← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.6 Rolnummer: P.22.0415.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-29 Raadplegingen: 808 - laatst gezien 2026-06-19 04:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Het uitspreken van de beveiligingsmaatregel van artikel 42 Wegverkeerswet is verplicht telkens wanneer een beklaagde het voorwerp uitmaakt van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan zijn persoonlijk toedoen, en de rechter naar aanleiding hiervan vaststelt dat hij lichamelijk of geestelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig

(1); de beslissing waarbij de rechter naar aanleiding van een veroordeling wegens een overtreding van de politie over het wegverkeer oordeelt dat de betrokkene lichamelijk of geestelijk niet ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig en er tegen hem bijgevolg geen verval moet worden uitgesproken zoals bedoeld in artikel 42 Wegverkeerswet, is niet bindend voor de rechter die de betrokkene nadien veroordeelt wegens een andere overtreding van de politie over het wegverkeer, noch voor de rechter die nadien moet oordelen over een bij toepassing van artikel 44 Wegverkeerswet geformuleerd verzoek tot herziening van de beveiligingsmaatregel die naar aanleiding van die andere overtreding werd bevolen.
(1)Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0793.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8, AC 2022, nr. 619; Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0211.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.8, AC 2022, nr. 388; Cass. 14 september 2021, AR P.21.0109.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.4, AC 2022, nr. 546, T. Pol. 2022, 55; C. DE ROY, “De wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid: opnieuw een strengere aanpak van verkeersovertreders”, RW 2018-19, 135; Ph. TRAEST, Topics verkeers(straf)recht, Intersentia, 2020, 23-
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 42 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 42 en 44 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0415.N Y A, geboren te Agadir (Marokko) op 9 december 1995, wonende te 8700 Tielt, Dierdonk 39, verzoeker tot herziening van een vervallenverklaring van het recht tot sturen, eiser, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8700 Tielt, Hoogstraat 34, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 25 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 23 Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken: het oordeel dat eisers verzoek tot herziening van de vervallenverklaring van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, hem opgelegd bij vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 28 mei 2021, gelet op de bevindingen van het deskundigenverslag van 15 december 2021 ongegrond moet worden verklaard, is niet naar recht verantwoord; het bestreden vonnis miskent hierdoor immers het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 7 januari 2022, waarin werd geoordeeld dat, gelet op de gegevens van datzelfde deskundigenverslag van 15 december 2021, aan de eiser niet het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet worden opgelegd zoals bedoeld in artikel 42 Wegverkeerswet.
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: na bij vonnis van 15 januari 2021, in hoger beroep gewezen door de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, te zijn veroordeeld tot diverse straffen wegens inbreuken op het Wegverkeersreglement en de Wegverkeerswet, waaronder het besturen van een motorvoertuig onder invloed van drugs op 2 november 2019, werd de eiser op grond van het deskundigenverslag van dr. M.C. van 14 april 2021 bij vonnis van 28 mei 2021 van diezelfde rechtbank vervallen verklaard van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 42 Wegverkeerswet; de eiser werd in een afzonderlijke procedure vervolgd wegens andere misdrijven, omschreven in de Wegverkeerswet, waaronder het op 17 oktober 2019 besturen van een motorvoertuig terwijl een speekselanalyse de aanwezigheid van drugs had aangetoond. In die procedure stelde de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, in hoger beroep bij vonnis van 15 oktober 2021 dr. M.C. als gerechtsdeskundige aan met het oog op de beoordeling van de geschiktheid van de eiser tot het besturen van een motorvoertuig, waarna deze gerechtsdeskundige een onderzoek uitvoerde en op 15 december 2021 een verslag opstelde; bij vonnis van 7 januari 2022 bevestigde de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, de in het beroepen vonnis opgelegde straffen, met dien verstande dat aan de eiser geen verval van het recht tot sturen in de zin van artikel 42 Wegverkeerswet werd opgelegd; de eiser legde op 26 januari 2022 bij toepassing van artikel 44 Wegverkeerswet een verzoekschrift neer waarbij hij om een herziening verzocht van het hem bij vonnis van 28 mei 2021 door de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, opgelegde verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, waarbij dit verzoek door het bestreden vonnis ongegrond wordt verklaard.
  5. Artikel 42, eerste lid, Wegverkeerswet legt aan de rechter de verplichting op om, indien naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig, het verval van het recht tot sturen uit te spreken.
  6. Het uitspreken van deze beveiligingsmaatregel is verplicht telkens wanneer een beklaagde het voorwerp uitmaakt van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan zijn persoonlijk toedoen, en de rechter naar aanleiding hiervan vaststelt dat hij lichamelijk of geestelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig.
  7. De beslissing waarbij de rechter naar aanleiding van een veroordeling wegens een overtreding van de politie over het wegverkeer oordeelt dat de betrokkene lichamelijk of geestelijk niet ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig en er tegen hem bijgevolg geen verval moet worden uitgesproken zoals bedoeld in artikel 42 Wegverkeerswet, is niet bindend voor de rechter die de betrokkene nadien veroordeelt wegens een andere overtreding van de politie over het wegverkeer, noch voor de rechter die nadien moet oordelen over een bij toepassing van artikel 44 Wegverkeerswet geformuleerd verzoek tot herziening van de beveiligingsmaatregel die naar aanleiding van die andere overtreding werd bevolen.
  8. Het middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bindende kracht van het vonnis van 7 januari 2022: met het oordeel dat de rechtbank zich aansluit bij de pertinente en correcte bevindingen van het verslag van 15 december 2021 van gerechtsdeskundige dr. M.C. zonder zich te steunen op de beslissing van het vonnis van 7 januari 2022 van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, miskent de rechtbank de bewijskracht van dat vonnis.
  10. Het bestreden vonnis verwijst ter ondersteuning van de beslissing tot verwerping van het bij toepassing van artikel 44 Wegverkeerswet geformuleerd verzoek niet naar het vonnis van 7 januari 2022 van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Het kan bijgevolg de bewijskracht van dat vonnis niet miskennen. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  11. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bindende kracht van het deskundigenverslag van 15 december 2021: met het oordeel dat op grond van de pertinente en coherente bevindingen van het deskundigenverslag van 15 december 2021 niet kan worden besloten dat er een einde is gekomen aan eisers ongeschiktheid om voertuigen te besturen, miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van dat deskundigenverslag, waaruit immers blijkt dat de waarden in het bloed compatibel zijn met abstinentie of een zeer beperkt gebruik van alcoholische dranken in de periode van ruim een maand voorafgaand aan de bloedafname, alsook dat de haaranalyse negatief was betreffende het gebruik van recreatieve drugs en er in de periode van minder dan een maand voorafgaand aan de staalname geen recreatieve drugs meer werden gebruikt.
  12. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat, die wel erin voorkomt.
  13. Het bestreden vonnis (p. 3) baseert zich niet op de bevindingen van het deskundigenverslag met betrekking tot de afwezigheid van alcoholmisbruik en gebruik van recreatieve drugs in de periode van een maand voorafgaand aan de afname van een bloed- en haarstaal op 16 november
  14. Het oordeelt wel dat: de deskundige in haar verslag van 15 december 2021 benadrukt dat de eiser sinds minstens mei 2021 wist dat hij een onthouding van psychotrope stoffen en recreatieve drugs van ten minste zes maanden moest bewijzen via twee achtereenvolgende haarstalen van drie centimeter, terwijl het haar maar een centimeter lang was en het negatief resultaat slechts betrekking kan hebben op een periode van minder dan een maand vóór de staalname; de eiser slechts één urineanalyse voorlegde aan de deskundige, terwijl het geweten is dat de detecteerbaarheid van de meeste recreatieve drugs in urine slechts kort is, namelijk voor cocaïne slechts twee tot drie dagen, voor cannabis eventueel langer, afhankelijk van de frequentie van gebruik, maar hoe dan ook geen zes maanden; de deskundige dan ook op goede gronden besluit dat er geen bewezen abstinentie is van psychotrope stoffen of recreatieve drugs van ten minste zes maanden, zodat de eiser volgens het inzicht van de deskundige niet rijgeschikt kan worden verklaard; de rechtbank zich enkel kan aansluiten bij deze pertinente en coherente beschouwingen en bevindingen van de deskundige. Met dit oordeel miskent het bestreden vonnis niet de bewijskracht van het deskundigenverslag van 15 december
  15. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  16. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de rechtbank over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door eisers verzoek tot herziening van de vervallenverklaring van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid ongegrond te verklaren zonder in te gaan op het vonnis van 7 januari 2022 van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, is het bestreden vonnis niet regelmatig met redenen omkleed; de eiser had zich in zijn verzoekschrift tot herziening op dit vonnis beroepen, zodat de rechtbank ertoe gehouden was hierop te antwoorden.
  18. Na te hebben verwezen naar de beslissing in het vonnis van 7 januari 2022 van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk (bestreden vonnis, p. 2), oordeelt de rechtbank op grond van de redenen, aangehaald in het antwoord op het derde middel, dat er niet kan worden besloten dat er een einde is gekomen aan eisers ongeschiktheid om motorvoertuigen te besturen. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het bestreden vonnis het in het middel bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 december 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.