster. Het oordeelt verder dat: - het niet bewezen is dat de verzoekster met kwade bedoelingen heeft gehandeld; - een veroordeling, zelfs tot een lichte straf, de sociale declassering van de verzoekster zou kunnen veroorzaken, wat niet in verhouding zou staan met de ernst van de concrete feiten; - er wordt ingegaan op het in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek om de uitspraak van de veroordeling op te schorten voor een termijn van twee jaar.
  21. Het arrest van 14 september 2011 waarbij de telastlegging wegens schending van het beroepsgeheim bewezen werd verklaard en de gewone opschorting werd gelast voor een proefperiode van twee jaar, werd definitief na de verwerping van verzoeksters cassatieberoep door het Hof bij arrest van 13 maart 2012 (P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1). Er blijkt niet dat tijdens die proefperiode door de verzoekster een nieuw misdrijf werd gepleegd waardoor de opschorting bij toepassing van artikel 13 Probatiewet zou zijn herroepen of nog zou kunnen worden herroepen.
  22. De verzoekster toont niet aan dat zij op heden nog steeds zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden ingevolge de bewezenverklaring van de telastlegging wegens schending van het beroepsgeheim door het arrest van 14 september 2011 en de opschorting die in dit verband werd gelast voor een proefperiode van twee jaar, welke opschorting niet werd herroepen en thans ook niet meer kan worden herroepen. Meer in het bijzonder bewijst de verzoekster niet dat zij thans nog steeds de gevolgen draagt van de volgens haar geleden reputatieschade, de morele schade en de professionele schade waarvan zij melding maakt in haar verzoekschrift, noch dat deze schade, in zoverre bewezen, werd veroorzaakt door de bewezenverklaring van de telastlegging en de in dit verband gelaste opschorting. Dit blijkt evenmin uit de bij de antwoordnoot gevoegde stukken.
  23. Er blijkt aldus niet dat de verzoekster zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden van de bestreden rechtspleging, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. Bijgevolg is er niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.
  24. Gelet op de verwerping van het verzoek, zijn de in artikel 442septies, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalde voorwaarden voor de door de verzoekster gevraagde bekendmaking van het arrest niet verenigd. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot heropening van de rechtspleging ongegrond. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Antoine Lievens, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Antoine Lievens, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.25 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.25 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.