id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 6 Uit de loutere omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing geen melding maakt van alle feitelijke gegevens van het dossier en de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van redenen die reeds werden aangehaald in eerdere beslissingen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn beslissing niet heeft gebaseerd op grond van een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en geen rekening heeft gehouden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, voor zover hij daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis en de noodzakelijke individualisering
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 7 - 9 Het oordeel over de noodzaak van het laten voortbestaan van de voorlopige hechtenis vereist een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak, aangezien de vrijheidsberoving een uitzonderlijke maatregel is en rechtvaardigende redenen door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 10 - 12 De loutere omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling die op onderscheiden tijdstippen dient te oordelen over de voorlopige hechtenis van eenzelfde inverdenkinggestelde de motivering van eerdere beslissingen overneemt en, in vergelijking met de vorige beslissing tot handhaving, in de nieuwe handhavingstitel geen melding maakt van nieuwe elementen of gegevens, betekent niet noodzakelijk dat de handhaving blijk zou geven van een automatisme en dat er geen rekening werd gehouden met de vereiste individualisering en met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 13 - 15 Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen of de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde volstrekt noodzakelijk is voor de openbare orde, kan zich hiervoor baseren op redenen die dezelfde zijn als deze waarmee de voorlopige hechtenis van een andere inverdenkinggestelde werd verantwoord, althans in zoverre die redenen geen stereotiepe motivering inhouden die afbreuk doen aan de noodzakelijke individualisering en het evolutief en uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 16 - 18 Het onderzoeksgerecht dat naar aanleiding van de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis nagaat of er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, kan hierbij rekening houden met de omstandigheid dat de inverdenkinggestelde duurzame banden heeft met een ander land dan België; het loutere gegeven dat het onttrekkingsgevaar reeds in een vorige fase van de voorlopige hechtenis hierop werd gebaseerd, belet het onderzoeksgerecht niet om bij een navolgende beoordeling van de voorlopige hechtenis te oordelen dat die omstandigheid nog steeds actueel is en hieruit af te leiden dat er nog steeds onttrekkingsgevaar is; uit dit oordeel kan als zodanig ook niet worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht geen rekening zou hebben gehouden met het tijdsverloop van de voorlopige hechtenis
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 19 - 20 Indien het op grond van 16, § 1, vierde lid, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet voor de handhaving van de voorlopige hechtenis is vereist dat er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, is het niet vereist dat cumulatief aan alle voorwaarden van die bepaling is voldaan
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 4, vierde lid, eerste zin, 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 4, vierde lid, eerste zin, 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 21 - 24 De rechter oordeelt onaantastbaar over het bedrag van de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom, rekening houdend met de in dat artikel bedoelde criteria, zoals het ernstig vermoeden dat gelden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst; wanneer de rechter oordeelt dat het bedrag van de door een inverdenkinggestelde aangeboden borgsom niet volstaat om het onttrekkingsgevaar te neutraliseren, is hij niet ertoe verplicht in zijn beslissing te vermelden welke borgsom hiertoe wel kan volstaan
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: BORGTOCHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1605.N T. B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, § 1, 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis in de gevangenis doet niet blijken van een geactualiseerd onderzoek naar de alternatieven voor de voorlopige hechtenis en is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; gelet op het uitzonderlijke karakter van de voorlopige hechtenis dient het onderzoeksgerecht op grond van een geactualiseerd onderzoek van alle feitelijke gegevens en rekening houdend met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, na te gaan of een handhaving van de voorlopige hechtenis in de gevangenis nog noodzakelijk is, waarbij het op grond daarvan ook dient na te gaan waarom alternatieven voor de voorlopige hechtenis in de gevangenis, zoals een hechtenis onder elektronisch toezicht of een invrijheidstelling onder voorwaarden, niet mogelijk zijn; de appelrechters wijzen de alternatieven voor de voorlopige hechtenis in de gevangenis evenwel af, zonder dat blijkt dat rekening werd gehouden met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis en de tijd gedurende welke de eiser zich reeds in voorlopige hechtenis bevindt.
- De duur van de voorlopige hechtenis heeft een invloed op de motiveringsverplichting van de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, aangezien gronden die aanvankelijk afdoende leken, door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen. De rechter dient dan ook op grond van een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak na te gaan of er geen alternatieven mogelijk zijn voor de voorlopige hechtenis in de gevangenis, waarbij hij in zijn handhavingsbeslissing geen blijk mag geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis.
- Uit de loutere omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing geen melding maakt van alle feitelijke gegevens van het dossier en de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van redenen die reeds werden aangehaald in eerdere beslissingen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn beslissing niet heeft gebaseerd op grond van een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en geen rekening heeft gehouden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, voor zover hij daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis en de noodzakelijke individualisering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 3) oordeelt dat “spijts de langere duur van de voorlopige hechtenis” van de eiser, deze “thans niet kan worden ondervangen” door detentievervangende voorwaarden, een borgsom of een hechtenis onder elektronisch toezicht. Het oordeelt verder dat na een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak een handhaving van de voorlopige hechtenis in de gevangenis op de datum van de bestreden beslissing nog steeds vereist is voor de openbare veiligheid, waarbij onder meer ook wordt gewezen op het actuele onttrekkingsgevaar, dat blijkt uit de duurzame banden die de eiser heeft met Spanje, alwaar zich het centrum van zijn economische en persoonlijke belangen situeert. Het oordeelt tevens dat die gevaren niet kunnen worden ondervangen door de eiser onder voorwaarden in vrijheid te stellen, noch door de hechtenis te handhaven onder de modaliteit van het elektronisch toezicht op de plaats die werd aangewezen door de eiser.
- Uit die redenen blijkt dat het arrest de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en rekening houdend met het evolutieve karakter en de duurtijd van de voorlopige hechtenis. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, § 1, 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: door de voorlopige hechtenis van de eiser te handhaven zonder op grond van een geactualiseerd onderzoek na te gaan of dit volstrekt noodzakelijk is voor de openbare orde, omkleden de appelrechters hun beslissing niet regelmatig met redenen en is het arrest niet naar recht verantwoord; het arrest baseert zich op een standaardmotivering, die ook werd gebruikt in eerdere beslissingen alsook ten aanzien van andere inverdenkinggestelden; dit geeft blijk van een automatisme dat onverenigbaar is met het uitzonderlijke karakter van de voorlopige hechtenis en de noodzaak om deze op een individuele en concrete wijze te motiveren.
- Het oordeel over de noodzaak van het laten voortbestaan van de voorlopige hechtenis vereist een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak, aangezien de vrijheidsberoving een uitzonderlijke maatregel is en rechtvaardigende redenen door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen.
- De loutere omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling die op onderscheiden tijdstippen dient te oordelen over de voorlopige hechtenis van eenzelfde inverdenkinggestelde de motivering van eerdere beslissingen overneemt en, in vergelijking met de vorige beslissing tot handhaving, in de nieuwe handhavingstitel geen melding maakt van nieuwe elementen of gegevens, betekent niet noodzakelijk dat de handhaving blijk zou geven van een automatisme en dat er geen rekening werd gehouden met de vereiste individualisering en met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis.
- Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen of de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde volstrekt noodzakelijk is voor de openbare orde, kan zich hiervoor baseren op redenen die dezelfde zijn als deze waarmee de voorlopige hechtenis van een andere inverdenkinggestelde werd verantwoord, althans in zoverre die redenen geen stereotiepe motivering inhouden die afbreuk doen aan de noodzakelijke individualisering en het evolutief en uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 2, nr. 3.4 en p. 3, nr. 3.6) oordeelt dat: - de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de eiser, die in het bevel tot aanhouding en de beroepen beschikking vermeld zijn, omstandigheden uitmaken die thans nog bestaan en die dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser volstrekt noodzakelijk is; - na een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de bestanddelen van deze zaak wordt besloten dat de voorlopige hechtenis van de eiser op de datum van de bestreden beslissing nog verder vereist is voor de openbare veiligheid. Uit die redenen blijkt dat het arrest de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare orde van de voorlopige hechtenis van de eiser heeft beoordeeld op grond van een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en rekening houdend met het evolutieve karakter en de duurtijd van de voorlopige hechtenis. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, § 1, 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: door te oordelen dat er nog steeds onttrekkingsgevaar is zonder hierbij rekening te houden met het tijdsverloop en zonder hierbij alle actuele feitelijke gegevens te betrekken, verantwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser niet naar recht; het arrest maakt geen gewag van de Belgische nationaliteit van de eiser, noch van zijn netwerk van vrienden en familie in België; het arrest motiveert ook slechts op een terloopse en zeer beperkte wijze het collusiegevaar.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest geen rekening houdt met de Belgische nationaliteit van de eiser, noch met zijn netwerk van vrienden en familie in België, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het onderzoeksgerecht dat naar aanleiding van de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis nagaat of er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, kan hierbij rekening houden met de omstandigheid dat de inverdenkinggestelde duurzame banden heeft met een ander land dan België. Het loutere gegeven dat het onttrekkingsgevaar reeds in een vorige fase van de voorlopige hechtenis hierop werd gebaseerd, belet het onderzoeksgerecht niet om bij een navolgende beoordeling van de voorlopige hechtenis te oordelen dat die omstandigheid nog steeds actueel is en hieruit af te leiden dat er nog steeds onttrekkingsgevaar is. Uit dit oordeel kan als zodanig ook niet worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht geen rekening zou hebben gehouden met het tijdsverloop van de voorlopige hechtenis. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat na een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak een handhaving van de voorlopige hechtenis in de gevangenis op heden nog steeds vereist is voor de openbare veiligheid, waarbij onder meer ook wordt gewezen op het actuele onttrekkingsgevaar, dat blijkt uit de duurzame banden die de eiser heeft met Spanje, waar zich het centrum van zijn economische en persoonlijke belangen situeert. Uit die redenen blijkt dat het arrest het bestaan van onttrekkingsgevaar beoordeelt op grond van een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en rekening houdend met het evolutieve karakter en de duurtijd van de voorlopige hechtenis. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest niet op een rechtsgeldige wijze het bestaan van collusiegevaar vaststelt, kan het omwille van het hierna gegeven antwoord op het derde en het vijfde onderdeel niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Derde en vijfde onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, § 1, 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: door geen rekening te houden met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis, is de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet naar recht verantwoord; het arrest stelt immers het bestaan vast van recidivegevaar zonder rekening te houden met het tijdsverloop van de voorlopige hechtenis (derde onderdeel); het arrest oordeelt verder dat er sprake is van collusiegevaar zonder te motiveren waaruit dit gevaar in de huidige fase, waarin alle onderzoekshandelingen reeds werden gesteld, zou kunnen bestaan (vijfde onderdeel).
- Artikel 16, § 1, vierde lid, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat, indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting niet te boven gaat, het bevel tot aanhouding slechts mag worden verleend als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden.
- Op grond van die bepaling kan de voorlopige hechtenis, behalve in de hier niet van toepassing zijnde hypothese van de tweede zin van het voormelde lid, slechts worden bevolen of gehandhaafd wanneer is voldaan aan minstens één van de in die bepaling gestelde voorwaarden. Het is evenwel niet vereist dat cumulatief aan alle voorwaarden van die bepaling is voldaan.
- De onderdelen bekritiseren louter de redenen van het arrest met betrekking tot het bestaan van recidivegevaar en collusiegevaar, maar komen niet op tegen de vaststelling van het bestaan van onttrekkingsgevaar, noch tegen het oordeel van de appelrechters dat de redelijke termijn niet is overschreden.
- De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet: door te oordelen dat de aangeboden borgsom van 30.000,00 euro het onttrekkingsgevaar niet kan neutraliseren zonder te vermelden welke borgsom dit gevaar wél kan neutraliseren, verantwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling de handhaving van de voorlopige hechtenis niet naar recht; het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis dient de alternatieven voor de voorlopige hechtenis, waaronder het betalen van een borgsom, na te gaan; het onderzoeksgerecht kan niet ermee volstaan het bedrag van een voorgestelde borgsom af te wijzen, zonder ook een alternatief bedrag voor te stellen; de voorgestelde borgsom wordt afgewezen op basis van het onttrekkingsgevaar zonder rekening te houden met alle feitelijke elementen, waaronder de tijdsperiode van de hechtenis, die thans al zesentwintig maanden duurt.
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest het bestaan van onttrekkingsgevaar vaststelt zonder rekening te houden met het tijdsverloop en zonder hierbij alle actuele feitelijke gegevens te betrekken, moet het om de in het antwoord op het vierde onderdeel van het eerste middel worden verworpen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over het bedrag van de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom, rekening houdend met de in dat artikel bedoelde criteria. Wanneer de rechter oordeelt dat het bedrag van de door een inverdenkinggestelde aangeboden borgsom niet volstaat om het onttrekkingsgevaar te neutraliseren, is hij niet ertoe verplicht in zijn beslissing te vermelden welke borgsom hiertoe wel kan volstaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt over de borgsom dat: - de aangeboden borgsom van 30.000,00 euro het onttrekkingsgevaar niet kan neutraliseren; - in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie terecht wordt aangehaald dat het aannemelijk voorkomt dat de eiser door de ten laste gelegde feiten over zeer aanzienlijke bedragen zou kunnen beschikken, zodat een invrijheidstelling tegen de aangeboden borgsom niet kan worden toegestaan; - het omwille van de beweerde financiële mogelijkheden van de eiser aannemelijk blijft dat hij zich zou kunnen onttrekken aan het gerecht. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de invrijheidstelling van de eiser tegen de aangeboden borgsom niet kan worden toegestaan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.32 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230614.2F.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251105.2F.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div