← België

D. contra O.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 242

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 242

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 De rechter oordeelt onaantastbaar of een deskundigenonderzoek of het optreden van een deskundige blijk geven van partijdigheid waardoor het voor de waarheidsvinding noodzakelijk is om een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen of om nieuwe deskundigen als getuigen te horen; het Hof gaat in dit verband na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Fiche 4 De loutere omstandigheid dat een gerechtsdeskundige tijdens zijn getuigenis voor de vonnisrechter gewag maakt van een omstandigheid die niet werd vermeld in zijn eerder opgestelde verslag, verplicht de vonnisrechter niet om in te gaan op het verzoek van een procespartij om een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen of die procespartij de gelegenheid te bieden hiertoe te laten overgaan. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Fiches 5 - 6 Artikel 678, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op het hof van assisen dat tijdens de openbare behandeling ten gronde het verzoek verwerpt van een beschuldigde, ertoe strekkend om nadere onderzoeksmaatregelen te bevelen of te laten uitvoeren of om bijkomende getuigen te doen dagvaarden en om hiervoor rechtsbijstand te verlenen. Thesaurus CAS: RECHTSBIJSTAND Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 678, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 678, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 7 - 8 De beschuldigde die meent dat de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt en dat het hof van assisen hiermee rekening dient te houden bij de straftoemeting, dient dit op te werpen tijdens het debat over de straftoemeting zoals bedoeld in artikel 341 Wetboek van Strafvordering; daartoe kan hij tijdens het debat over de straftoemeting de voorzitter van het hof van assisen verzoeken om akte te verlenen van zijn standpunt over de overschrijding van de redelijke termijn of een conclusie neerleggen waarin hij zijn standpunt in dit verband uiteenzet; de omstandigheid dat de beschuldigde tijdens het debat over de schuldvraag voor het hof van assisen een conclusie neerlegt waarin hij een tussengeschil over de bewijsvoering opwerpt en om aanvullend onderzoek verzoekt en hierbij vermeldt dat de redelijke termijn van de strafvervolging volgens hem is overschreden en dan ook geen beletsel vormt voor het bevelen van dat aanvullend onderzoek, heeft als zodanig niet tot gevolg dat het verweer over de overschrijding van de redelijke termijn deel uitmaakt van het debat over de straftoemeting en verplicht het hof van assisen niet om de straftoemeting in dit verband uitdrukkelijk te motiveren; dat laatste is slechts het geval wanneer de overschrijding van de redelijke termijn vaststaat, in het bijzonder ingevolge een rechterlijke beslissing, of wanneer de beschuldigde of het openbaar ministerie dit tijdens het debat over de straftoemeting voor het hof van assisen opwerpt. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 341

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 341- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.1147.N I, II en III A H D C D, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het tussenarrest nr. 14/2022 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 16 mei 2022 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. 16/2022 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 18 mei 2022 over de schuld (hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest nr. 17/2022 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 19 mei 2022 over de straf (hierna arrest III). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen tegen het arrest I Eerste middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 242 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat uit geen enkele wetsbepaling voortvloeit dat een beschuldigde recht heeft op een kopie van een overtuigingsstuk, is de beslissing om eisers verzoek tot het verkrijgen van een kopie van het overtuigingsstuk 2017/4648 ongegrond te verklaren, niet naar recht verantwoord; de eiser heeft recht op een kosteloos afschrift van het strafdossier, waartoe ook de overtuigingsstukken behoren; de weigering van het arrest I, evenals van de voorzitter van het hof van assisen krachtens zijn discretionaire macht, om de eiser een kopie te laten bezorgen van het overtuigingsstuk 2017/4648, wat noodzakelijk was voor het voeren van zijn verdediging, miskent eisers recht op een kosteloos afschrift van het strafdossier.
  2. In zoverre het middel gericht is tegen het optreden van de voorzitter van het hof van assisen en niet tegen het arrest I, is het niet ontvankelijk.
  3. Artikel 242 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat aan de beschuldigde en aan de burgerlijke partij ter griffie inzage in het dossier wordt verleend en dat de beschuldigde alsook de burgerlijke partij, op hun verzoek, kosteloos een afschrift van het dossier kunnen verkrijgen. Noch uit die bepaling, noch uit enige andere wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel vloeit voort dat de beschuldigde het recht heeft op een kopie van overtuigingsstukken.
  4. De overtuigingsstukken maken deel uit van het strafdossier en zijn aan de tegenspraak onderworpen. Ter vrijwaring van het recht van verdediging dient aan de partijen op hun verzoek in beginsel dan ook toegang tot en inzage in de overtuigingsstukken te worden verleend.
  5. De rechter oordeelt onaantastbaar of een procespartij op een afdoende wijze in de mogelijkheid werd gesteld om de overtuigingsstukken te raadplegen en hierover tegenspraak te voeren, alsook of het voor de vrijwaring van het recht van verdediging vereist is dat een partij over een kopie van een bepaald overtuigingsstuk moet kunnen beschikken. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het arrest I oordeelt met betrekking tot eisers verzoek tot het verkrijgen van een kopie van het overtuigingsstuk 2017/4648 als volgt: - uit geen enkele wetsbepaling vloeit voort dat de eiser recht heeft op een kopie van een overtuigingsstuk. Anders dan de eiser meent, impliceert zulks geen miskenning van zijn recht van verdediging. De beschuldigde mag zich overtuigingsstukken immers laten voorleggen om deze te bestuderen in het kader van zijn verdediging en mag op deze wijze zijn recht van verdediging exhaustief uitoefenen; - de raadsman van de eiser betwist niet dat hij deze gelegenheid kreeg. Het hof van assisen stipt in dit verband aan dat de raadsman van de eiser naar eigen zeggen inzage kreeg van het bedoelde overtuigingsstuk voorafgaand aan het hernemen van de rechtszitting op 9 mei 2022, 10 mei 2022 en 11 mei
  8. Er stond trouwens niks aan in de weg dat hij dit ook deed op 12 mei 2022 en 13 mei 2022, of eerder tijdens het gerechtelijk onderzoek; - de onderzoeksrechter werd gehoord op 10 mei 2022 en 11 mei 2022, zodat de eiser onterecht aanvoert dat de onderzoekrechter werd gehoord zonder dat zijn raadslieden in de gelegenheid waren om de bedoelde stukken in te zien; - het hof van assisen stipt verder aan dat het getuigenis van de onderzoeksrechter werd afgesloten in de avond van 11 mei 2022, zonder dat de eiser of diens raadslieden het verzoek uitten om dit getuigenverhoor alsnog niet af te sluiten teneinde de onderzoeksrechter of de bij deze gelegenheid tevens gehoorde verbalisanten bepaalde onderdelen van voormeld overtuigingsstuk te doen voorleggen; - het hof van assisen stipt verder aan dat nergens uit blijkt dat de door de onderzoeksrechter gebruikte powerpoint-presentatie andere gegevens bevatte dan deze vervat in de strafinformatie. De eiser beweert dit trouwens ook niet; - voorts tonen de eiser en diens raadslieden niet aan waarom het verkrijgen van een kopie van het bedoelde overtuigingsstuk noodzakelijk is in het kader de uitoefening van het recht van verdediging, wanneer zij het bedoelde overtuigingsstuk hebben kunnen inzien en dit nog steeds kunnen; - het verzoek tot het verkrijgen van een kopie van OS 2017/4648 wordt derhalve afgewezen als ongegrond. Voor het overige wordt in dit verband verwezen naar de beslissing van de voorzitter van het assisenhof op grond van zijn discretionaire bevoegdheid, die gelijktijdig met de uitspraak van dit tussenarrest wordt gedaan en waarvan akte wordt verleend op het zittingsblad. Vanuit die optiek zijn de overige middelen in verband met voormeld overtuigingsstuk zonder voorwerp.
  9. Met die redenen is het oordeel van het arrest I dat eisers recht van verdediging niet werd miskend, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de deskundige: ingevolge de gebleken partijdigheid en vijandigheid van de psychiaters-deskundigen dr. P.V. en dr. H.H. ten aanzien van de verdediging, waarbij dr. H.H. tijdens zijn getuigenis op de rechtszitting van 11 mei 2022 de opmerkingen van de verdediging op zijn verslag “een beetje onnozel” noemde en de voorzitter van het hof van assisen de deskundige diende aan te manen geen beledigingen en persoonlijke meningen te verkondigen over de raadslieden van de verdediging, is de beslissing tot afwijzing van eisers verzoek om een nieuw psychiatrisch deskundigenonderzoek (tegenexpertise) te bevelen en om bepaalde personen als getuigen-deskundigen te horen, niet naar recht verantwoord; het hof van assisen diende na te gaan of er geen sprake was van partijdigheid en vijandigheid van de psychiaters-deskundigen en kon het verzoek tot het bevelen van een tegenexpertise niet zomaar afwijzen door te oordelen dat dit middel bij de grond van de zaak diende te worden gevoegd en de partijen de gelegenheid hebben om hun argumenten hierover op te werpen na de getuigenverhoren; het hof van assisen kon de voormelde onderzoekshandelingen bovendien slechts afwijzen wanneer ze niet noodzakelijk werden geacht voor de waarheidsvinding.
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de voorzitter van het hof van assisen de deskundige heeft aangemaand om geen beledigingen en persoonlijke meningen te verkondigen over de raadslieden van de verdediging. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  12. De rechter oordeelt onaantastbaar of een deskundigenonderzoek of het optreden van een deskundige blijk geven van partijdigheid waardoor het voor de waarheidsvinding noodzakelijk is om een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen of om nieuwe deskundigen als getuigen te horen. Het Hof gaat in dit verband na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Ter verantwoording van de beslissing dat er geen reden is om over te gaan tot de aanstelling van een tweede college van forensische psychiaters noch om de door de eiser gevraagde bijkomende deskundigen als getuigen op te roepen, oordeelt het arrest I onder meer als volgt: - blijkens de door de eiser bij conclusie aangevoerde middelen, heeft de kritiek van de eiser in essentie betrekking op de inhoud van de besluiten van het college van deskundigen, zoals op de rechtszitting onder eed toegelicht door de deskundigen dr. H.H. en dr. P.V. en meer bepaald op 11 mei 2022; - de enkele omstandigheid dat de eiser het niet eens is met de inhoud van de door een deskundige gedane bevindingen, heeft niet tot gevolg dat in het belang van de waarheidsvinding een nieuw deskundigenonderzoek moet worden bevolen, terwijl hieraan geen afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat deskundige dr. H.H. een onderdeel van de bemerkingen van de raadsman van de eiser bij het verslag van het college als “een beetje onnozel” bestempelde; - de eiser en zijn raadslieden werden in de gelegenheid gesteld om hun opmerkingen, kritieken of bedenkingen te maken bij het voormeld deskundigenonderzoek of bij de verklaringen van de deskundigen dr. H.H. en dr. P.V. op de rechtszitting van 11 mei 2022 en maakten van deze gelegenheid ook gebruik; - de opmerkingen, kritieken of bedenkingen van de eiser en of diens raadslieden op de rechtszitting van 11 mei 2022 gebeurden op de openbare rechtszitting van het hof van assisen, zodat de jury en het hof van assisen kennis namen van het bestaan van dit debat en van de kritiek van de eiser bij een onderdeel van de bevindingen van de voormelde deskundige, waarbij de jury eveneens de gelegenheid had om bij de verklaringen van de deskundigen dr. H.H. en dr. P.V. op de rechtszitting van 11 mei 2022 vragen of opmerkingen te maken, desgevallend in functie van de door de raadslieden van de verdediging ter zake gemaakte opmerkingen; - de eiser en diens raadslieden, net zoals de overige partijen en het openbaar ministerie, zullen ter gelegenheid van de pleidooien de mogelijkheid hebben om deze aangelegenheden verder toe te lichten, wat ook geldt voor de stelling van de eiser, als zouden de voormelde deskundigen partijdig of vijandig staan tegenover hem of tegenover de raadslieden van de verdediging; - aldus wordt het recht van de eiser om zijn verdediging exhaustief te voeren gewaarborgd; - de eiser maakt niet aannemelijk dat uit het getuigenis op de rechtszitting door de voormelde deskundigen-psychiaters of uit enig ander element van het onderzoek op de rechtszitting zou voortvloeien dat het recht van verdediging vereist dat wordt ingegaan op de door de eiser in hoofdorde of in ondergeschikte orde gedane verzoeken. Er wordt niet aannemelijk gemaakt dat het getuigenis op de rechtszitting door de voormelde deskundigen met betrekking tot de aan hen gestelde vragen, zoals bedoeld in artikel 5 Interneringswet, afweek van hun bevindingen in dit verband in het terloops het gerechtelijk onderzoek neergelegde verslag zoals hoger bedoeld.
  14. Met die redenen verantwoordt het arrest I naar recht de beslissing dat de houding van de deskundigen, en met name van dr. H.H., niet van die aard is dat er een nieuw deskundigenonderzoek (tegenexpertise) of een verhoor van de door de eiser aangehaalde getuigen-deskundigen moet worden bevolen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.b EVRM: door eisers verzoek af te wijzen om een nieuw deskundigenonderzoek (tegenexpertise) of een verhoor van de door de eiser aangehaalde getuigen-deskundigen te bevelen, miskent het arrest I eisers recht om te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging; tijdens de getuigenis van de deskundige dr. H.H. op de rechtszitting maakte deze gewag van een persoonlijkheidsstoornis bij de eiser; dit betreft een nieuwe element dat niet werd vermeld in het verslag van het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek, zodat de eiser in de gelegenheid moest worden gesteld zich hierover te verdedigen; wanneer een deskundige op de rechtszitting zijn mening verandert en een vernietigend oordeel uitspreekt over de persoonlijkheid van de beschuldigde, dient een nieuw deskundigenonderzoek te worden bevolen of minstens de gelegenheid worden geboden aan de verdediging om hiertoe te laten overgaan.
  16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de forensisch psychiater dr. H.H. als getuige-deskundige op de rechtszitting zijn mening over de eiser heeft gewijzigd. Het arrest I oordeelt integendeel dat: - uit de enkele omstandigheid dat de deskundigen dr. H.H. en dr. P.V. op de rechtszitting gewag maakten van een persoonlijkheidsstoornis bij de eiser, niet kan worden afgeleid dat zij hun zienswijze wijzigden ten aanzien van hun zienswijze, ingenomen tijdens het gerechtelijk onderzoek; - zoals de eiser bij conclusie zelf stelt, in het verslag van het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek daarvan immers geen gewag wordt gemaakt; - voormeld verslag betrekking heeft op de vragen, bedoeld in artikel 5 Interneringwet en dat deze vragen geen betrekking hebben op het eventuele bestaan van een persoonlijkheidsstoornis. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  17. De loutere omstandigheid dat een gerechtsdeskundige tijdens zijn getuigenis voor de vonnisrechter gewag maakt van een omstandigheid die niet werd vermeld in zijn eerder opgestelde verslag, verplicht de vonnisrechter niet om in te gaan op het verzoek van een procespartij om een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen of die procespartij de gelegenheid te bieden hiertoe te laten overgaan. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  18. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van het hof van assisen over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 678, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek: eisers verzoek om hem kosteloze rechtsbijstand te verlenen teneinde hem toe te laten een tegenexpertise te laten uitvoeren over zijn geestestoestand en bijkomende getuigen-deskundigen te laten dagvaarden, werd door het hof van assisen behandeld in openbare rechtszitting; een dergelijke procedure diende te worden behandeld in raadkamer.
  20. Artikel 678, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op het hof van assisen dat tijdens de openbare behandeling ten gronde het verzoek verwerpt van een beschuldigde, ertoe strekkend om nadere onderzoeksmaatregelen te bevelen of te laten uitvoeren of om bijkomende getuigen te doen dagvaarden en om hiervoor rechtsbijstand te verlenen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middel tegen het arrest III Derde middel
  21. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest III veroordeelt de eiser tot levenslange opsluiting en tot terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank gedurende een termijn van tien jaar, zonder te antwoorden op eisers middel over de overschrijding van de redelijke termijn, zoals dit werd aangevoerd tijdens het debat voor het hof van assisen en in het bijzonder blijkt uit de conclusie die eisers raadslieden op de rechtszitting van 16 mei 2022 hebben neergelegd. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: hoewel de overschrijding van de redelijke termijn deel uitmaakte van het debat voor het hof van assisen, wat in het bijzonder blijkt uit eisers conclusie van 16 mei 2022, veroordeelt het hof van assisen de eiser tot de maximumstraf zonder te verwijzen naar de opgeworpen overschrijding van de redelijke termijn.
  22. De eiser werd door het arrest III veroordeeld wegens meervoudige moord (artikel 394 Strafwetboek) en wegens foltering (artikel 417ter, eerste alinea, Strafwetboek) tot levenslange opsluiting en tot terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank gedurende een termijn van tien jaar. Dit is niet de maximale bestraffing, die immers bestaat uit levenslange opsluiting en terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank gedurende een termijn van vijftien jaar bij toepassing van artikel 34quater, 2°, Strafwetboek. In zoverre het ervan uitgaat dat aan de eiser de maximale bestraffing werd opgelegd, kan het middel niet worden aangenomen.
  23. De beschuldigde die meent dat de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt en dat het hof van assisen hiermee rekening dient te houden bij de straftoemeting, dient dit op te werpen tijdens het debat over de straftoemeting zoals bedoeld in artikel 341 Wetboek van Strafvordering. Daartoe kan hij tijdens het debat over de straftoemeting de voorzitter van het hof van assisen verzoeken om akte te verlenen van zijn standpunt over de overschrijding van de redelijke termijn of een conclusie neerleggen waarin hij zijn standpunt in dit verband uiteenzet.
  24. De omstandigheid dat de beschuldigde tijdens het debat over de schuldvraag voor het hof van assisen een conclusie neerlegt waarin hij een tussengeschil over de bewijsvoering opwerpt en om aanvullend onderzoek verzoekt en hierbij vermeldt dat de redelijke termijn van de strafvervolging volgens hem is overschreden en dan ook geen beletsel vormt voor het bevelen van dat aanvullend onderzoek, heeft als zodanig niet tot gevolg dat het verweer over de overschrijding van de redelijke termijn deel uitmaakt van het debat over de straftoemeting en verplicht het hof van assisen niet om de straftoemeting in dit verband uitdrukkelijk te motiveren. Dat laatste is slechts het geval wanneer de overschrijding van de redelijke termijn vaststaat, in het bijzonder ingevolge een rechterlijke beslissing, of wanneer de beschuldigde of het openbaar ministerie dit tijdens het debat over de straftoemeting voor het hof van assisen opwerpt.
  25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  26. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat werd vastgesteld dat de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, noch dat de beschuldigde dit tijdens het debat over de straftoemeting heeft aangevoerd voor het hof van assisen. Het arrest III diende de straftoemeting dan ook niet in het bijzonder te motiveren in het licht van de redelijke termijn van de strafvervolging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 237,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150331.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.