← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.34 Rolnummer: P.22.1659.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-29 Raadplegingen: 827 - laatst gezien 2026-06-15 21:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit de artikelen 16, §1, tweede lid, 21, §4, en 30, §4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de hechtenis onder elektronisch toezicht een vrijheidsberovende maatregel inhoudt die moet worden beschouwd als een uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis

(1); die uitvoeringsmodaliteit, waarover ook de onderzoeksrechter bij toepassing van artikel 24bis, §1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet kan beslissen, moet worden onderscheiden van de door het onderzoeksgerecht verleende titel tot handhaving van de voorlopige hechtenis.
(1)Cass. 13 april 2022, AR P.22.0459.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2N.4, AC 2022, nr. 262; Cass. 13 oktober 2021, AR P.21.1250.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.20, AC 2021, nr. 640; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9de editie, 2021, I, p. 110; Ph. DAENINCK, “De impact van een beschikking van de onderzoeksrechter tot ET op een hangend hoger beroep inzake voorlopige hechtenis”, T. Strafr. 2021, 2-8 (p. 7). Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, tweede lid, 21, § 4, 24bis, § 1, en 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 2 - 3 De kamer van inbeschuldigingstelling die moet oordelen over het hoger beroep tegen een beschikking waarbij de handhaving van de hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht werd bevolen, dient bij toepassing van artikel 30, §4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet rekening te houden met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak; hiertoe behoort ook de uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis zoals die op het ogenblik van de uitspraak bestaat, ook wanneer die modaliteit bij toepassing van artikel 24bis, §1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet door de onderzoeksrechter werd gewijzigd in een uitvoering van de voorlopige hechtenis in de gevangenis; wanneer het onderzoeksgerecht in hoger beroep beslist tot handhaving van de hechtenis in de gevangenis van een inverdenkinggestelde wiens voorlopige hechtenis op het ogenblik van die beslissing wordt uitgevoerd in de gevangenis ingevolge een beslissing van de onderzoeksrechter op grond van artikel 24bis, §1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, verzwaart het de toestand van de inverdenkinggestelde niet
(1).
(1)Over het aspect van verzwaring van de toestand van de inverdenkinggestelde, aangehouden onder de modaliteit van elektronisch toezicht, zie Cass. 14 mei 2019, AR P.19.0486.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.3, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 4, 24bis, § 1, en 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 4, 24bis, § 1, en 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1659.N G D, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet: de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis in de gevangenis is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; in de beroepen beschikking van de raadkamer van 18 oktober 2022 werd de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser bevolen onder de modaliteit van het elektronisch toezicht; tegen die beschikking werd uitsluitend door de eiser hoger beroep aangetekend en niet door het openbaar ministerie, zodat door die laatste werd berust in die beschikking, ook al werd door de onderzoeksrechter bij beschikking van 8 november 2022 bij toepassing van artikel 24bis Voorlopige Hechteniswet beslist dat de voorlopige hechtenis vanaf dat ogenblik opnieuw diende te worden uitgevoerd door een hechtenis in de gevangenis; het arrest miskent ook de verplichting om rekening te houden met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak door geen rekening te houden met het door de eiser op de rechtszitting neergelegde stuk, waaruit bleek dat hij het elektronisch toezicht ook kon ondergaan bij de genaamde M.V.
  4. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten inzake voorlopige hechtenis. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - bij beschikking van 18 oktober 2022 oordeelde de raadkamer dat de voorlopige hechtenis van de eiser moest worden gehandhaafd, uit te voeren onder de modaliteit van het elektronisch toezicht; - de eiser tekende op 18 oktober 2022 als enige hoger beroep aan tegen de voormelde beschikking van 18 oktober 2022; - op de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 27 oktober 2022 werd de zaak op het uitdrukkelijke verzoek van eisers raadsman uitgesteld naar de rechtszitting van 10 november 2022; - bij beschikking van 8 november 2022 besliste de onderzoeksrechter bij toepassing van artikel 24bis, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet dat de voorlopige hechtenis vanaf dat moment diende te worden uitgevoerd door een hechtenis in de gevangenis; - op de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 10 november 2022 werd de zaak op het uitdrukkelijke verzoek van eisers raadsman uitgesteld naar de rechtszitting van 1 december 2022, waarop de zaak werd behandeld en in beraad werd genomen, waarna op 5 december 2022 het thans bestreden arrest tot handhaving van de voorlopige hechtenis in de gevangenis werd gewezen.
  6. Uit de artikelen 16, § 1, tweede lid, 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de hechtenis onder elektronisch toezicht een vrijheidsberovende maatregel inhoudt die moet worden beschouwd als een uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis. Die uitvoeringsmodaliteit, waarover ook de onderzoeksrechter bij toepassing van artikel 24bis, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet kan beslissen, moet worden onderscheiden van de door het onderzoeksgerecht verleende titel tot handhaving van de voorlopige hechtenis.
  7. De kamer van inbeschuldigingstelling die moet oordelen over het hoger beroep tegen een beschikking waarbij de handhaving van de hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht werd bevolen, dient bij toepassing van artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet rekening te houden met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak. Hiertoe behoort ook de uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis zoals die op het ogenblik van de uitspraak bestaat, ook wanneer die modaliteit bij toepassing van artikel 24bis, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet door de onderzoeksrechter werd gewijzigd in een uitvoering van de voorlopige hechtenis in de gevangenis.
  8. Wanneer het onderzoeksgerecht in hoger beroep beslist tot handhaving van de hechtenis in de gevangenis van een inverdenkinggestelde wiens voorlopige hechtenis op het ogenblik van die beslissing wordt uitgevoerd in de gevangenis ingevolge een beslissing van de onderzoeksrechter op grond van artikel 24bis, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, verzwaart het de toestand van de inverdenkinggestelde niet.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest geen rekening houdt met het door eisers raadsman neergelegde stuk waaruit bleek dat hij het elektronisch toezicht ook kon ondergaan bij de genaamde M.V., verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.34 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230822.VAC.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.20 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250211.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.